Schrijven en schrappen

In de jaren zeventig van de vorige eeuw woedde er onder neerlandici een strijd over literaire opvattingen. Wat was een goede stijl, wat was een goed boek, waaraan moest een roman voldoen? Het was iets waar je tot diep in de nacht met je vrienden over sprak.

Ik behoorde tot een groep die niets moest hebben van spiegelstructuren, Vorausdeutungen, montagetechnieken, en allerhande labyrinten. Weg met Wellek en Warren en hun Theory of Literature. Wij wilden niet de draden aan de achterkant van het tapijt zien, wij wilden eenvoudige kleedjes: Elsschot, Reve, Den Uyl, Hermans, Wolkers, Nescio, Carmiggelt. Een verhaal mocht best ‘eendimensionaal’ zijn en we wilden vooral geen ‘filosofie’ in de boeken. A.F.Th. wezen we af. Wij meenden dat zijn gebeeldhouwde zinnen alles uitlegden en te weinig subtekst bevatten. Datzelfde gold ook voor Jeroen Brouwers, die wij verre van ‘kaal’ vonden schrijven.

Kaal schrijven – daar ging het ons om. Bijvoeglijke naamwoorden waren verboden. Er is zelfs een tijd geweest dat we zinnen met een oordeel erin afwezen, maar daar stapten we snel van af toen we merkten dat Carmiggelt, Elsschot en Nescio bijna in elke zin een oordeel uitspraken. Wat we bedoelden was natuurlijk dat we boeken met een expliciet standpunt afwezen.

Ik heb het al eens vaker geschreven: onze manier van schrijven diende ook een links politiek doel. Door de zinnen zo eenvoudig mogelijk te houden, zouden ook de arbeiders – wij zeiden ‘ambachtslieden’ – ons proza kunnen lezen en zouden wij tegelijkertijd ‘een groter bereik’ hebben. Immers: er waren meer arbeiders dan een intellectuele elite.

Ik ben niet meer zo strikt. Opvattingen over stijl heb ik nog wel, maar daar heeft niemand wat aan. Ik blijf me vasthouden aan de regel: goed schrijven is schrappen, waarbij ikzelf het woord ‘goed’ zou doorstrepen. En een boek is goed als je doorleest, of het nou Heleen van Royen of A.F.Th. is.

Maar ik mis wel de beschouwingen over stijl. Ik mis ook de gesprekken daarover. Iedereen heeft wel zijn mond vol over stijl, maar wat die stijl allemaal betekent of zou kunnen betekenen, is een discussie die wordt ontlopen.

Ik herinner me – ik kan het op de plek waar ik nu zit niet opzoeken – een interessant artikel in De Groene over de stijl van Arnon Grunberg. De schrijver – nogmaals mijn excuus dat ik zijn naam niet weet – vond Grunbergs stijl verschrikkelijk, terwijl ik een liefhebber van zijn boeken, en dus zijn stijl ben. Volgens de auteur in De Groene maakte Grunberg elementaire fouten. Hij herhaalde veel, maakte constant hetzelfde soort zin, en was slordig als het om structuur ging. Was het onzin wat de auteur zei? Nee, het was goed onderbouwd. Het vreemde was dat ik alleen dacht: ‘En toch kunnen al die zogenaamde fouten van Arnon me niets schelen.’ Omgekeerd komt ook voor. Ik vind Tommy Wieringa een erg aardige jongen, maar ik kom niet door zijn laatste boek heen, waarvoor hij nota bene de hoogste lof en de mooiste prijs heeft ontvangen. Ik gun hem die van harte, maar ik snap zijn opvatting over stijl niet. En hiermee zeg ik tegelijkertijd dat ik het oordeel van de jury moeilijk kan navoelen. Ik lees wel dat hij beschikt over een ruim vocabulaire en een zorgvuldige pen, maar het is mij te veel. Wieringa zal ongetwijfeld mijn opvattingen over stijl niet delen en mijn boeken flinterdun, saai en weinig dubbelzinnig vinden. Dat kan bijna niet anders. Daar kunnen we ons beiden, denk ik, in vinden, zonder elkaar het hoofd in te willen slaan. Ik meen alleen dat het jammer is dat over zulke onderwerpen veel te weinig wordt gesproken. Een manier van schrijven is een manier van denken. Een manier van denken bepaalt de positie die je wilt innemen. Wat voor schrijver wil je zijn?