Annie Ernaux thuis in Cergy, Parijs. 2019 © Ed Alcock / Guardian / ANP

Het is Frankrijk, dus alles gebeurt er met net meer smaak, venijn en elitarisme: toen Annie Ernaux haar autobiografische roman Passion simple (Alleen maar hartstocht) uitbracht, kwam die haar op de bijnaam Madame Ovary te staan. En nee: destijds was het geen pluspunt als je met je eierstokken schreef. Ook later bleef de ontvangst van Ernaux venijnig. Bij verschijning van haar veertiende boek Les années (De jaren) werden haar predicaten als impudique (schaamteloos) en indecent (onfatsoenlijk) toegeslingerd.

Maar sindsdien is er wat veranderd. Vanaf 2018 verscheen bij de hippe Britse uitgeverij Fitzcarraldo Editions de ene na de andere Ernaux in het Engels en werd ze wereldwijd icoon van de politieke autobiografische literatuur. Meerdere collega-auteurs hebben inmiddels toegegeven een foto van Ernaux boven hun bureau te hebben hangen. Onder haar toeziend oog durven ze schijt te hebben aan het cliché dat persoonlijk schrijven feminien is en oninteressant. De jonge Franse sterauteur Édouard Louis beschreef de eerste keer dat hij een boek van Ernaux las als een explosie: dat er literatuur bestond waarin hij, een arbeiderszoon, zijn eigen zorgen herkende, had hij niet voor mogelijk gehouden.

Ernaux wordt niet alleen geroemd maar ook nagevolgd. Édouard Louis bouwt in zijn werk onverbloemd voort op dat van Ernaux. Ook hij schrijft autobiografisch, met name over de in de literatuur van oudsher genegeerde problematiek van de arbeidersklasse. Zijn gewoonte om arbeiderstaal in zijn werk schuingedrukt weer te geven, is direct overgenomen van Ernaux.

Samen met Didier Eribon vormen Ernaux en Louis een literair driemanschap. Eribons Retour à Reims, waarin hij beschrijft hoe hij terugreist naar het arbeidersmilieu van zijn jeugd, verscheen vlak na Ernaux’ Les années bij Fitzcarraldo in het Engels. De drie vormen een echte, ouderwetse beweging, die de discussie aanzwengelt, de literaire agenda bepaalt, het literair establishment aanvalt. Hun eerste statement verscheen in 2013 onder redactie van Louis: een verzameling essays over de Franse socioloog Pierre Bourdieu – zijn werk over klassenverschillen vormt voor alle drie een inspiratie.

Toch vertoont het autobiografische project waaraan Ernaux inmiddels bijna een halve eeuw werkt subtiele verschillen met dat van haar bondgenoten, met name met dat van Louis. Dat zijn Instagram vol staat met selfies met Zadie Smith en andere grootheden, terwijl Ernaux zich liefst verre van de literaire scene houdt, was al bekend. Het doel dat Édouard Louis voor ogen heeft als hij schrijft, is geen geheim. In 2018 toonde hij in een tot de nok gevuld Paradiso op een groot scherm beelden van alledaagse verschrikkingen en geweld waarmee een groot deel van de mensheid te maken heeft. Deze verschrikkingen, benadrukte hij, vormen vandaag de dag de harde werkelijkheid. Van oudsher is de literatuur geneigd zulke verschrikkingen te verzwijgen, verbloemen of verfraaien. Zelf wil hij ze, in navolging van wat Jean-Paul Sartre in de vorige eeuw in zijn romans claimde te doen, ontsluieren. Of beter nog: zijn werk moet lezers confronteren met het menselijk leed als gevolg van ongelijkheid.

Ernaux ontleedt, via haar eigen ervaringen, hele sociale weefsels; traceert zelfs veranderingen in die weefsels door de tijd heen

Wat hij schrijft is geen fictie, zo stelt hij, maar realiteit. De manier waarop hij schrijft is op Ernaux geïnspireerd. Ernaux definieert haar stijl met een term van de Franse denker Roland Barthes als écriture blanche of écriture plate: een stijl die recht door zee wil zijn, zonder krullendraaierij. In Frankrijk, waar lyriek na de jaren tachtig van de negentiende eeuw niet totaal naar de achtergrond verdween, geldt zo’n spartaanse stijl als gewaagd.

In de kritiek die Louis kreeg op zijn werk schuilt wel net het verschil. Zijn debuut, Weg met Eddy Bellegueule, waarin hij zijn jeugd als homoseksuele jongen in het Noord-Franse arbeidersmilieu beschrijft, werd door een aantal critici aangemerkt als prolofoob; arbeidersonvriendelijk. Ook Ernaux sprak zich kritisch uit: het boek zou zo zijn geschreven dat je als lezer de kant kiest van de bourgeoisie, omdat het vertelperspectief te subjectief zou zijn. Wat Ernaux hiermee precies bedoelt, vormt misschien wel de kern van haar eigen aanpak.

Édouard Louis ontstijgt in zijn beschrijvingen het subjectieve niet © Benjamin Malapris / New York Times / ANP

Negatief gedefinieerd houdt subjectiviteit een onvermogen in om je eigen perspectief te ontstijgen. Louis’ boek verhaalt over de nare, vaak gewelddadige situaties waarmee hij te maken kreeg in zijn geboortedorp, waar masculien gedrag de norm was en een gebrek daaraan werd vergolden. Die situaties worden allemaal vanuit Louis’ optiek verteld. Logisch misschien, maar aan de perspectieven van de pestkoppen, seksisten en dronkenlappen die hem het leven zuur maken, biedt het boek weinig ruimte.

