Toni Morrison over slavernij, genade, liefde en literatuur

‘Schrijven is dansen met een open geest’

Voor Toni Morrison is schrijven in de eerste plaats een uitnodiging aan de lezer, een samenspraak. Ze wil haar verhalen laten klinken vanuit een (zwarte) orale traditie. ‘Blij dat je me niets hebt gevraagd over Obama.’

Medium toni morisson

ZE BLIJFT ZITTEN als ik de aangewezen zijkamer van Hotel Ambassador binnen loop. Ik weet het. Toni Morrison, die in 1993 de Nobelprijs voor literatuur kreeg, is 78 jaar en zit midden in een zwaar Europees lezingen- en interviewprogramma rond haar negende roman A Mercy, die vorig najaar uitkwam. Na Amsterdam is Milaan aan de beurt. Ze verheugt zich vooral op de lange Italiaanse lunches die haar in het vooruitzicht zijn gesteld, bekent ze me aan het slot van ons gesprek. Haar zoon glimlacht. Hij begeleidt haar op haar Europese tournee. Maar als zij aan het woord is hoeft niemand haar te begeleiden. De taal is haar domein.
Als ik na een uur praten afscheid van haar neem, zegt ze: ‘Ik ben zo blij dat je me niets hebt gevraagd over Obama. Een schrijver is geen politicus.’
In de zomer van 1984 al wilde ik Toni Morrison – in 1931 geboren in Lorain, een stadje tussen Toledo en Cleveland – interviewen. Maar ze schreef me dat mijn komst naar Amerika zou samenvallen met haar reis naar China. Vier jaar later, op 7 oktober 1988, was ik writer in residence in Ann Arbor toen Morrison een lezing gaf aan de Universiteit van Michigan. Drie uur lang onderhield ze tweeduizend studenten over de eerste zinnen in haar romans en over Unspeakable Things Unspoken: Afro-American Presence in American Literature, een hartstochtelijk pleidooi voor een herinterpretatie van de Amerikaanse literaire canon waarin de zwarte aanwezigheid niet wordt verdoezeld of verminkt. De stemmen die in haar werk opklinken hebben ritme en muzikaliteit. Jazz en blues, aldus Morrison, waren lange tijd de enige geneeskrachtige kunstvormen voor de zwarten. Daarom wil ze haar verhalen laten klinken vanuit een orale traditie. De choral note in haar negen romans is het schrijnende refrein van de jazzy blues of de bluesy jazz, vermengd met bijbelse beelden en mythologische magie. Haar vertelwijze – opklinkende stemmen uit een gewelddadige chaos die zich stap voor stap tot een betekenisvolle achronologische vertelling ontwikkelen – omschrijft ze al in haar debuut The Bluest Eye (1970): ‘Ieder gezinslid trok zich terug in zijn eigen bewustzijnscel, eenieder maakte voor zichzelf een eigen lappendeken van zijn werkelijkheid – vergaarde stukjes ervaring hier, lapjes kennis daar.’

