Profiel

Schrijven en de wereld verbeteren

Het werk van Dave Eggers kenmerkt zich door de combinatie van meligheid en oprechte treurnis. Toch blijft ieder boek weer verbazen.

Medium joost superdave

Wanneer je A Heartbreaking Work of Staggering Genius openslaat, de memoires waar Dave Eggers mee debuteerde, tref je op de eerste bladzijde een afbeelding van de auteur. Eggers kijkt neutraal in de camera, gekleed in een simpel T-shirt. Om hem heen staan twee honden, een basset en een labrador, en op zijn schouder zit een vogel.

Onder de foto staat een introducerend tekstje. Dat Eggers met drie vrienden in 1993 het magazine Might oprichtte, dat hij werkte als cartoonist, grafisch ontwerper en freelance ‘boze schrijver’. Dat hij redacteur is van het literaire kwartaalblad McSweeney’s en met zijn broer in California woont. De laatste zin van het tekstje luidt: 'Ze hebben geen huisdieren.’ Als lezer kijk je dan nog eens omhoog, naar de foto van Eggers tussen de honden en opeens snap je dat hij niet neutraal in de camera kijkt, maar deadpan - de term voor komieken die de grootst mogelijke onzin uithalen en er zelf volkomen serieus bij blijven kijken.
De pret gaat verder. Op de colofonpagina staat in de kleine lettertjes (die iedereen normaal gesproken overslaat), naast de reguliere gegevens over drukkers, uitgevers, copyright en ISBN-toestanden, het gewicht, de lengte, en de kleur ogen van de auteur, plus zijn seksuele oriëntatie op een schaal van een tot tien waarbij één volkomen hetero is en tien volkomen gay (Eggers geeft zichzelf een drie). Voordat het verhaal begint komt een pagina met Rules and suggestions for enjoyment of this book (you might want to skip much of the middle, namely pages 239-351), een tientallen pagina’s tellend voorwoord waarin de auteur alvast alle tekortkomingen van zichzelf uit de doeken doet en zich ervoor verontschuldigt.

En dan, als je door deze meligheid heen bent gewaad, komt het openingshoofdstuk, waarin Eggers met pijnlijk oog voor detail de buikkanker van zijn moeder beschrijft - een neus die niet wil ophouden met bloeden, een klein broertje voor wie het onvermijdelijke gecamoufleerd wordt, een vader die zijn eigen dodelijke ziekte voor het gezin verzwijgt. Dertig pagina’s later heeft Eggers, dan 21, allebei zijn ouders verloren, en krijgt hij de opvoeding van zijn dan achtjarige broertje, Toph, in de schoenen geschoven.
Met AHWOSG, zoals fans het noemen, landde Eggers als een komeet in het literaire landschap. Het boek kwam op de shortlist van de Pulitzerprijs, en de hype rond de jonge schrijver werd vergroot door een serie optredens in het land waarin vrienden van Eggers stunts uithaalden. Met zijn opvliegende stijl, zijn tongue-in-cheeck grapjes en de manier waarop hij de 'fourth wall’ tussen lezer en auteur doorbrak presenteerde hij zich als directe nazaat van David Foster Wallace; maar nog meer werd hij gezien als het gezicht van een nieuwe generatie - schrijvers als Jonathan Safran Foer debuteerden, of ze het wilden of niet, in zijn vaarwater.

Eggers werd geboren in Boston, in 1970, als derde kind. Zijn vader was advocaat, zijn moeder lerares. Hij groeide op in een upper-middle class-buitenwijk van Chicago, naar eigen zeggen in de straat van tv-ster Mister T. Zijn oudere zus, Beth, die een prominente rol speelde in zijn memoires, pleegde zelfmoord in 2002. Eggers is getrouwd met schrijfster Vendela Vida, met wie hij het filmscript schreef voor de relatiecomedy Away We Go (2009). Ze hebben twee kinderen.
Maar dat zijn allemaal dingen waar Eggers het nooit over heeft. Sinds AHWOSG is hij alleen maar meer naar de achtergrond verdwenen. Met terugwerkende kracht is AHWOSG niet alleen het visitekaartje geweest van Eggers’ schrijverschap, maar ronduit een beginselverklaring. De combinatie van meligheid en oprechte treurnis, van lol en engagement, zit in zijn hele werk, zowel in wat door hem wordt geschreven als geredigeerd.

