Schrijven is leven

Nathan Englander of Göran Tunström? De jury - Sander Pleij, Barber van de Pol, Marc Reugebrink en Jacq Vogelaar - was gecharmeerd van enkele, verrassende verhalen van Englander, maar koos toch voor de ‘exactheid’ van Tunström. De andere mededingers van het Groene-boek worden op de pagina hiernaast besproken.

‘WE HEBBEN instrumenten nodig om de weg te kunnen vinden naar wat zich flonkerend beweegt, buiten ons maar ook in ons’, schrijft de verteller van het eerste verhaal uit Göran Tun-ströms Het ware leven aan het begin. Hij vervolgt: 'Zo'n instrument is de taal.’ Sommigen zullen dit wellicht een weinig aantrekkelijk begin vinden, zo'n verteller die al onmiddellijk getuigt van zijn bewustzijn dát hij vertelt en daar nog het nodige aan toevoegt over 'de leugens van het navertellen’ die hij, zo stelt hij, 'tot in het merg van mijn taal’ voelt, en over het feit dat taal ons verleidt maar ook op dwaalwegen voert, met andere woorden de waarheid niet is. Met name dat laatste wil men als lezer niet weten: het genieten van een verhaal is recht evenredig met de mogelijkheden die het verhaal zelf ons biedt om er, het liefst, volledig in te geloven. Zo'n verteller die meteen meedeelt dat hij niet anders kan dan liegen, kan daarbij nogal in de weg staan.
Maar dat laatste dan toch alleen als deze taalkwestie enkel een theorie is die de schrijver via zijn verhaal wil bewijzen, als hij zijn verhaal alleen schrijft om ons lezers ervan te doordringen dat er geen absolute werkelijkheid bestaat en zich blijkbaar voornam ons van onze lichtgelovigheid te verlossen. Zo'n schrijver is Tunström niet. Het bewustzijn van de leugenachtigheid van de taal staat in zijn werk nadrukkelijk in het verlengde van de ervaringen die hij door middel van zijn verhalen probeert te beschrijven. Het besef dat ervaringen zich niet rechtstreeks laten beschrijven, dat een getuigenis de werkelijkheid van bepaalde gebeurtenissen soms meer aan het zicht onttrekt dan een roman of verhaal, dan 'fictie’, maakt dat Tunström toch in de eerste plaats een verleider is. En dat is nu juist iemand die ons op dwaalwegen voert en ons precies daar weet te krijgen waar een rechtstreeks verslag niet kan raken: bij het ware leven. Het gaat er niet om dat alle 'werkelijkheid’ fictie is, maar dat 'fictie’ werkelijkheid genereert, of misschien is het beter te zeggen: evoceert, toont.
IN HET EERSTE verhaal uit deze bundel, Veel dank voor Kowalowski, zie je de verteller deze gang van werkelijkheid naar fictie zelf maken. Hij beschrijft hoe hij van iemand die niemand was - 'een nul’ die zijn werk deed en verder zonder verwachtingen leefde - tot iemand werd door zich in een verhaal te begeven. Getrouw zijn non-persoonlijkheid is hij niet degene die dat verhaal kiest, maar is het het verhaal dat hem kiest. Nadat zijn vrouw hem heeft verlaten, zit hij op een dag in een theehuis waar hij in gesprek raakt met een vrouw. Een gesprek dat vrijwel onmiddellijk wordt onderbroken door een bijna uitgerangeerde acteur. De acteur begroet de ver teller, omdat hij hem voor iemand anders aanziet. Vervolgens steekt hij hem de hand toe met de woorden: 'Veel dank voor Kowalowski!’ 'Op een zeker moment in mijn leven had ik dus op Iemand geleken’, zo constateert de verblufte verteller; en: 'Het was alsof dat ene moment mijn leven wilde stelen - en het deed dat ook.’
Hij gaat 'op jacht naar de naam Kowalowski’ en zoekt het eerst in de wereld van het toneel, totdat hij in de krant leest dat de vrouw met wie hij zo kort sprak een operaregisseuse is en hij in die wereld zijn jacht voortzet. Kowalowski is inmiddels zijn 'as traallichaam’ geworden, de opera zelf de sterrenkijker waarmee hij naar zichzelf speurt. Zo ontdekt hij dat hij sterk wordt beziggehouden door wat hij 'de kapotte muziek’ noemt, dat hij zich op Mozart, Rossini, Schubert en Brahms kon laten meedrijven, maar dat deze kapotte muziek hem verscheurt en verplettert, hem op een spoor zet.