MS. MORRISON, in 1984 sprak ik Ishmael Reed op de campus van Berkeley. Hij was in een grimmige bui omdat hij net was aangevallen door Alice Walker en feministische academici omdat hij zich verzette tegen de negatieve beeldvorming rond zwarte mannen, die vooral ‘evil’ zouden zijn. Zijn credo luidde: ‘Writing is fighting’.
Ze lacht: ‘Dat was een andere tijd, die gevechten behoren hopelijk tot het verleden. Schrijven is voor mij altijd heel anders geweest, veel meer een uitnodiging aan de lezer, een samenspraak.’
In ‘The Dancing Mind’, een lezing die u in 1996 gaf toen u de National Book Foundation Medal kreeg voor uw bijdrage aan de Amerikaanse literatuur, sprak u over een vredelievende verhouding tussen schrijver en lezer, over ‘de dans van een open geest’.
‘Schrijven stel ik me voor als dansen met een open geest, net als lezen. De schrijversgeest raakt de lezersgeest. De auteur schept ruimte en gelegenheid, zodat de lezer daar in kan stappen en zich op zijn gemak kan gaan voelen in die ruimte en de vragen die opkomen kan beantwoorden. Ik hou er niet van de autoriteit te zijn, het laatste woord te hebben als het gaat om de kern van het verhaal, waar het precies over gaat. Samen met de lezer maak ik het boek, niet in mijn eentje. Aan het slot van mijn roman Jazz, uit 1992, spreekt de verteller de lezer toe: “Als ik het kon, zou ik het zeggen. Zeggen: schep mij en herschep mij. Jij hebt de vrijheid om het te doen en ik heb de vrijheid om het je te laten doen want kijk eens, kijk eens. Kijk eens waar je handen zijn. Nu.” De verteller is het boek zelf, en de lezer houdt de verteller in de hand!’
In het begin van die historische stadsroman, waarin de swingende jaren twintig van de Harlem Renaissance tot leven komen, lijkt de verteller samen te vallen met de stad. Zijn alomtegenwoordige blik lijkt wel de gluurdersblik vanachter duizend ramen. Hij ziet liefde en haat, overspel en jaloezie, discriminatie en destructie.
‘Dat is een heel goede mogelijkheid. Ik ben gek op de stad, net als de verteller. Kijk hier, kijk daar eens! Toen ik Jazz had voltooid, drong het tot me door dat die verteller iets was buiten een man of een vrouw. Die weerspiegelde wat jazz in wezen betekent. De structuur van de roman is op die muzieksoort gebaseerd. Dat wil zeggen, er is een musicus die met een melodie begint: “Sst, die vrouw ken ik, enzovoort.” Waarna anderen op dat verhaal improviseren. De verteller moet luisteren naar die andere jazzmuzikanten, al maakt hij onderweg af en toe een fout, een beoordelingsfout: o, ze doen dít, en ik maar denken dat ze dát zouden doen! Maar hij moet wel doorgaan, zichzelf corrigeren, verder vertellen, om te kunnen overleven, om staande te blijven te midden van die andere geluiden, de stemmen, de solo’s. Die vertellersfouten, zijn verkeerde inschattingen, maken het geheel misschien wel beter. Het verhaal komt op een hoger kennisniveau. Op de laatste bladzijde van Jazz zegt de ik-verteller dat zij, of het, zich roekeloos heeft uitgeleverd aan de lezer en dat ze het fijn vindt om vastgehouden te worden. Het is heerlijk als de lezer haar bladzijden omslaat. Ze mist de ogen als de lezer haar weglegt. Het boek praat graag tegen de lezer, en de lezer antwoordt, dat is de stimulans. Het boek als liefdeslied voor de lezer.’
Cruciaal in ‘Jazz’ – waarin al op de eerste bladzijde een overspelige echtgenoot zijn jonge minnares blijkt te hebben vermoord – zijn de verhalen van de oude en wijze True Belle. Zij geeft aan waar iedereen vandaan komt en waar ze wellicht naartoe willen. Alle levenslopen raken met elkaar verstrengeld, vooral via de zoektocht van een mulat naar zijn zwarte vader. Weerspiegelt die stem van True Belle ervaring, historisch inzicht?
‘O ja, zeker. Die grootmoederstem klinkt op in de Jazz Age, de tijd van F. Scott Fitzgerald en Hemingway. Maar jazz is anders dan blues. Jazz gaat over woede en vrijheid, en over seksualiteit, over de mogelijkheid te kiezen. Country music blijft voor mij hangen in verdriet. In jazz is iemand verlaten of tekortgedaan, maar er overheerst altijd een soort opgetogenheid, een geluksstemming. Jazz swingt, is vitaal, levendig en uiteindelijk optimistisch. Jazz had geen andere titel kunnen krijgen.’

