Jacob Soll en de geschiedenis

Schrijven met de boeken van anderen

Jacob Soll
Publishing The Prince: History, Reading, and the Birth of Political Criticism

University of Michigan Press, 202 blz.

Historici hebben een probleem. Om duidelijk te maken wat er in het verleden is gebeurd, welke belangrijke ont wikke lingen er zijn geweest, moe ten ze dat verleden opdelen in periodes en voorzien van labels waarmee essentiële ontwikkelingen kunnen worden aangeduid. Vandaar dat er nog altijd gebruik wordt gemaakt van begrippen als Middeleeuwen, Re naissance, Verlichting, Industriële Re vo lutie, Im perialisme enzovoort. Hier mee wordt het verleden overzichtelijker en is het pu bliek in staat zelf enige orde aan te brengen in de chaos die we «de ge schiedenis» noemen.

Het probleem met de opdeling in deze tijdvakken is echter dat de meeste aandacht uitgaat naar relatief snelle en fundamentele veranderingen en veel minder naar continuïteit. Een bekend voorbeeld is het scherpe onderscheid dat lange tijd werd gemaakt tussen de door de christelijke godsdienst gedomineerde Middeleeuwen en de humanistische Renaissance, waarin volgens Jacob Burckhardt de moderne mens ontwaakte. Onderzoek van me diëvisten bracht echter aan het licht dat zich al tussen ongeveer 1050 en 1250 enkele ingrijpende culturele en intellectuele veranderingen hadden voltrokken – zoals het ontstaan van academische disciplines, een andere opstelling ten op zichte van de Oudheid, en veranderingen in het juridische en politieke denken – die in feite de basis legden voor de latere Renaissance. De oude tegenstelling bleek dus problematisch, en min of meer uit nood is sindsdien door sommige historici het begrip «Renaissance van de twaalfde eeuw» ingevoerd. Dit komt de overzichtelijkheid echter niet ten goede.

Na de Middeleeuwen wordt het allemaal nog gecompliceerder. Wel ke grenzen moeten er worden getrokken tussen enerzijds de Re naissance en anderzijds de Verlichting? Ging het eerste tijdvak min of meer geleidelijk over in het tweede of was er sprake van een duidelijke breuk? In The Enlightenment & the Intellectual Foundations of Mo dern Culture (Yale University Press, 2004) verwijt Louis Dupré Burckhardt dat hij de Renaissance heeft beschouwd als het eerste stadium van de Verlichting. Tijdens de Re naissance kwam weliswaar één ka rakteristiek element van de moderne cultuur naar voren, de scheppende rol van het individu, maar pas met de Verlichting zou de menselijke geest worden gezien als de enige oorsprong van waarden en zingeving.

Ook Jonathan Israel, in zijn in middels beroemde Radical Enlightenment, ziet de Verlichting als een veel radicalere breuk met het verleden dan de Renaissance of de Reformatie. Dat waren slechts wijzigingen en aanpassingen binnen een geografisch afgebakende samenleving die nog steeds was gebaseerd op hiërarchie en kerkelijk gezag, terwijl begrippen als gelijkheid en universaliteit pas met de Verlichting hun intrede deden.

De Verlichting wordt door deze en veel andere historici primair gezien als het product van het rationalisme en de wetenschappelijke revolutie van de zeventiende eeuw. De humanisten van de Renaissance baseerden zich vooral op teksten uit de Oudheid. Het citaat van een klassieke auteur had bij hen de kracht van een argument, terwijl rationalisten als Descartes en Spinoza zochten naar een «wetenschappelijke» bewijsvoering. Voor de grote achttiende-eeuwse propagandist en popularisator van de Verlichting, Voltaire, was Newton de grootste held.

