J.M. Coetzee, Langzame man

«Schrijven is bedenken»

J.M. Coetzee
Langzame man
Uit het Engels (Slow Man) vertaald door Peter Bergsma
Cossee, 284 blz., e 19,90

Hoe eenvoudiger Coetzee het zijn le zers maakt, hoe moeilijker het wordt – of zelfs problematischer. Maar wat is «het»? Dit boek, de manoeuvres die Coetzee uitvoert met behulp van de schrijfster door wie hij zich sinds Elizabeth Costello laat vergezellen, of het type literatuur waar hij in verzandt? De ro man van Costello was overzichtelijk. De oudere schrijfster houdt lezingen over onderwerpen als het kwaad, erotiek, realisme en de Afrikaanse roman. Coetzee heeft de naam dat hij als het om meningen gaat nogal terughoudend reageert. Dat betekent niet dat hij zich buiten zijn romans nergens over wil uitspreken, integendeel, hij wil het alleen op zijn manier, op papier liefst, waar hij kan nadenken. In de nieuwe ro man zegt de hoofdpersoon tegen Costello dat schrijven louter een kwes tie van bedenken is. De schrijfster be aamt dat en merkt op dat het evenzeer voor hem geldt, hij met zijn schildpadnatuur – hij die in brieven de brokken probeert te lijmen die hij in praten en doen heeft gemaakt. In dat opzicht mag ook Coetzee zelf met recht een langzame man heten.
De roman Elizabeth Costello kon de indruk wekken dat de secundair reagerende schrijver zijn gedachten over alles en nog wat ventileerde via een collega-hoofdpersoon. Het was bijna pijnlijk om te zien dat de meningen van Costello abu sievelijk voor die van Coetzee werden aangezien en zelfs serieus werden genomen. Ik heb het boek niet anders kunnen lezen dan als demonstratie: willen jullie allemaal zo graag dat ik (Coetzee) in de microfoon voor mijn neus pasklare opinies spui, zie hier wat eruit komt wanneer je de praat kraan openzet. Op z’n minst had de epiloog van de roman een waarschuwingsteken moeten zijn. In een brief aan de filosoof Francis Bacon schrijft Cos tello over haar kwaal, iets besmettelijks, dat ze steeds het één in plaats van het ander zegt, zodat de dingen nooit zijn zoals zij ze uitdrukt. Dat gold met terugwerkende kracht voor alles wat Coetzee haar had laten zeggen.
In de nieuwe roman gebruikt hij de oudere en wijzere schrijfster anders, niet als verstopte spreekbuis maar als aangever, betweter, bemoeial, indringster, stalkster. De hoofdpersoon, een gepensioneerde portretfotograaf, kan door haar toedoen woord voor woord ontdekken wat hem in het leven nog resteert. Dat is directer en eenvoudiger dan de intellectuele verkleedpartij in Elizabeth Costello. Een samenvatting van de eerste twaalf hoofdstukken zou die indruk kunnen versterken, voordat hij in hoofdstuk 13 mevrouw Costello op zijn nek krijgt.
Paul Rayment, een oudere man van begin zestig – in de roman steevast als ouwe lul, wellustige ouwe bok, seniele eenzaat zoniet erger aangeduid; in Disgrace was de vijftigjarige hoofdpersoon ook al een bejaarde –, wordt op een mooie dag aangereden door een jongmens. «Op een mooie dag», «een ongeluk komt nooit alleen», «een geluk bij een ongeluk», «op zijn nek krijgen» – zulke zinswendingen lijken de scharnieren van de roman. Zijn been wordt geamputeerd, boven de knie. Of hij fa milie heeft? Nee (niet meer). Wie zorgt er dan voor een hulpbehoevende man van die leeftijd? Voor verpleegsters in het ziekenhuis en een stoet van dag verpleegsters is een hulpbehoevende patiënt een groot kind: zijn po is een potje en zijn ouweheer weer een piemeltje. Praktisch even erg is de vroe gere vriendin die als seksueel barmhartige Samaritaan wil inspringen of de therapeute die haar pupillen een «nieuw li chaam» aanpraat. Een prothese weigert hij: «Kruk ken zijn tenminste eerlijk.»
Wat moet je met zo’n onderwerp dat thuishoort op de toch al rijk gevulde afdeling levenshulp van de moderne boekhandel? Wat moet Coetzee ermee? Erg geïnspireerd doet het proza niet aan. Je mag aannemen dat het chapiter van de thuiszorg niet meer is dan de opstap voor het eigenlijke verhaal.