UW LAATSTE ROMAN, ‘Een daad van barmhartigheid’, speelt zich af in 1690 en valt met de deur in huis. Typisch Morrison, in medias res beginnen. Een meisje is op weg naar een onbekende stemming, met een brief. De lezer laat zich meevoeren door de verlangende stem van dat meisje, Florens. Haar moeder, een slavin, heeft haar afgestaan aan Jacob Vaark.
‘Ah, de wees Jacob Vaark, de Hollandse boer en handelaar die werkt voor de Compagnie, getrouwd met de Engelse Rebekka. Hij heeft al eerder een indiaanse gekocht, Messalina. En daar is Sorrow, kapiteinsdochter en als het ware aangespoeld in de Nieuwe Wereld. Wist je trouwens dat er in de zeventiende en achttiende eeuw ontzettend veel schepen als wrakhout zijn aangespoeld op de Oostkust? Jacob Vaark weet zich omringd door vier vrouwen die elk een getroebleerd innerlijk hebben. Ik heb niet bewust gekozen voor een Hollander, maar toen ik research deed voor mijn roman kwam ik zijn naam in een scheepsjournaal tegen. O, dacht ik, wat een mooie, schattige naam!’
Nederlanders zullen misschien de associatie hebben met ‘varken’, ‘pig’.
‘O nee, o nee! Dat was helemaal niet mijn bedoeling. Hij is, op zijn bescheiden wijze, een redder van vrouwen, net als de smid op wie Florens verliefd wordt en die zij verwondt omdat hij haar uiteindelijk afwijst. O god, wat een ongelukkig toeval. Ik heb gewoon gekeken naar al die namen die de immigranten opschreven, naar hun banen. Het ging mij niet zozeer om zijn Hollanderschap. Mij interesseerde meer zijn vroegere straatleven als wees, zijn Oliver Twist-achtige overlevingsdrift, zijn ontwikkeling tot een onafhankelijke burger van de Nieuwe Wereld. Dat idee overheerst nog altijd in Amerika: alleen je weg banen in de maatschappij. We can do it, en we hebben er niemand anders voor nodig. Individualisme en doorzettingsvermogen. Jacob Vaark was veel meer dan een boer, hij werd een avonturier voor wie zijn eigen erf te klein was. Hij blijft een fatsoenlijke, tolerante man voor zijn tijd. Hij is tegen mensenhandel. Alleen Lina koopt hij, omdat hij een hulp in de huishouding nodig heeft. Florens redt hij van een failliete plantagehouder. Maar het verhaal is niet te rationaliseren. Kinderen, ook aangenomen kinderen, heb je niet onder controle.’
Hoe heeft zich het verhaal van ‘Een daad van barmhartigheid’ ontwikkeld? U lijkt me geen schrijfster die al rationaliserend te werk gaat. Welk personage diende zich als eerste aan?
‘Florens. Zij was op weg, als zestienjarige, en ik wist ook nog niet precies waar naartoe. Ze had nog geen brief bij zich, die kwam pas later. Wat ik wel wist was dat ze van woorden hield en naar iemand verlangde. Het schrijverschap sluimerde al in haar. Toen ik haar had geïntroduceerd, zonder de lezer compleet te kunnen informeren, moest ik verhaaltechnisch een stap terug zetten, terug in de tijd. Want waar kwam Florens vandaan? Toen dook Jacob Vaark op. Haar moeder, die het laatste woord heeft in mijn roman, stond haar af aan hem omdat ze zo van haar hield. Je kind, een slavin, weggeven als een vorm van bescherming van dat kind. Zij, als ex-slavin, vertelt haar eigen verhaal, net als de andere vrouwen in de roman, en ontdekt wie zij werkelijk is. Ze wordt iemand anders, zoals alle vrouwen in Een daad van barmhartigheid. De vertellingen van de vrouwen zijn een soort onderzoek naar wat slavernij in de kern inhoudt, en dan bedoel ik níet de voor de hand liggende slavernij. De zwarte hoefsmid is nooit slaaf geweest. Hij is een vrij man. Slavernij is een geestelijke toestand, die zit in je hoofd. Het is psychologisch. De hoefsmid heeft slaven gezien die vrijer waren dan vrije mensen: “De een is een leeuw in de huid van een ezel. De ander is een ezel in de huid van een leeuw.” Loyaliteit, vrijheid en slavernij, dat zijn allemaal grote woorden waarmee mijn personages worstelen. Lina de indiaanse is loyaal, niet omdat haar bazin Rebekka zo geweldig is. Toch worden ze vriendinnen na de dood, door de pokken, van Jacob Vaark. Lina is een van de weinige overlevenden van haar stam en schaamt zich daarvoor. Daarom zal zij haar meesteres nooit in de steek laten. Ze is trouw als een hond die ’s nachts op een matje bij haar bazin slaapt. Sorrow, de aangespoelde en verwarde kapiteinsdochter, verzint als speeltje een tweelingzus, met wie ze praat en die haar tot steun is. Langzaam maar zeker benadert zij, die zwanger wordt, de volwassenheid. Ieder vrouwelijk personage maakt een soort progressie door, die niet per se tot geluk leidt. Het hoofdstuk waarin de zieke Rebekka koortsachtig nadenkt of maalt over haar leven in Engeland, over haar turbulente oversteek naar de Nieuwe Wereld, over de protestantse gemeenschap die haar afwijst, over haar huwelijk, over haar gestorven kinderen en over de vrouwen om zich heen – dát was een feest om te schrijven.’