Want met het geld dat hij met zijn debuut verdiende bouwde hij zijn eenmansbedrijfje McSweeney’s uit (vernoemd naar een man die beweerde dat hij de langverloren broer van zijn moeder was), een uitgeverij en een gelijknamig literair tijdschrift. Het doel was een community van schrijvers te creëren, met ruimte voor de nog minder bekende goden. Dat lukte, zo goed zelfs dat in no time gevestigde namen als Roddy Doyle, Joyce Carol Oates, Michael Chabon, Stephen King - en zelfs David Foster Wallace - op de deur klopten.
'I don’t know how we do anything’, zegt Eli Horowitz, die formeel de titel draagt van managing editor & publisher bij McSweeney’s. Tijdens het Crossing Border-festival, in november, was hij in Den Haag. Nadat hij in 2002 was afgestudeerd in de filosofie, vertelt Horowitz (31), ging hij in de bergen een houten hut bouwen, à la de Unabomber - gewoon om te kijken of hij het kon. Toen hij terugkeerde naar San Francisco bedacht hij timmerman te worden. Een grote fout, want een hut in elkaar knutselen is iets anders dan negentiende-eeuwse stadspanden restaureren. Horowitz stond op straat, en om iets te doen meldde hij zich aan als vrijwilliger om het pand van 826 Valencia op te knappen. Hij raakte bevriend met Eggers, die hem een baan aanbood bij zijn uitgeverijtje - waarmee hij de eerste werknemer was van McSweeney’s. Horowitz: 'Inmiddels bestaat het bedrijf uit zo'n tien fte’s. Zo nu en dan spreken we stellig af elke dinsdag te vergaderen, maar na twee, drie keer wordt dat weer vergeten en gaat iedereen zijn eigen gang. Soms bedenken we dat we heel weinig boeken uitgeven, dat het er meer moeten worden. Dan schrikken we weer dat het te veel is. Er zijn geen vijfjarenplannen, geen lange lijnen.’

Horowitz is klein en redelijk compact, zoals alle jonge Amerikanen gebouwd lijken te zijn. Overhemd uit zijn broek. Zijn bruine haar zit perfect nonchalant, net als zijn baardje. Zijn baardje is nieuw en bevalt hem, zegt hij, het is alsof je een moestuintje op je gezicht hebt. Hij is nergens op name droppen te betrappen. Een redacteur van McSweeney’s is alles in één, zegt Horowitz: 'Vaak bedenkt de redacteur van een boek ook het ontwerp. En vervolgens gaat hij zelf praten met de drukker. Neem de essaybundel Maps and Legends van Michael Chabon, een uitgeefjuweeltje: om de hardback heen zaten drie stofhoezen, die over elkaar heen vielen en zo een landschap uitbeeldden. Geen drukkerij kon het maken zoals wij het wilden, de apparatuur was niet toereikend. Toevallig kende ik een oude drukker die stofhoezen nog met de hand om het boek heen vouwde. En voilà.’
Eggers is een interesting dude, zegt Horowitz. 'Hij komt twee of drie keer in de week op kantoor, praat met iedereen. Natuurlijk is hij ons vlaggenschip, maar zijn combinatie van creativiteit en engagement geldt voor alle McSweeney’s-medewerkers en -schrijvers. Toch is maatschappelijke betrokkenheid geen continu discussieonderwerp, uiteindelijk willen we boeken maken. Op een creatieve manier. De enige keer dat we in ons kwartaalblad en op onze website politiek expliciet werden was rond de presidentsverkiezingen van 2004. We voelden ons zo machteloos dat we luidkeels propaganda tegen Bush hebben gemaakt.’

Horowitz praat ontspannen en weidt af en toe uit, over de betekenis van de schietpartij in de kelder in Quentin Tarantino’s laatste film, of over de tijd dat hij werkte bij een internetbedrijfje dat vragen verzon voor quizzen in kranten en tv-programma’s. Zijn beste vraag kwam naar aanleiding van een fragment uit Men in Black, de scifi-film waarin Will Smith het als geheim agent opneemt tegen een kwaadaardig buitenaards wezen dat in de finale van de film in duizenden kakkerlakken uiteenspat. Horowitz praat enthousiast over de film, noemt het een van Will Smith’s betere en komt dan bij de vraag: 'Zoals je wellicht weet kunnen kakkerlakken nucleaire fall-outs overleven, en als je de kop van een kakkerlak afsnijdt, blijft hij nog drie weken leven. De vraag is: waaraan gaat hij dan wél dood?’
'Omdat ze dan niet meer kunnen drinken’, zeg ik.