Zelf doet Ernaux dit anders. Ondanks dat ze niet de hele tijd seksisten en pestkoppen aan het woord laat in haar werk, vormt verplaatsing in andere perspectieven er wel de kern van. Steeds meer zelfs; in haar vroege werk is van verplaatsing nog niet zo opzichtig sprake. Haar allereerste boek, Les armoires vides (Lege kasten) uit 1974, beslaat de boze stroom herinneringen van een minimaal gefictionaliseerde hoofdpersoon die een illegale abortus ondergaat. (Ernaux schreef het boek in het geheim. Om met rust te worden gelaten, had ze tegen haar echtgenoot gezegd dat ze aan een proefschrift werkte. Toen hij achter de waarheid kwam, was hij not amused: als ze een hele roman achter zijn rug om kon schrijven, zou ze ook zomaar kunnen vreemdgaan.)

Hoewel haar eerste boek vanuit haar eigen perspectief was geschreven, was de drijfveer erachter wel degelijk verplaatsing. Op de universiteit had Ernaux zich als armeluisdochter vreselijk misplaatst gevoeld en continu geschaamd. Totdat ze Pierre Bourdieu las, de socioloog die onder meer blootlegde hoe onderwijssystemen systematisch arbeiderskinderen weren. Ernaux realiseerde zich dat haar schaamte niet typisch was voor haar alleen; alle kinderen zoals zij voelden zich zo, als gevolg van de manier waarop het onderwijs was opgezet. Haar eerste boek is deels geschreven vanuit dat sociologische en dus niet louter subjectieve bewustzijn: terwijl de hoofdpersoon wacht tot de vrucht in haar binnenste is afgedreven, rekent ze in gedachten genadeloos af met onder meer de bourgeoisie, die onrechtvaardige systemen in stand houdt.

Ruim een kwart eeuw na haar debuut schreef Ernaux in L’événement (Het voorval) weer over het thema; tijd waarin niet alleen Ernaux zelf is veranderd, maar de wereld ook. Juist dát stelde Ernaux zich met L’événement tot doel: zich verplaatsen in de manier waarop er destijds over abortus werd gedacht en gesproken, om te achterhalen waarom haar ervaring zo risicovol en eenzaam was. Vandaar ook het gebruik van oude agenda’s en dagboeken. In Mémoire de fille (Meisjesherinneringen) doet ze iets vergelijkbaars, door zich te verplaatsen in haar achttienjarige zelf dat nog geen idee heeft van wederzijdse instemming. Ernaux schreef het boek meer dan een halve eeuw na de gebeurtenissen, op de drempel van het #MeToo-tijdperk. In die specifieke halve eeuw heeft het denken en praten over nare seksuele ervaringen nogal een vlucht genomen: de gebeurtenis die haar destijds ‘een halve hoer’ maakte, maakt haar nu een slachtoffer van seksueel geweld.

Hoe je in te leven in je gedachten en ervaringen van toen, die niet alleen al lang verleden tijd zijn, maar ook nog eens in een onvoorstelbaar andere context tot stand kwamen? Ernaux heeft er haar methodes voor. Zo heeft ze het vaak over haar vroegere zelf, over ‘het meisje dat mij is geweest’, in de derde persoon. Op die manier laat ze zien hoe verplaatsing geen kwestie is van vereenzelviging – zelfs niet met je vroegere ik. Omdat de heersende denkbeelden en manieren van spreken destijds anders waren dan die van nu, keek ze namelijk anders naar zichzelf, was ze anders.

Door deze vormen van verplaatsing leren we uit Ernaux’ autobiografische werk niet alleen over de meisjes en vrouwen die Ernaux geweest is, maar ook over de tijd waarin ze die versies van zichzelf was, hoe men toen dacht in haar omgeving, in haar sociale klasse; hoe dat haar vormde. Deze uitwaartse beweging maakt ze misschien nog wel het nadrukkelijkst in Les années, waarin ze afwisselend in- en uitzoomt. Ernaux tekent er haar persoonlijke en veel minder persoonlijke ervaringen in op vanaf de jaren zeventig tot in de 21ste eeuw, en schetst zo een almaar evoluerend tijdsbeeld.

Ernaux’ werkwijze is dusdanig uniek dat de literatuurwetenschap er nieuwe genrebenamingen voor heeft moeten uitvinden zoals ‘autosociografie’ en ‘collectieve autobiografie’. Termen die aangeven dat wat ze schrijft autobiografisch is, zonder dat het subjectief kan worden genoemd. De werkelijkheid weergeven – de universele, tijdloze of vanuit een buitenstaanderspositie beschreven werkelijkheid – doet Ernaux’ werk niet. Het legt juist bloot hoe ervaringen, gevoelens, zelfbeelden, alles ontstaat in relatie tot de heersende ideeën en manieren van spreken op specifieke plekken, in specifieke tijden, in specifieke sociaal-economische omstandigheden. Ernaux ontleedt, via haar eigen ervaringen, hele sociale weefsels; traceert zelfs de veranderingen in die weefsels door de tijd heen. Ze schrijft, zegt men weleens, met een scalpel.

Édouard Louis’ nieuwste boek, Combats et métamorphoses d’une femme, gaat over zijn relatie met zijn moeder, in wier belevingswereld hij zich verplaatste. Ernaux heeft hem daarvoor de instrumenten aangereikt. Als schrijver is Ernaux bereid haar hele hebben en houden op tafel te leggen om ons het sociaal-economische en genderspecifieke lief en leed in de wereld te doen begrijpen. Kennelijk is dat wat je bereikt als je met je eierstokken schrijft.