DE RELIGIE, die in al uw romans zeer duidelijk aanwezig is, heeft vaak een dubbele betekenis: naastenliefde én onverdraagzaamheid, hoop op een beter leven én intolerant bijgeloof.
‘Ja, als Florens in Een daad van barmhartigheid met de brief van de zieke Rebekka op weg is naar de hoefsmid overnacht ze bij een vrouw met een dochtertje dat loenst. De Puriteinse mannenbroeders vinden haar een demon. Maar als zij de zwarte Florens zien en haar de brief afpakken, vermoeden ze in haar een nog grotere demon. Lina had ik aanvankelijk Jezabel genoemd, maar in de toenmalige preken praatte men nauwelijks over Jezabel – in de Openbaringen de verleidster tot hoererij en afgoderij – en veel vaker over Messalina als de meest verdorven vrouw. De gelovigen waren gefascineerd door het zogenaamde in- en inslechte. Bovendien noemde men de duivel toentertijd de Zwarte Mens. Zwart als het duistere, het duivelse. Florens dus. En dat allemaal in 1690, slechts een paar jaar vóór het heksenproces van Salem. De onverdraagzaamheid en de vervolging waren meedogenloos. Zij die Europa waren ontvlucht vanwege de godsdienstonvrijheid kwamen terecht in een wereld waarin het Godsdienstig Gelijk ook terreur uitoefende. Wie dwaalde werd gestraft. De religieuze starheid was net zo’n groot maatschappelijk conflict als de vraag in latere eeuwen: wat doen wij, nieuwe Amerikanen, met de native Americans, de indianen? En dan was er ook nog de Amerikaanse wildernis, niet de woeste natuur – de wouden, de dieren – die nú beschermd moet worden maar de mensen die in de woestenij verdwaalden en door beesten verscheurd werden. Dat loerende gevaar wilde ik in Een daad van barmhartigheid onder de aandacht brengen: echte beren die je verscheuren, niet die lieve tekenfilmfiguur Smoky the Bear.’
Er is ook de wildernis ín het hoofd van Florens. Zij wil, uit bezitsdrang en jaloezie, de man vernietigen die zij liefheeft. Ze is woest en roekeloos en tegelijkertijd verstandig en heel talig, in de kiem een schrijfster. Daarom schrijft ze, tegen het einde van de roman, de wanden en vloeren van Jacob Vaarks derde huis vol met verhalen. Ze weet het zelf want ze zegt: ‘Ik ben een wilde geworden maar ik ben ook Florens. Van top tot teen. Niet vergeven. Niet vergevend. Geen medelijden, mijn lief. Niets daarvan. Hoor je me? Slaaf. Vrij. Ik houd stand.’
‘Ze is in staat, als ze in stille woede terugkeert van haar tocht naar de hoefsmid, brand te stichten. Toch, in plaats van de destructieve kant kiest ze de creatieve kant: het schrijven wordt voor haar een manier van leren: zelfexploratie, weten wat je hebt gedaan en zo ontdekken wie je bent. Haar reis is in de verste verte niet ten einde, die is pas begonnen aan het slot van Een daad van barmhartigheid. Ze is zestien! Haar ego begint zich dan pas te vormen.’
Florens’ moeder zegt dat mannen op de plantage opdracht kregen de vrouwen ‘in te rijden’. Niemand beschermde de vrouwen. ‘Als vrouw op deze plek ben je een open wond die nooit geneest.’ Florens lijkt te ontsnappen aan die ongeneeslijke toestand.
‘Zij is in staat zich uit te drukken, zichzelf met woorden vorm te geven, al gebeurt het maar op de wanden en vloeren van een afgelegen huis. Florens is meer dan het afgewezen, rouwende meisje. Er zit iets slaafs in haar, dat door de hoefsmid rigoureus wordt afgewezen, maar zij stijgt uit boven het slachtofferschap van het help mij! help mij! en geef me alsjeblieft liefde en nog meer liefde!’

LIEFDE. Uw achtste roman heet zelfs zo. De vertelster, die dood blijkt te zijn, heet L. Als meisje al mocht ze als kokkin werken, in dienst van een eigenaardige hoteleigenaar, een man en minnaar die overal en nergens tegelijk is. De vertelster beweert dat de zee haar echtgenoot is. Aan het slot van ‘Liefde’ (2003) verwijst ze naar Corinthiërs 13, in het Nieuwe Testament.
‘Waarin staat dat de liefde lankmoedig, goedertieren en niet praalzuchtig is. En ook dat van geloof, hoop en liefde geldt dat de liefde “het meeste is”.’
Staat die L ook voor Literatuur?
‘Nee, dat denk ik niet. In alternatieve vertalingen van Corinthiërs staat niet het woord liefde maar “mercy”, barmhartigheid. Welke liefde, is de vraag. Seksuele liefde, liefde voor ouders of God, vaderlandsliefde? Het woord heeft vele betekenislagen, net als mercy: vrijgevigheid, generositeit, zegen, vertroosting. De vertelster van Love heeft een soort menu: geef geloof, hoop en liefde een reden om contact met elkaar te onderhouden, dan ontdekken ze misschien hoe waardevol de tong is. Tongen verstommen, staat in Corinthiërs, maar de liefde “vergaat nimmerweer”. En Florens schrijft daarover, in 1690, in een lege kamer van een kaal huis op een boerenerf: “Als jij dit niet leest, leest niemand het.” En die jij is de hoefsmid en de lezer.’

KLIK! zegt mijn opnameapparaatje. Toni Morrison kijkt er even naar en zegt dan: ‘Weet je dat jij tot nu toe de enige gesprekspartner bent geweest die niet over Obama is begonnen? Marvellous! De L van Literatuur!’


Toni Morrison, Een daad van barmhartigheid. Vertaald door Nicolette Hoekmeijer, De Bezige Bij, 222 blz., € 18,90