Toch roept een dergelijk onderscheid tussen Renaissance en Verlichting vragen op. De Verlichting wordt altijd gezien als het tijdperk van de kritiek, waarin gezag werd getoetst op legitimiteit. Humanistische geleerden als Lorenzo Valla en Desiderius Erasmus waren echter niet minder kritisch. Met het fileermes van de filologie gingen zij allerlei traditionele opvattingen en theologische constructies te lijf. Was hier dan geen sprake van een zekere continuïteit? Was deze vorm van kritiek zo radicaal anders dan die van de Verlichters uit de zeventiende en achttiende eeuw?

Antwoorden op dergelijke vragen worden vaak geformuleerd in dikke, groots opgezette werken die een overzicht willen geven van de intellectuele ontwikkelingen in een bepaalde periode. Soms werpen be scheiden detailstudies echter meer licht op dit soort kwesties dan om vangrijke syntheses. Een voorbeeld hiervan is het boek Pu blishing The Prince van Jacob Soll.

Op het eerste gezicht lijkt het onderwerp van Publishing The Prince nogal futiel. Centraal in het boek staat namelijk de onbekende Abraham-Nicolas Amelot de la Houssaye (1634-1706), die na een kortstondige carrière als ambassadesecretaris in Lissabon (hij werd ontslagen omdat hij belangrijke documenten had gestolen) de kost verdiende als corrector en vertaler annex redacteur van klassieke teksten. Hij ge noot in zijn tijd vooral bekendheid als de man die succesvolle edities van werken van Tacitus, Machiavelli en Baltasar Gracian bezorgde. Die vertalingen bestonden steevast uit een korte passage uit de oorspronkelijke tekst, de Franse vertaling en grotendeels uit andere passages van de zelfde auteur bestaand commentaar, terwijl in de kantlijnen talloze historische noten en citaten van andere au teurs stonden. Die vertalingen voldoen niet aan de hedendaagse standaarden en de commentaren lijken hoogst antiquarisch. Kortom, voor een kleine groep boekhistorici wellicht interessant materiaal, maar geen on derwerp dat buiten die kring veel aandacht verdient.

Soll weet echter aannemelijk te ma ken dat het de moeite loont om dergelijke verouderde tekstedities te be stu deren, omdat ze iets zeggen over de wijze waarop ideeën werden verspreid, terwijl ze ondertussen niet zelden ook nog van karakter veranderden. Historici die bijvoorbeeld de invloed van Tacitus op de politieke theorie van de zeventiende eeuw bestuderen zijn vaak geneigd een moderne, wetenschappelijke editie van deze Romeinse historicus te raadplegen. Volgens Soll lijken ze hiermee op toeristen die tijdens een excursie in de bus blijven zitten en niet in aanraking komen met de minder comfortabele rea liteit van de bezienswaardigheden die ze bezoeken. Wat wij tegenwoordig onder «hoge cultuur» verstaan werd vroeger vaak minder verheven behandeld en de wijze waarop dergelijke ge dachten werden overgedragen was veel gecompliceerder dan wij vermoeden. Soll laat zien dat de ogenschijnlijk zo oninteressante Amelot de la Houssaye een belangrijke schakel vormde tussen het klassieke humanisme en de kritiek van de Verlichting.

Amelot werkte tijdens de regering van Lodewijk XIV, dus tijdens de hoogtijdagen van het absolutisme. Uiter aard was het toen vrijwel onmogelijk om kritische opvattingen over politiek te pu bliceren, laat staan dat men republikeinse ideeën kon propageren. In 1676 publiceerde Amelot een zelf ge schreven boek, een tweedelige Histoire du gouvernement de Venise, waarna hij een half jaar in de gevangenis doorbracht. Hij had namelijk laten zien hoe in Venetië de mechanismen van de macht werkten en hoe die ervoor hadden gezorgd dat de stadstaat steeds verder in verval raakte. Omdat hij ook de territoriale ambities van de Venetianen aan de kaak had gesteld, kon zijn historisch betoog ge makkelijk worden geïnterpreteerd als verhulde kritiek op de expansionistische politiek van de Zonnekoning. Aangezien hij er niet veel voor voelde een martelaar voor zijn ideeën te worden, besloot Amelot een andere, uit de humanistische traditie afkomstige strategie te volgen. Voortaan zou hij schrijven met de boeken van andere, dode auteurs.

