Een vis in een fles raki: Literatuur en drank in verschillende culturen

Schrijven met de wijnkaraf

Remke Kruk en Sjef Houppermans (red.)

Een vis in een fles raki: Literatuur en drank in verschillende culturen

Rozenberg Publishers, 269 blz.

Zijn strenge gelaatstrekken met de priemende ogen boven de zware baard staan nog scherp in het geheugen van veel van zijn tijdgenoten gegrift. Ayatollah Khomeini was de man die de Islamitische Republiek van Iran in het leven riep, de onplooibare fundamentalist die een doodvonnis uitvaardigde tegen een in heel de westerse wereld vermaarde schrijver. Dat deze zelfde man gedichten heeft geschreven waarin het drinken van wijn wordt verheerlijkt, klinkt ongelooflijk, maar is niettemin een feit. Het gaat bovendien om gedichten over drinkgelagen in het wijnhuis in het vrolijke gezelschap van jonge mannen met door de drank verhitte gezichten, drinkgelagen waarbij ogenschijnlijk de spot wordt gedreven met de heiligste religieuze plichten. Moet men aannemen dat zich achter het masker van compromisloze godsvrucht een stiekeme drinkebroer verschool?

Geen wonder dat Khomeini’s poëzie ook bij zijn landgenoten tot verbijsterde reacties heeft geleid. Ultraconservatieve aanhangers van de ayatollah beschouwden zijn lofzangen op de wijn en de alcoholische roes als blasfemisch en weigerden te geloven dat deze poëzie werkelijk uit de pen van hun religieuze leidsman was gevloeid. Maar wat voor westerse begrippen misschien nog verwonderlijker is: bij de meerderheid van Khomeini’s aanhangers, vrome moslims dus, zijn deze gedichten blijkbaar niet op bezwaren gestuit. De verzamelde gedichten van de ayatollah zijn al tientallen malen herdrukt.

De verklaring moet worden gezocht in de eeuwenoude tradities van de Perzische poëzie. Khomeini’s gedichten hebben vaak de vorm van het klassieke (middeleeuwse) Perzische liefdes gedicht, de ghazal. In de vroegste fasen van de Perzische poëzie waren dit typische producten van een hofcultuur: profane gedichten, vaak met een homo-erotische inslag, en een thematiek waarin de door de wijn teweeggebrachte extase een belangrijke rol speelt. Binnen de islamitische mystiek, die in de twaalfde eeuw in allerlei schakeringen een grote vlucht begon te nemen, tekende zich ook een anarchistische stroming af. Deze werd gedragen door rondzwervende mystici, de zogenaamde qalandars, die hun wereldverzaking verhulden onder afwijkend gedrag. Zij verschenen naakt of gehuld in lompen in het openbaar, schoren zich kaal en droegen piercings. Tegendraads en provocerend was ook de poëzie waarin zij hun mystieke idealen onder woorden brachten. Vorm en thematiek van hun gedichten ontleenden zij aan de profane poëzie, waarbij zij doelbewust gebruik maakten van de spanning tussen de profane oppervlaktestructuur en de onderliggende spirituele betekenislaag. In de verte is dit procédé verwant met de poëtica van een westerse dichteres als Hadewijch, wier mystieke gedichten op wereldlijke hoofse liefdespoëzie geënt zijn. Als er in de poëzie van de qalandars sprake was van een wijnschenker die telkens opnieuw de drinkbekers van de feest genoten vult, begrepen de ingewijden dat met deze wijnschenker overdrachtelijk een mystieke leraar bedoeld was, die zijn leerlingen voorgaat op het pad van de spirituele liefde, de mystieke eenwording met God.

Khomeini’s poëzie sluit naadloos bij deze traditie aan. Door gebruik te maken van deze conventionele, dubbelzinnige beeldentaal profileert hij zich als mysticus, erfgenaam van eeuwenoud islamitisch cultuurgoed. Ook in zijn poëzie is de wijnroes een schibbolet voor de mystieke extase. Hierbij heeft misschien ook een rol gespeeld de traditie dat in het verleden de heersers over het Perzische rijk, net als veel Turkse sultans uit later tijd, zich ook als dichters hebben gemanifesteerd. Opmerkelijk is dat deze versleutelde, en dus relatief moeilijke, poëzie blijkbaar toch weerklank heeft gevonden bij een aanzienlijk deel van Khomeini’s aanhangers. Hierbij moet worden bedacht dat poëzie in brede lagen van de Iraanse bevolking in hoog aanzien staat. «Gewone» Iraniërs kennen vaak honderden verzen van de Perzische klassieken uit het hoofd.

Op de achtergronden van Khomeini’s wijngedichten heeft de Leidse iranist Asghar Seyed-Gohrab onlangs de aandacht gevestigd. Het bovenstaande heb ik grotendeels ontleend aan zijn artikel in een bundel essays over «Literatuur en drank in verschillende culturen», onder de titel Een vis in een fles raki. Elk van de vijftien essays in het boek exploreert steekproefsgewijs de rol die alcoholica spelen in het oeuvre van een bepaalde auteur of in een literair genre. De besproken drinkers, dronkaards en drankzuchtigen bewegen zich met onvaste tred op een tijdschaal die zich uitstrekt van «Bier, Wein und Gesang» in het oude Mesopotamië, via Homeros en Horatius, Montaigne, Petitus, Hennebo, Zola en Joyce, tot Blondin, Boudewijn Büch en Herman Brusselmans in onze eigen tijd. Vier van de essays hebben betrekking op de wereld van de islam, de religie die haar belijders het genot van alcoholische dranken verbiedt, maar standvastige geheel onthouders een hiernamaals vol overvloedig wijngenot in het vooruitzicht stelt . De arabist Arnoud Vrolijk presenteert een middeleeuws verhaal in rijmend proza waarin vijftig Egyptische moslims aan de zwier gaan. De turcologe Petra de Bruijn wijdt een beschouwing aan leven en werk van de Turkse drankminnende dichter Orhan Veli (1914-1950), aan wiens regel «Ach was ik maar een vis in een fles raki» de titel van de bundel ontleend is. Met een variant op de zegswijze «Zo dronken als een Maleier» betitelt E.P. Wieringa, hoogleraar Indonesisch in Keulen, zijn bijdrage met het opschrift «Zo dronken als een Hollander». Hierin laat hij onder meer zien dat in de Maleise literatuur tijdens de koloniale periode sterke drank traditioneel werd geassocieerd met de blanke overheerser, die steevast als een gewelddadige zatlap werd afgeschilderd. Het is een gemis dat de Chinese cultuur in deze veelzijdige verzameling essays buiten beschouwing is gebleven. Wat zou er niet een prachtig stuk over Li Tai Po en de drank te schrijven zijn!

De «liaisons dangereuses» tussen drank en literatuur worden in deze bundel bij lange na niet uitputtend behandeld. Maar de diversiteit van de besproken aspecten is groot genoeg om de lezer te verleiden tot bespiegelingen over het verschijnsel dat de alcohol en zijn effecten in zo veel en zo verschillende culturen dichters en prozaschrijvers gefascineerd heeft en blijft fascineren. Een kwatrijn van een grotere Perzische dichter, Omar Khayyam, in de vertaling van J.H. Leopold, vat de onafzienbare vervlechtingen van het thema kernachtig samen:

Daarom, laat af van hoop en wanhoop, kom

waar vrouwen lachen en waar om en om

de wijnkan rondgaat, drink voordat uw stof

wordt omgearbeid tot een andre kom.