Schrijven in een loopgraaf

Piet & Wim Chielens, De troost van schoonheid. Uitg. Globe, 204 blz., 329,90
Voor iedere meter grond die eind 1917 tijdens de Slag om Passendale op de Duitsers werd veroverd, sneuvelden 35 soldaten. Dit noteerden Chrisje en Kees Brants in hun ‘reisgids naar de Eerste Wereldoorlog’, Velden van weleer, die behalve een gedetailleerde routebeschrijving van de frontlijn een schat van informatie over de Eerste Wereldoorlog biedt.

In de Salient, een halve cirkel van een paar kilometer rond Ieper, is de hele oorlog gevochten. ‘Iedere meter grond in Ieper heeft een eigen verhaal’, zeggen de Brants, en hoewel zij deze gids nergens noemen, lijken de gebroeders Chielens, afkomstig uit de streek, deze uitspraak tot uitgangspunt van hun briefwisseling te hebben genomen. Wim Chielens (1960) maakte eerder radioreportages over de Eerste Wereldoorlog en Piet Chielens (1956) organiseerde 'Vredesconcerten Passendale’. In de brieven die ze elkaar eind 1995, begin 1996 schreven, vertellen ze elkaar over hun lectuur van Engelse dichters die in de jaren 1914-1918 bij Ieper gelegen en geschreven hebben. Ze spreken van 'De literaire Salient’ en terecht, want het heeft er veel van weg dat zowat iedere Britse officier gedichten schreef. Niet verwonderlijk, van sommige colleges meldden zich complete jaargangen voor het front en studenten deden indertijd nog allemaal aan poëzie. Van februari 1916 tot december 1918 verscheen in de loopgraven van de Salient een blaadje, The Wipers Times geheten. De Engelsen spraken Ypres uit als 'Waaipers’ - wisten zij veel, menig soldaat dacht dat hij in Frankrijk gelegerd was. Dat blad stond vol rijmpjes, verhalen en grappen. Ook de Chielens hebben het over het blad, zoals ze het over van alles hebben, maar vooral hebben zij het toch over dichters, zoals Edmund Blunden, Robert Graves, Siegfried Sassoon, Herbert Read, Philip Gosse, John McCrae, Rupert Brooke. Van deze laatste is 1914 & Other Poems, waarvan nog tijdens de oorlog 25 drukken verschenen.
'Waarom wil iemand schrijven in een loopgraaf?’ vragen zich de schrijvers af. Uiteraard om hun persoonlijke gevoelens te luchten, maar ook als, zoals de Chielens het omschrijven, 'een gebaar van menselijke cultuur te midden van de onmenselijke barbarij van het slagveld’. Barbaars en onmenselijk, maar het was wel een door mensen aangerichte verwoesting. 'Since Beauty is the only comfort’, zegt een van de oorlogsdichters, Ivor Gurny, waarnaar de titel De troost van schoonheid verwijst.
Door de vele vertalingen van hele gedichten of fragmenten is het boek meteen ook een bloemlezing, de eerste zover ik weet; De bundel met 'Literaire getuigenissen van de Grote Oorlog’ die Chrisje Brants onlangs publiceerde, Een plasje bloed in het zand, bevat uitsluitend proza. Hoe moet je die gedichten nu lezen? Is het goede poëzie? Of mag je die vraag niet stellen? Ik moet zeggen dat de vertaalde prozafragmenten in de brieven op mij meer indruk maken dan de gedichten, misschien omdat juist de mindere poëzie het zozeer van de emoties moet hebben. 'Als je het verhaal van het bataljon in de modder niet kent, kan je deze gedichten ook niet begrijpen.’ Die opmerking, over een gedicht van Sassoon, geldt voor de meeste poëzie en geeft meteen de literaire beperkingen van oorlogspoëzie aan. Verschillende gedichten zijn als document heel indrukwekkend, zeker als je erbij verteld krijgt in welke omstandigheden ze geschreven zijn en wat er met de dichters gebeurd is, maar zonder die achtergrond verbleken de meeste verzen, tenzij ze iets laten zien wat geen ander heeft waargenomen of het bekende origineel verwoorden. De Chielens merken op dat de gedichten beter werden toen de heroïek uit de eerste oorlogstijd in de modder was gesmoord. Maar de beste gedichten schreven de dichters meestal pas jaren later, zoals Herbert Read, wiens Thirty-Five Poems verscheen toen de volgende oorlog begon.