Een nieuwe dagverpleegster, de Kroatische Marijana Jokic, brengt soelaas: deskundig, doortastend, discreet, met hart voor haar werk, hartelijk maar ge woon omdat het tot haar werk behoort. Maar hij is niet alleen een been kwijt, ook gevoelsmatig is er een gat geslagen. Hij is kwetsbaar, dus: raakt aan haar gehecht, weet zelf nauwelijks wat zijn gevoelens inhouden en verklaart haar zijn liefde. Dat niet alleen, hij wil co-echtgenoot worden, co-vader van haar kinderen, en begint met het voorstel een duur internaat voor haar zoon te betalen. Hij mist een zoon, constateert hij, een erfgenaam, een betere versie van zichzelf. De man is dus echt overstuur, of hij was dat al en de deprivatie doet nu pas van zich spreken. Je zou haast denken met een psychologische roman van doen te hebben. Dat vindt de verpleegster ook, zij weet niet hoe snel ze weg moet komen, al zal ze hem daarna wel weten te vinden als ze hem ergens voor kan gebruiken.
Als geroepen – maar door wie? – duikt precies op dat moment Elizabeth Costello op, de Australische schrijfster, opeens staat ze voor de deur. Ze schijnt alles te weten, ook over de familie Jokic. Voor een bewaarengel is ze niet engel achtig genoeg, mediamiek is ze wel. Van haar hoort hij dat Marijana in Za dar restaurateur van schilderijen is ge weest, en haar man, die nu fabrieksarbeider is, voordat ze indertijd eerst naar Duitsland en daarna naar Australië gingen, een gevierd technicus. Cos tello trekt bij de man in, voornemens het pand niet meer te verlaten, tenzij met mede nemen van de man. Met zo’n nachtmerrie is wel iets te doen. In de roman IJzertijd (1990) had Coetzee ook al zoiets gedaan toen hij in de tuin van een andere Elizabeth, een aan kanker lijdende vrouw, een zwarte zwerver in haar tuin wortel liet schieten. IJzertijd ging óver de geest van die tijd en vooral de kinderen. Langzame man wordt even min een verhaal. Even lijkt er iets op gang te komen wanneer Costello hem als alternatief voor de Kroatische verpleegster een hunkerende blinde vrouw aan huis bezorgt. De blinde en de lamme – ze doen het, tegen betaling zijnerzijds. De daad wordt in één zin afgewikkeld, op pagina 122, meteen ook de enige wat ingewikkelder zin in het hele boek. Verder bevat de roman vrijwel geen enkele locatie of scène, er wordt ook niets beschreven. Van de stompverzorging is het woord nog het meest beeldend; hij noemt het zelf geen stomp maar le jambon. De geschiedenis van de onhandige ma noeuvres van de langzame man met de diverse leden van de familie Jokic is slap en maakt juist door de «actualiteit» een geleende indruk. Overigens is ook de man zelf als geboren Fransman in Aus tralië een buitenlander, ook hij spreekt een vreemde taal, al is zijn En gels minder gebroken dan dat van het Balkan-echtpaar. Dit gegeven illus treert hoe weinig Coetzee ermee doet: hij benoemt het, maar laat niets zien.
Wat doet de indringster in zijn le ven? Er wordt even gesuggereerd dat Costello hem over de drempel van een parallelle wereld tilt, dezelfde wereld maar met andere personen. Een ideetje, gelukkig noemt Coetzee of Costello het geen parallax. Er gebeurt verder niets mee. Eerst denkt hij dat het doel van de bezoeking is van hem een personage in een van haar boeken te maken. Zo simpel is noch Coetzee noch Costello. Zij ontkent dat door te zeggen dat hij eerder háár overkomt, voor háár een be zoeking, en dat hij bovendien een open boek voor haar is – weer zo’n uitdrukking die letterlijk genomen en dito uitgemolken wordt, net zoals «een ongeluk komt nooit alleen» (been kwijt en Costello rijk), «een geluk bij een ongeluk» (de aanrijding bezorgt hem de aanbiddelijke verpleegster – jawel: «ik aanbid deze vrouw»), enzovoort. In een poging van de verschillende ingrediënten een gerecht te maken maakt Coetzee zowaar gebruik van een oude mulischiaanse truc door «achter de ogenschijnlijke chaos inderdaad een goddelijke logica!» te veronderstellen, oftewel: van het een komt het ander. Als hij in de douche in een gevecht gewikkeld raakt met zijn looprek is dat een aanleiding om Marijana te hulp te roepen, en dat heeft hij te danken aan de jongen die hem van de sokken reed. Andermaal verklaart hij zijn liefde, andermaal krijgt hij de kous op de kop. De gunstigste uitleg is dat hij de vernedering tot op de bodem wil ondergaan. De vraag is natuurlijk of de Costello die alles weet, wat er vóór ge beurd is en wat er gaat gebeuren, hier ook allemaal de hand in heeft. Begint zij haar optreden niet met het citeren van de zinnen waarmee Coetzees boek begint, de beschrijving van het ongeluk? Probeert Costello zijn leven over te nemen? Is zij de verstandigste van de twee: zijn nuchterder ik? Duidt de koppelingsscène op een biologisch-literair experiment?
