Schrijven is schreeuwen

De Nederlandse debutant sluipt op sokken de literatuur binnen. Voorzichtige verhalen, vaak over jonge vrouwen met moeilijke ouders. De originele stem moet van de mannen komen.

Was het debuut van Ebele Wybenga echt zo slecht? Zijn roman, Galerie Onvolmaakt, draaide om een twintigjarige ondernemer, Mees Blaeu, die met slinkse plannetjes een slaatje probeert te slaan uit kunstminnend Amsterdam. Hij begint een galerie die kunst aanbiedt die pas na de verkoop voltooid wordt. Gebakken lucht dus. Mees is jong, bevlogen en denkt dat hij met zijn vrienden de wereld aankan, maar komt er uiteindelijk toch achter niet zo zelfstandig te zijn als hij dacht.
Meestal kan een debutant op enige welwillendheid rekenen, maar Wybenga kreeg er van de critici van langs (hij zou oppervlakkig zijn, meer aandacht voor gadgets en merken hebben dan voor karakters), en niet alleen hijzelf, ook zijn uitgeverij De Bezige Bij. Het leek erop dat de voornaamste reden voor publicatie eerder de leeftijd van de auteur was (Wybenga is van 1987) dan zijn literaire talent. De botste bijl werd gehanteerd door Max Pam, die in HP/De Tijd schreef dat Wybenga eerst maar eens behoorlijk moest spuiten & slikken, moest mislukken als kunstenaar en ‘talloze meisjes (en jongens) neuken op een afgetrapte zolder’, voordat hij zich weer met literatuur moest gaan bezighouden. Met andere woorden: meld je over een jaar of tien maar weer.
Arme Ebele. Niet dat de kritiek onterecht was – zijn roman kwam nooit lekker uit de verf – maar waarschijnlijk ving hij ook klappen op die voor anderen waren bedoeld. In alles vertegenwoordigde Wybenga’s roman namelijk de standaardvorm van het Nederlandse debuut. Kan het zijn dat Galerie Onvolmaakt verscheen op een piek van debutantenvermoeidheid bij de critici?
Het Nederlandse debuut lijkt nogal een voorspelbaar product geworden. Voor de Selexyz Debuut Prijs 2008 werden 45 titels ingestuurd: tussen september 2007 en vandaag besprak ik daar in De Groene Amsterdammer ten minste twintig van en de overige zijn op de burelen door mijn handen gegaan. Het is schrikbarend hoeveel de boeken op elkaar lijken, niet alleen in toon en onderwerp; zelfs het omslagontwerp ziet er vaak hetzelfde uit (bij voorkeur een vrouw, liggend, slechts voor een deel afgebeeld, in gedempt licht, of het alternatief: een stil landschap).
Hoe ziet het doorsnee Nederlandse debuut eruit? Allereerst het hoofdpersonage: dit is een jonge vrouw, op drift in de grote stad. Het kan ook een jonge man zijn, maar aangezien het geslacht van de hoofdpersoon nogal eens samenvalt met dat van de schrijver, zijn het vooral vrouwen. De Nederlandse debutant is aanzienlijk vaker een vrouw dan een man.
Deze jonge mensen kampen, zoals het jonge mensen betaamt, met allerhande obstakels. Meestal niet van levensbedreigende aard; veel dominante moeders, overleden vaders en een soort onthecht gevoel met de leefomgeving. Dat geldt voor Robert Vuijsje, Jonathan van het Reve, Janneke van der Horst, Renske van der Greef, Elke Geurts, Laia Fábregas, Jannah Loontjens, Lernert Engelberts, Vera Marynissen, Marleen Schefferlie, Wanda Bommer, Bianca Boer, Bregje Bleeker en Iris Koppe.
Waar de Nederlandse debutant niet over schrijft: oorlog, geweld, de dood. Ook niet over echte vriendschap of alles overstijgende liefde. Soms wordt er tegen politiek engagement aan geschuurd, maar écht engagement wordt het nooit. Erotiek is schaars, en als er al seks is, is die naargeestig en liefdeloos. Dat lijkt typische Grunberg-invloed.
Nog een kenmerk: de Nederlandse debutant is bang. Natuurlijk, faalangst is bijna inherent aan schrijven. Je stelt jezelf bloot om door alles en iedereen afgewezen te worden, van uitgeverijen tot het leesclubje van de buurvrouw. De verkrampende werking van die angst lijkt te bepalen dat de debuten zo voorzichtig aanvoelen. Het zijn boeken over jonge mensen in de stad, geschreven door jonge mensen in de stad. De gedachte dat het verhaal steunt op autobiografisch materiaal is niet ver gezocht.Nu is er niets mis met autobiografische schrijvers – kijk naar A.F.Th. of James Joyce – maar het getuigt niet van veel ambitie. Denk aan Freud: schrijven is ook sublimatie, boven je dagelijkse angsten uitstijgen en iets maken dat eeuwigheidswaarde heeft.