Medium dave portret

'Inderdaad’, zegt Horowitz, en hij lijkt een beetje teleurgesteld.
De bedoeling was rijk te worden met dat internetbedrijfje, zoals eind jaren negentig iedereen met internetbedrijfjes rijk leek te kunnen worden. Maar niemand zat om quizvragen te springen. Om terug te komen op McSweeney’s, zegt hij, hij was dus op geen enkele manier opgeleid om uitgever te worden. Maar dat is helemaal niemand bij McSweeney’s, en dat is juist de kracht.
Hoe amateuristisch het vrijheid-blijheidarbeidsethos van McSweeney’s misschien ook klinkt, het heeft ertoe geleid dat het een van de weinige uitgeverijen is die, in marketingterminologie, een 'brand’ is. Het stempel 'McSweeney’s’ op een boek zegt iets over de kwaliteit, over het enthousiasme en de originaliteit. Waar in vorige decennia het Britse literaire tijdschrift Granta garant stond als graadmeter voor de volgende garde jonge schrijvers, is dat nu McSweeney’s.
Eggers functioneert als vlaggenschip, ongetwijfeld. Toch is de vraag of Eggers nog steeds een echte McSweeney’s-schrijver is. Zijn eerste 'echte’ roman zou perfect in het plaatje passen, You Shall Know Our Velocity, verschenen in 2002. Het verhaal gaat over twee vrienden, Will en Hand, die na de dood van een andere vriend besluiten rond de wereld te reizen en dertigduizend dollar uit te delen, semi-willekeurig, aan mensen waarvan zij denken dat ze het verdienen. In een interview met The New Yorker zei Eggers op het idee gekomen te zijn voor de roman omdat hij zich in San Francisco steeds afvraagt aan welke dakloze hij wel geld zal geven en aan welke niet.

You Shall Know Our Velocity (in het Nederlands verschenen als U zult versteld staan van onze beweeglijkheid) had iets onvermijdelijk hips - dat kon ook niet anders na AHWOSG. De originele grapjes voelen wat plichtmatig aan, de foto’s zijn een beetje te gimmickachtig. Het valt precies onder de pejoratieve noemer 'hysterical realism’, bedacht door de voorname Britse criticus James Wood, als noemer voor ambitieuze romans die koste wat het kost vitaliteit nastreven 'en je duizend dingen over de wereld vertellen, maar niets wezenlijks over het leven zelf’. Het zal geen toeval zijn dat de mensen die Wood onder de hysterisch realisten schaart - Zadie Smith, Jonathan Safran Foer, Jonathan Franzen, David Foster Wallace - met enige regelmaat terug te vinden zijn in de kolommen van McSweeney’s. Een New York Times-recensent merkte op dat de McSweeney’s-jongens en meisjes aan een 'cleverer than thou’-syndroom lijden, de constante behoefte te bewijzen hoe slim en grappig ze zijn, waardoor áls ze een keer iets oprechts te melden hebben, je niet meer wilt luisteren.
Op een zeker niveau moet Eggers zich dit ook gerealiseerd hebben. In 2004 verscheen zijn verhalenbundel How We Are Hungry, maar daarin zat al een ambivalentie over die 'funnier than thou’-achtige branie. Er zat een totale gimmick in met het verhaal There Are Some Things He Should Keep to Himself (dat uit zes blanco pagina’s bestaat), maar de toon van de rest was serieuzer. Die ernst kwam tot wasdom in 2006, toen What Is the What uitkwam, het levensverhaal van de Soedanese vluchteling Valentino Achak Deng. Een waargebeurde autobiografie, maar tegelijk staat er op de ondertitel 'A Novel by Dave Eggers.’

In de salon van het Ambassade Hotel in Amsterdam is Valentino Achak Deng niet te missen. Niet alleen omdat hij de enige zwarte man is, en een kop boven iedereen uitsteekt, maar vooral omdat hij eruitziet alsof hij zestien is, zeventien, hooguit. Het is extra vreemd omdat je in What Is the What precies leest hoe hij in de tweede Soedanese burgeroorlog als kind de meest gruwelijke dingen heeft meegemaakt en duizenden kilometers te voet heeft afgelegd om voor het geweld te vluchten. Je zou een door het leven getekend figuur verwachten, maar het tegendeel is waar - hij heeft een volkomen blije, open uitstraling.
Eind oktober is hij in Nederland, later die week is hij bij Paul de Leeuw om de Nederlandse vertaling van What Is the What te promoten. Na al die jaren en ontelbare interviews lijkt hij nog altijd graag over Dave Eggers te spreken: 'Zonder Dave was alles anders geweest. Dan had ik nu niet met jou gesproken, was ik nooit naar Amsterdam gekomen, had niemand over mijn leven kunnen lezen, had Darfur nog minder aandacht gehad.’ Met de opbrengst van het boek en alle lezingen en seminars die daaruit voorkwamen, is Deng zijn eigen stichting begonnen, die schooltjes bouwt in zuidelijk Soedan. Hij praat zacht, melodieus, met handgebaren. Als ik hem vertel dat mijn broer volgend jaar naar Afrika wordt uitgezonden om aan ontwikkelingshulp te gaan doen, wil hij alles weten. Waar hij naartoe gaat, wat hij gaat doen. Hij wil e-mailadressen en telefoonnummers. Hij biedt nog net niet aan hem van het vliegveld halen.