Intussen doet het toeval zijn werk. Zijn belangstelling voor opera maakt dat hij bevriend raakt met een oude dame, Dagmar, en zo met een bus bejaarden te Wenen belandt, waar hij toevallig, bladerend in het telefoonboek, de naam Joseph Ko walowski tegenkomt. Natuurlijk was dat zíjn Kowalowski niet, maar, schrijft hij, 'ik was in een overmoedige bui. Waarom zou ik deze gelegenheid niet aangrijpen? Het is een spel, straks heb ik misschien een mooi verhaal om aan Dagmar te vertellen’. Maar dat verhaal zal zijn werkelijkheid worden.
DE KOWALOWSKI die hij ontmoet blijkt iemand te zijn die door de werkelijkheid zelf hardhandig uit ieder mogelijk verhaal is gegooid en die zich daartegen alleen met krankzinnigheid kan beschermen. Het is de eendimensionale werkelijkheid van 'grafstenen, ruïnes (…), pogroms en dood’, dat wat met geen pen te beschrijven is, maar wat de verteller jaren later - als hij inmiddels met de dochter van Kowalowski is getrouwd - uiteindelijk weer tot een verhaal probeert te maken, een toneelstuk, De reis van Kowalowski geheten. Het toneelstuk maakt hem beroemd; het wordt, op verzoek van de verteller, opgevoerd met in de hoofdrol die bijna uitgerangeerde acteur. Die zegt na de succesvolle première dan ook, en zonder het zelf te weten nogmaals, tegen hem: 'Dank! Veel dank voor Kowalowski.’
'Schrijven is leven geworden’, zo concludeert de verteller zelf. 'Er is geen tegenstelling, om de hoek van ieder woord liggen de waarheden op de loer, evenals de leugens. Achter Josephs woorden wilde ik exactheid bereiken, al was ik, op zoek naar een mogelijk beeld van de samenhang waarvan wij deel uitmaken, vaak gedwongen de weg van de leugens te nemen.’ Kowalowski’s stem 'is de stem van de kapotte muziek’ die hem al eerder op het spoor zette dat zijn aanvankelijke weigering zich in verhalen te begeven lafheid was, en zelfs plichtsverzaking tegenover hen die door de werkelijkheid uit ieder verhaal zijn gegooid. De gedachte dat men 'in werkelijkheid’ niemand is, dat identiteit altijd maar een constructie is (een filosofische 'waarheid’ als men wil), is een grove leugen tegenover diegenen die niemand meer kunnen zijn. Sterker nog: het is zelf een verhaal dat weigert om zichzelf als verhaal te doorzien.
HET WARE LEVEN, de vier verhalen die blijkens een aantekening voorin uit het in 1991 verschenen Det sanna livet onder deze titel zijn samengebracht, is zo beschouwd een pleidooi voor het vertellen zelf, dat aan het leven pas zijn ware karakter geeft, er een verhaal van maakt dat men wel moet geloven om überhaupt te kunnen bestaan. Maar die conclusie kan men pas trekken wanneer men weet dat ieder verhaal over het eigen leven in feite vol leugens zit, vol dwaalwegen, wanneer men exact probeert te zijn.
Dat lijkt me nog de beste karakterisering van deze bundel: hij is exact. De verhalen - over Kowalowski, over het meisje Ariel, over Harry Kupferstick en over de gebroeders Jakov en Isaac - zijn kleine flonkeringen aan een nachtelijke hemel, waargenomen met een sterrenkijker, het objectief van de taal. Die haalt ze dichterbij, maar toont nooit hun 'echte’ werkelijkheid, de naar onze aardse maatstaven gerekend bijna abstracte werkelijkheid van de astrofysica. In die werkelijkheid is voor ons geen plaats meer, noch is zij voor ons van belang. Zoals iemand die zijn schedel opent niet veel wijzer wordt over wat hem innerlijk beweegt.