Dat gebrek aan durf is ook zichtbaar in de stijl. Vrijwel zonder uitzondering vermeien de genoemde auteurs zich in korte hakbijlzinnetjes, informatief, soms bijna zakelijk, waar te gewaagde metaforen of stijlfiguren ontbreken. Als er stilistisch al iets geprobeerd wordt, is dat meestal een poging tot imitatie van Arnon Grunberg. Geen van allen zoekt de grenzen van de taal op, de glans die de vloeiende zin bij de lezer kan opleveren.
De vraag is dan: wie zijn de lefgozertjes onder de debutanten? Wie durft wel op de eeuwigheid te mikken?
Laat ik eerst stellen dat de genoemde auteurs niet allemaal weggewuifd hoeven te worden. De zwerftocht die Rosiri maakte in de gelijknamige roman van Iris Koppe was zeer geestig in zijn alledaagse hopeloosheid; de onbeholpenheid van de hoofdpersoon in De boot en het meisje van Jonathan van het Reve had haar charme. Veruit het origineelst was Laia Fábregas, die met Het meisje met de negen vingers een roman schreef over de ontoereikendheid van de fantasie, over twee zussen die hun jeugdherinneringen evalueren. De zoektocht van de zussen wordt afgewisseld met hoofdstukken waarin de vertelpersoon steeds op gruwelijke wijze een vinger kwijtraakt. Daarmee is Fábregas meteen de enige genoemde debutant die durft af te wijken van de realistische paden waar haar collega-debutanten zo veilig op blijven.
Maar wanneer het om lefgozertjes gaat blinkt er vooral één groep uit: de mannen. Zijn vrouwen te veel met zichzelf bezig? Hebben mannen meer ambitie? Ik houd het even bij de constatering. Waar de vrouwen romans schrijven waar vrijwel zonder uitzondering een autobiografische geur omheen hangt, nemen de mannen meer afstand van zichzelf.
Dat kan goed én fout aflopen. Robert Vuijsje probeerde met Alleen maar nette mensen de Grote Multiculturele Samenleving Roman te schrijven, maar bleef steken in goeie intenties. Paladijnen in de sneeuw van Jo Willems was een Rushdie-achtig fantasieverhaal, dat met verve geschreven was maar qua verhaal niet uit de eerste versnelling loskwam. De road novel Fake van Viktor Frölke was bedoeld als een combinatie van Kerouac en Grunberg (altijd weer Grunberg), maar werd geen van beide. Monografie van de mond, van Willem Jardin, was een ambitieus epos over oorlog en broederschap, maar werd nauwelijks door de media opgepikt. Maar soms gaat het goed, en dat levert meteen debuten op die bijblijven. Wat dat betreft staken de romans van Ricus van de Coevering, Maarten Schinkel en Bert Natter het verst boven het maaiveld uit.
Het mulischiaanse Drie van Maarten Schinkel gaat over drie mannen, een junk, een rockster en een journalist, die zonder dat ze het doorhebben via kosmische snaren in hetzelfde mysterieuze instituut belanden. Schinkel gooit met metafysische theorieën over lekkende zwaartekracht, maar schrijft het schijnbaar achteloos aan elkaar vast. Natuurlijk, ook dit boek heeft zijn manco’s, vooral qua karakterverdieping, maar de ambitie van de schrijver schreeuwt van elke bladzijde af.
Sneeuweieren van Ricus van de Coevering is minder expliciet; het duurt een tijdje voordat het verhaal over een boerenechtpaar en hun problematische adoptiekind op gang komt, maar juist in die berusting van Sneeuweieren schuilt Van de Coeverings talent. Hij durft de lezer te laten wachten op de ontknoping, en als die eenmaal komt levert de implosie van het boerengezin meteen één van de meest benauwende scènes van het afgelopen jaar op.
Het debuut van Bert Natter, het enthousiast geschreven Begeerte heeft ons aangeraakt, komt misschien nog het dichtst bij de totaalroman. Klavecimbelrestaurateur Lucas Hunthgburth belandt in een Oost-Gronings gehucht om de erfenis van een excentrieke familie te taxeren. Hij wordt verliefd op de dochter des huizes, wordt gedwongen het verlies van zijn beste vriend te verwerken en terwijl hij dit doet valt hij van de ene hilarische scène in de andere. Natter maakt de begeerte uit de titel waar, hier is iemand die wel over erotiek durft te schrijven, en dat nog goed doet ook.
Het is niet zo dat Natter, Van de Coevering en Schinkel in recensies per se met complimenten werden overladen. Aan alle drie de boeken mankeerde het een of ander. Dat geeft niet. Je bent debutant, en bij eerste keren hoeft niet alles goed te gaan. Maar wat aanstekelijk werkt is dat je als lezer het idee hebt dat hier een schrijver aan het werk is, iemand die iets te melden heeft, iemand van wie je denkt dat hij nog eens een boek kan schrijven. Waar Ebele en zijn klasgenoten op sokken de literaire wereld binnentraden, nemen de heren het woord. Schrijven is schreeuwen, toch?