Deng ontmoette Eggers bij een stichting voor de Soedanese 'Lost Boys’, in Atlanta, Georgia. De twee raakten bevriend. In eerste instantie wilde Eggers helpen hem zijn autobiografie te laten schrijven, maar ze kwamen er niet uit. Na honderden uren aan interviews besloot Eggers Dengs levensverhaal op te schrijven, in de ik-vorm, precies in de hoffelijke taal die Deng bezigt. Over de hele wereld werd de roman lyrisch besproken, en vorig jaar werd hij bekroond met de Franse Prix Médicis étranger. De spotlights laat Eggers aan Deng, het is zijn verhaal, zijn boodschap. Deng: 'Ik hoop dat dit boek mensen doet nadenken over Soedan. Misschien begrijpen mensen beter wat er aan de hand is in Darfur als ze dit lezen.’

Het afgelopen jaar herhaalde Eggers het kunstje, misschien met nog wel meer succes. In de zomer van 2009 verscheen Zeitoun, over de lotgevallen van Abdulrahman Zeitoun tijdens orkaan Katrina in New Orleans. Eggers ontmoette Zeitoun bij Voices from the Storm, een liefdadigsheidsproject van McSweeney’s voor slachtoffers van de orkaan. Zijn verhaal is er zo een dat je niet zou geloven als het fictie zou zijn. Nadat zijn familie gevlucht is, blijft Zeitoun achter in het overspoelde New Orleans. Zeitoun is een Syrische immigrant, een succesvolle aannemer, een spil in de gemeenschap en daarnaast een moslim, net als zijn Amerikaanse vrouw. In eerste instantie blijft hij in New Orleans om zijn huis te bewaren, maar als hij in zijn kano door de stad peddelt helpt hij buren, huisdieren en vreemden. Als uiteindelijk de Nationale Garde de stad binnenkomt helpen ze Zeitoun niet, maar arresteren hem, uit vage vermoedens rond een terroristische dreiging. Twintig dagen zit Zeitoun vast, zonder medische voorzieningen, zonder een formele aanklacht te horen of zijn familie te mogen inlichten. Het is een dubbel schrijnend portret: aan de ene kant van president Bush’ apathische leiderschap, daarnaast van de moslimobsessie van conservatief Amerika.

Het proza is lucide, elegant. Eggers klopt de dramatiek niet op, maar laat de feiten voor zichzelf spreken. Het boek is kalm, beheerst. Wie Zeitoun direct na AHWOSG zou lezen zou moeite hebben te geloven dat beide boeken van dezelfde auteur komen. Amerikaanse recensenten haalden het boek binnen als de definitieve afrekening met het Bush-tijdperk.
Hoezeer Eggers als schrijver getransformeerd is, bleek dit najaar, toen The Wild Things verscheen, een bewerking van het kinderboek Where the Wild Things Are (in het Nederlands: Max en de Maximonsters) van Maurice Sendak. De meeste critici leken bijna verbaasd. Dit was ook Dave Eggers, lollig en onserieus. O ja. Het heeft alles met volwassen worden te maken, zei Eggers in een interview met fans, op de vraag hoe zijn leven is veranderd na AHWOSG: 'Er zijn tijden dat mijn broers en ik om ons heen kijken en niet kunnen geloven dat er nog maar drie van ons gezin over zijn. Je kunt de som niet maken, dan word je gek. Maar het gaat goed. Bill werkt nog steeds in D.C., Toph studeert. Ik blijf gestaag verder schrijven. Nog steeds geen huisdieren, helaas.’


Alle Nederlandse vertalingen van Eggers’ boeken zijn onlangs in herdruk gegaan bij uitgeverij Lebowski. Max en de Maximonsters, vertaald door Irving Pardoen, 288 blz., € 19,90; Zeitoun, vertaald door Maaike Bijnsdorp en Lucie Schaap, 400 blz., € 22,50