Amoz Oz

Schrijven in stilte

Amoz Oz, Dezelfde zee. Vertaald uit het Hebreeuws door Hilde Pach. Uitg. Meulenhoff, 203 blz., ƒ39,90

De nieuwe roman van Amos Oz ziet er niet uit als een roman. De eerste indruk is die van een verzameling losse fragmenten, afgewisseld met poëtische schetsen die geen gedichten zijn, teksten op ansichtkaarten uit verre landen, monologen over het dagelijkse leven en de pijn over verlies en rouw. Op sommige pagina’s heeft de schrijver aan een paar regels genoeg, en wordt de lezer alleen gelaten met de witte vlakken van lege bladzijden die hij zelf moet invullen. Zal hij een moment stilstaan of doorlezen? Het maakt niet uit, want ook zonder hem zal het verhaal verdergaan. In de Israelische badplaats Bat Jam woont meneer Danon, een saaie en droefgeestige belastingadviseur, weduwnaar en vader, een rustige man. Zijn vrouw Nadia is aan kanker gestorven, zijn enige zoon Rico beklimt rotswanden in Tibet. De vriendin van zijn zoon, Dita, bezoekt hem af en toe, en komt zelfs een tijdje bij hem in huis wonen. Meneer Danon schaamt zich voor de erotische gevoelens die zij in hem wakker maakt. Dita schrijft scenario’s en werkt ’s avonds in een hotel in Tel Aviv; zij heeft een verhouding met een vriend van Rico, Gigi Ben Gal, een slimme en zakelijke projectontwikkelaar. Meneer Danon heeft een goede vriendin, Bettine, met wie hij ’s avonds op het balkon thee drinkt en olijven met zoute kaas eet. Dita wil een van haar scenario’s slijten aan de louche filmproducent Doebi Dombrov, die iedereen geld probeert af te troggelen. Af en toe komt er een kaart van Rico. Verschillende thema’s verbinden het leven van de personages met elkaar. Het decor waarin zij zich bewegen, van het haveloze en sexy Tel Aviv tot de hoogvlaktes van Tibet en het armoedige havenplaatsje in Sri Lanka waar Rico een verwilderd jongetje adopteert en weer kwijtraakt, wordt door hun aanwezigheid samengebald tot een kleurrijke, caleidoscopische microkosmos. Voor de vogels die over het land vliegen, voor de zee, voor de maan en het licht van de sterren zijn er geen grenzen, en ook niet voor de gedachten die ze dichter bij elkaar brengen, gedragen door de wind, de doorzichtige nevels en de geuren van de stad. Meneer Danon denkt aan zijn overleden vrouw Nadia, maar het beeld van de jonge Dita dringt zich steeds aan hem op. Rico vrijt met de Portugese prostituee Mirjam en hij denkt aan zijn moeder en aan Dita. Dita slaapt met Gigi en kijkt naar een programma over Tibet. Meneer Danon zoekt troost bij Bettine en treurt over het vertrek van Rico. Hoe dan ook, uiteindelijk is iedereen alleen. Naast het web van hun gedachten zijn er meer dingen die de levens van deze mensen aaneensmeden: het bestaan van ouders en grootouders in het vooroorlogse Europa, de politieke gebeurtenissen in Israel, het verstoorde vredesproces, de joodse cultuur die ze gemaakt heeft tot wie ze zijn, oude legendes en bijbelse vertellingen over koning David, psalmen, erotische scènes uit het Hooglied, landschappen met bergen en woestijnen, citroen- en vijgenbomen, schaduwen, vogels, geiten en hagedissen. En in de verte hoor je altijd de zee. Seizoenen wisselen elkaar af, het wordt winter. Het leven gaat langzaam en ononderbroken verder. Het licht is aangenaam, de nachten zijn kalm. In Bat Jam is een nieuw winkelcentrum geopend met een siertuin genoemd naar Jitschak Rabin. Gigi Ben Gal heeft een terrein gekocht waar hij appartementen laat bouwen. De smoezelige Doebi Dombrow maakt voor hem een reclamefilmpje waarvoor het scenario door Dita is geschreven. Rico stuurt een kaart naar huis. Meneer Danon gaat bij Bettine eten. De Griek die hem in contact zou brengen met de geest van zijn dode vrouw is zelf gestorven. De personages zijn slechts passanten die zien, verlangen en weer vertrekken. De heldere maan buigt zich over de duistere zee, en ook de zee is stilte. De bedoeling van de stilte is de stilte. In dezelfde nachtelijke stilte zit een man te schrijven, de verteller. Zijn personages maken herinneringen in hem wakker, aan mensen die kwamen en weer verdwenen alsof ze zelf romanfiguren waren. Aan zijn moeder, die een einde aan haar leven maakte toen hij nog heel jong was. De bergen blijven eeuwig; het leven is dat niet. De verteller vraagt zich af wat hij werkelijk wil. Hij speelt met woorden en schrijft dichterlijke regels, maar net als zijn personages zit hij vastgeklemd tussen schaduwen, tussen mysterie en scherts. De verteller schrijft en kijkt of er iets gaande is in de woestijn, maar er gebeurt nooit wat, elke helling staat op haar plek, de sterren aan de hemel staan vast, hagedissen zien eruit als dinosaurussen in zakformaat. In de woestijn verandert niets, zoals er aan zijn pijn en verdriet niets is veranderd. Rico’s herinneringen zijn zijn herinneringen, Rico’s uitgeschreeuwde verdriet is zijn verdriet. Hoe lang moet hij nog blijven treuren, is vijfenveertig jaar rouwen niet lang genoeg? De Griek is er niet in geslaagd om de geest van Nadia te laten verschijnen, maar in zijn poëtisch-regressieve beschouwingen weet de verteller zijn moeder tot leven te wekken. Hij is weer bij haar, hij hoort haar stem, zij noemt hem Emek, haar koosnaampje voor Amos. Moeder en zoon worden met elkaar herenigd, en hiermee hoeft de schrijver zich niet langer achter de verteller te verschuilen. Uit het doolhof van zijn verwarrende identiteiten als verteller, zogenaamde verteller, verdoezelde auteur, hoofdpersoon en figuranten komt uiteindelijk Amos Oz te voorschijn wanneer de fictie autobiografie wordt en hem dwingt om zijn rol in het verhaal bekend te maken. Oz wordt hiermee bijna lijfelijk aanwezig; hij laat de lezer meekijken hoe de regels uit zijn pen vloeien alsof ze er altijd al waren, niet van hem maar van zichzelf. Hij nodigt hem uit in zijn huis in de woestijn. Alle personages uit het boek zijn daar, en ook de doden en de levenden, zijn vader en zijn moeder, zijn vrouw, zijn kinderen en kleinkinderen, allen bijeengekomen in de euforie van een ochtend die straalt van oranje geluk. Moeders sterven, gevonden kinderen verdwijnen, er is geen terugkeer. Maar niets gaat verloren, want de doden blijven rondom ons als even vluchtige en intens aanwezige romanpersonages die ons proberen te benaderen. De zee zal er altijd zijn, oneindig helder en eeuwig dezelfde, en de maan, die haar spinnenwebachtige lichteffecten over het water laat spiegelen. Rico is eindelijk in Xanadu gearriveerd. De stilte is helder geworden, want de zoon heeft de pijn van zijn moeder begrepen. Zijn eigen pijn is vervlogen, hij heeft beseft dat wat werd opgegeven, echt is opgegeven, en dat wat rest voldoende moet zijn. Wat geweest is, is geweest.