In memoriam Boudewijn Büch

Schrijven in het tv-tijdperk

Boudewijn Büch creëerde een imposante literaire kathedraal, een proustiaanse kroniek die een hoogtepunt vormt in het literaire fin de siècle van de twintigste eeuw in de Lage Landen. Maar hij was bekend van de televisie.

Voor het eerst in de geschiedenis van de Nederlandse letteren was de dood van een schrijver de opening van het journaal. Het RTL-journaal weliswaar, maar toch. De dood van Boudewijn Büch verdrong zondag zowel de bekentenis van Volkert van der G. en de olie-Apocalyps in Spanje als het grote overwinningscongres van de SP van de beeldbuis. Het vreemde was echter dat er nauwelijks over zijn boeken werd gesproken. RTL beklemtoonde vooral het heengaan van een tv-persoonlijkheid. «Boudewijn Büch genoot de laatste jaren bekendheid vanwege zijn optredens in Barend & Van Dorp», aldus de RTL-nieuwslezeres op gedragen toon. Waarna werd overgeschakeld naar een rouwende Frits Barend, die kwam met het grootste compliment dat een Nederlandse schrijver heden ten dage kan worden gemaakt: «Boudewijn wist hoe je een talkshow moest vullen.»

Archiefopnamen uit Barend & Van Dorp volgden, waarin Büch met handschoenen aan het overlijdensbericht van Goethe, een scherf van een dodo-ei, een door Andy Warhol gesigneerde onderbroek van Mick Jagger en tal van andere pronkstukken uit zijn omvangrijke literaire rariteitenkabinet te voorschijn toverde.

Aan het slot werd zowaar nog even vluchtig gerefereerd aan het werk van Boudewijn Büch, zij het dat men zich exclusief beperkte tot De kleine blonde dood, want die roman was ooit nog eens verfilmd, met in de hoofdrol Anthony Kamerling, die we vervolgens in een korte clip driftig in de weer zagen met damesondergoed in een telefooncel.

Het televisietijdperk kent zo zijn begrenzingen.

De afgelopen zaterdag op 53-jarige leeftijd overleden Boudewijn Büch was een dichter in de getormenteerde traditie van de poète maudit, een romancier die ogenschijnlijk een extreme vorm van bekentenisliteratuur bedreef, maar zich ondertussen als een ware mysticus hulde in symbolen en enigma’s, waardoor feit en fictie opgingen in de blauwe nevel van een andere, literaire werkelijkheid. Hoe meer Büch zijn leven ontrafelde en uitstalde voor het publiek, des te onkenbaarder hij werd.

Dat spel met de werkelijkheid was, daarover liet hij geen misverstand bestaan, geboren uit therapeutische noodzaak, de enige manier om zich te verstaan met een reeks ontzagwekkende trauma’s, van het leven met een tirannieke vader met een kampsyndroom tot het verlies van zijn zoontje van zes. Om die alles overheersende trauma’s te overwinnen, creëerde Büch een imposante literaire kathedraal, vol verwijzingen en tegenspraken, een proustiaanse kroniek die met boeken als Een kleine blonde dood, De hel en Het dolhuis een hoogtepunt vormt in het literaire fin de siècle van de twintigste eeuw in de Lage Landen.

«Büch heeft rond zichzelf een mythe gecreëerd, waarin Wahrheit und Dichtung onontwarbaar vervlochten zijn», schreef Elsevier op 4 mei 1991. «Soms weet hij zelf niet meer waar de grens ligt.» Het blad zelf was ook enigszins de kluts kwijtgeraakt en suggereerde zelfs dat Büch nooit een kind had gehad. Geconfronteerd met de mening van het weekblad hield de schrijver zich op de vlakte. «Je vraagt toch ook niet of Hamlet bestaan heeft? De vraag wat er van mijn boeken waar is en wat verzonnen, vind ik hoogst onliterair. Per definitie is er niets van waar. Daarom staat er ook r-o-m-a-n boven.» Om op andere momenten weer plompverloren te beweren dat alle beschreven gebeurtenissen toch wel degelijk autobiografisch waren. Met die ambiguïteit, die vrees om echt gekend te worden, was de schrijver Boudewijn Büch het exacte tegendeel van de mediapersoonlijkheid die hij óók was.

Het portret van zijn vader in De kleine blonde dood behoort stellig tot de hoogtepunten van de Nederlandse vertelkunst. Niemand die het boek ooit las, kan het beeld van die trieste, ho peloos getraumatiseerde figuur in het Legermuseum van zich afzetten, noch zijn geheime verzameling foto’s van gruwelen in het nazi-concentratiekamp die de kleine «Boudewijn» tot zijn grote ontsteltenis ontdekt. De jodenvervolging ten tijde van de Tweede Wereldoorlog was in Büchs werk eerder decor dan thema. Zij lag als een onbestemde dreiging op de achtergrond van zijn vertellingen, maar was altijd aanwezig. Zijn ouders (vader een vluchteling uit Duitsland, moeder uit Italië) verruilden hun geloof na de oorlog voor het katholicisme, zodat hun zes kinderen niet meer als joods zouden worden beschouwd, maar niet temin bleef bij Boudewijn Maria Ignatius Büch de herinnering aan die andere identiteit hangen. In die zin is ook zijn oeuvre te benoemen als tweede generatie «holocaustliteratuur», het relaas van een van de overlevenden.

Behalve een meedogenloos observator van zijn eigen leven was hij een chroniqueur van de tijdgeest. De jaren vijftig vonden geen naargeestiger geschiedschrijver dan Boudewijn Büch, die ooit nog werd gekozen tot mooiste baby van Zuid-Holland: «De jaren vijftig waren gevuld met dood.» De revolutie begon voor hem met het legendarische ultra-korte optreden van The Rolling Stones in het Kurhaus. Mick Jagger was zijn messias, prediker van de revolutie. In 1967 vestigde Büch zich te Leiden, waar hij terechtkwam in een maoïstische commune genaamd De Bange Duivel en waar hij zich aansloot bij de homobeweging. Later schreef hij over die periode de even hilarische als angstwekkende roman Links (1986).

«Ik ben niet meer dan een voetnoot in de literatuur», zei Büch ooit. Hij zag zichzelf als een knecht van Goethe en Reve, al pleegde hij op de laatste wel literaire vadermoord door de grote volksschrijver zijn nieuwste denkbeelden omtrent volk en vaderland te doen ontvouwen in een interview voor Het Parool. De toenmalige hoofdredacteur Wouter Gortzak was zo geschokt dat hij een dag later publiekelijk afstand nam van de «fascistische denkbeelden» van Gerard Reve. Het was het begin van de ijstijd in de verhouding tussen Büch en zijn grote literaire voorbeeld.

Met de literaire kritiek had Büch een moeizame relatie. «Het recenserende geteisem heeft mij de lier in de wilgen doen hangen», verklaarde hij keer op keer. Het gemor over zijn «onbegrijpelijke» poëzie trok hij zich zo aan dat hij telkens weer afscheid nam van de literatuur. Spottend noemde hij zichzelf «de literaire Heintje Davids».

Kort voor zijn dood voltooide dit ongekend productieve schrijfkanon niettemin toch weer een kloeke roman. Wellicht dat de critici, niet langer gehinderd door de aanwezigheid van de schrijver in de media, nu eindelijk eens inzien hoe goed Boudewijn Büch eigenlijk was.