Onverstoorbaar houdt de schrijver vol dat de binnendringster iemand van vlees en bloed is. Op het laatst biedt Costello hem (Rayment) – na lange ge sprekken over zorg, waar bejaarden meer behoefte aan hebben dan aan liefde – een kameraadschappelijk huwelijk aan. Oude woorden: «U bent voor mij geschapen, Paul, zoals ik voor u geschapen ben.» «Een ondergedoken hart», heeft hij volgens haar, en de vraag is, ook zij gebruikt het verpleegsters-wij: «Hoe krijgen we uw hart uit zijn schuilplaats?» Hij weigert, vindt haar aanbod een onsje te weinig en lijkt ook haar klassieke remedie van de aanvaarding (ermee leren leven) af te wijzen. Of wijst hij alleen de woorden ervoor af?
Laat ik nog één poging wagen ter verklaring van het rollenspel in dit boek. Het geheim zou namelijk wel eens in de woorden kunnen zitten. Ik herinnerde al aan het slot van Elizabeth Costello, een variatie op Een brief (1902) van Hugo van Hofmannsthal, waarin een jonge dichter zich tot zwijgen ge doemd ziet wanneer de dingen hun contouren verliezen en in elkaar overlopen. Costello speelt het klaar de emotioneel gepantserde man woorden in de mond te laten nemen waarvoor hij zich in het vorige leven geschaamd zou hebben. Het is niet altijd even duidelijk of de roman het positief bedoelt dat hij zijn (valse) schaamte overwint of verliest. De «schildpad» zelf is in dit op zicht wantrouwender en dus nuchterder dan de kletskous van professie, de populaire schrijfster. «Nog nooit is hij in het bijzijn van Costello zo dicht in de buurt van een klacht over zijn lot gekomen, en hij wordt er een beetje misselijk van. Ik ben voor niemand wij: hoe speelt ze het klaar om zulke woorden uit hem los te peuteren? Een toespeling hier, een suggestie daar, en hij volgt als een lammetje.»
Toch is Costello niet zomaar de vroedvrouw die hem van zulke grote woorden verlost. Wanneer hij in het begin bij bewustzijn komt drijven er stukjes zin en woorden in zijn bewustzijn. En als je erop gaat letten krijg je het gevoel een waar woordenboek te lezen. Het ene woord na het andere neemt hij in de mond, als een toverbal verandert het van kleur: vaderschap, liefde, zorg, nieuw leven, het overkomt me, het ge beurt, vermoeidheid, open boek, zielsverwant, erkentelijkheid, ge negenheid, kilte, schoonheid en be geerte – ik pik er lukraak enkele op. Bewondering bijvoorbeeld: «En hoe heet het, dit sediment, dit sentiment? Het voelt niet als begeerte. Als hij er een woord voor moest kiezen, zou hij zeggen dat het bewondering was. Kan begeerte ontstaan uit bewondering, of zijn dat twee volstrekt verschillende specimina? Hoe zou het zijn om naast elkaar te liggen, naakt, borst tegen borst, met een vrouw die je in de eerste plaats bewondert?»
Of de man probeert hem tot dusverre vreemde, nieuwe woorden voor halfbewuste emoties, zoals je nieuwe kleren past, of hij zoekt bij (oude) woorden, waaraan hij geloof wil hechten, de bijpassende handelingen en gevoelens. Het kan, waarom zou een roman niet ook een woordenboek zijn? Maar dit is meer een procrustesbed in de vorm van een taaltherapie. Een roman bestaat uit woorden, uit zinnen, natuurlijk, maar een roman is in de eerste plaats een compositie, een constructie, en dit is een praatboek.
Van sommige zinnen krijg ik ge woon kippenvel: «Of misschien is uw zoeken naar liefde wel een dekmantel voor het zoeken naar iets heel anders. Hoeveel liefde heeft ie mand als u nu helemaal nodig, Paul, objectief gesproken? Of iemand als ik? Geen. Helemaal geen. Wij hebben geen liefde nodig, oude mensen als wij. Wat wij nodig hebben is zorg: iemand die af en toe onze hand vasthoudt als we trillerig zijn, die een kopje thee voor ons zet, ons de trap af helpt. Iemand die onze ogen voor ons dichtdoet als het moment daar is. Zorg is geen liefde.» Dat komische «voor ons» in de voorlaatste zin maakt weer veel goed, dat wel.