In 1683 verscheen in Amsterdam, bij de erven Elzevier, zijn Tibère: Discours politiques sur Tacitus, een vertaling van en commentaar op het zesde boek van Tacitus’ Annalen. Om zijn opvattingen over politiek te ventileren maakte Amelot dus gebruik van de algemeen aanvaarde traditie van het tacitisme. Sinds Machiavelli, die sterk door Tacitus was geïnspireerd, werd er anders tegen macht aangekeken. Het idee van de van God gegeven macht werd vervangen door het concept van de raison d’état. De vorst was niet langer de, met door de Heilige Geest ingevlogen olie, gezalfde vertegenwoordiger van God, maar iemand die het belang van de staat behartigde. De doorslaggevende waar de werd de virtu, de prudentie, oftewel de combinatie van wijsheid, omzichtigheid en krachtdadigheid waarmee de vorst leiding gaf aan de staat. Deze ontwikkeling in het politieke denken viel grofweg samen met het verschuiven van de literaire aandacht voor Cicero, de moralistische verdediger van de republikeinse vrijheden, naar de realist Tacitus.

Om de macht te legitimeren en de juiste wijze van handelen te definiëren, werd in toenemende mate naar het verleden gekeken. De ideeënhistoricus Quentin Skinner heeft deze ontwikkeling samengevat als: «de geschiedenis werd een ideologie». Tacitisten als Jean Bodin en Justus Lipsius analyseerden de werking van de politiek aan de hand van klassieke teksten, en tegelijkertijd begonnen naar absolute macht strevende monarchen zo veel mogelijk ar chieven en documenten te verwerven. Aan de hand van oude verdrags teksten, wetten en privileges kon men immers zien hoe de macht werkte.

Deze ideologie van de raison d’état, die soms ten onrechte ook wel wordt aangeduid als «machiavellisme», was echter alleen bedoeld voor heersers, niet voor het geletterde publiek. Door zijn op archiefstukken gebaseerde ge schiedenis van het Venetiaanse stadsbestuur en zijn becommentarieerde ver talingen van verscheidene boeken van Tacitus, Machiavelli’s Il Principe en het Handorakel en de kunst van de voorzichtigheid van de Spaanse jezuïet Baltasar Gracian, stelde Amelot middels zijn commentaren en annotaties de technieken van de raison d’état ter beschikking van het publiek, dat hierdoor beter voor zijn eigen belangen kon opkomen.

Amelots werkwijze oefende grote in vloed uit op Pierre Bayle, die met zijn Dictionnaire Historique et Critique (1697) door velen wordt gezien als een van de aartsvaders van de Verlichting. Waar veel historici echter altijd mee worstelden, was het feit dat de kritische Bayle zo veel aandacht besteedde aan auteurs die met de Verlichting niets te maken leken te hebben en die niet zelden golden als propagandisten van het absolutisme en de traditionele godsdienst. Maar Bayle werkte op dezelfde wijze als Amelot en was net zo subversief. Beiden leverden hun individuele lezers munitie om gaten te schieten in de bolwerken van de wereldlijke en kerkelijke macht. Door gebruik te maken van ou de, door de humanisten uit de Renaissance ontwikkelde technieken en de absolutistische ideologie van het tacitisme om te vormen tot een gezagsondermijnende theorie droegen zij bij aan de vorming van een modern, kritisch lezerspubliek en de totstandkoming van wat veel Verlichtingshistorici in navolging van Habermas «publieke sfeer» zijn gaan noemen. Op deze wijze illustreren ze tevens dat er wel degelijk sprake was van een zekere continuïteit tussen de Renaissance en de Verlichting.