Uitgesproken op papier

Schrijven met je hart

Sinds Poëzie in Carré, de Nacht van de Poëzie, Poetry International en Saint Amour, en evenementen als poetry slams, is de dichter in het Nederlandse taalgebied niet meer van het podium weg te denken. Overgewaaid uit de Engelstalige wereld is ook het fenomeen spoken word inmiddels zeer geliefd.

Spoken word kent geen wedstrijdelement zoals de poetry slam, die in Nederland klinkende namen opleverde als Erik Jan Harmens, Ellen Deckwitz en Martijn Teerlinck, en meer recent Ozan Aydogan en Asha Karami. In het informatieve en bevlogen voorwoord van samensteller Babs Gons dat voorafgaat aan Hardop, waarin ze een selectie presenteert van ervaren en nieuwe spoken word-dichters, lees ik: ‘Spoken word is de kunst om de woorden van het papier te halen en ze tot leven te brengen. Spoken word is bam, in your face. Direct, verstaanbaar, gericht op het publiek, op de toehoorders. Spoken word gaat verder dan traditionele voordrachtspoëzie in die zin dat het vaak een ware show betreft, waar niet alleen tekst, maar ook ritme, tempo, mimiek, bewegingen, intonatie en de interactie met het publiek een rol in spelen.’

De tekst is slechts een klein deel van het geheel. Waar de poëzie uit de gemiddelde dichtbundel het prima kan stellen zonder de voordracht van de dichter, daar is dat met spoken word-werk eigenlijk niet goed mogelijk. De persoonlijkheid van de dichter en zijn of haar verbinding met de wereld staan nadrukkelijk centraal. In die zin is spoken word ‘gemeenschapskunst’ die gedijt bij, en tot leven komt door de reacties en de aanwezigheid van een specifiek publiek, op een specifieke plek, op een specifiek moment in de tijd.

Niettemin zijn er enkele constanten te bespeuren, aldus Gons. ‘Toegankelijkheid’ is een belangrijke eigenschap, en ook ‘urgentie’ staat hoog in het vaandel: ‘En zoals ik altijd zeg: wil je weten hoe het gaat met de wereld, leg dan je oor te luisteren op een spoken word-bijeenkomst. Dan weet je wat er leeft.’ Nog een ander aspect is ‘authenticiteit’: ‘Wat wel een voorwaarde is, en misschien is dat wel de enige, is dat je met je hart schrijft, met je hart vertelt.’

Natuurlijk dringt de vraag zich op waarom je teksten zou bundelen die pas tot hun recht komen als ze door de maker worden uitgevoerd. Gons stelt die vraag ook, immers, de lezer ‘moet alle spoken word-dichters op deze pagina’s in levenden lijve zien optreden’. Een deel van het antwoord is praktisch: spoken word-dichters (Gons gebruikt de term ‘artiesten’) krijgen na afloop van een optreden vaak de vraag waar de teksten nog een keer kunnen worden nagelezen. Dit boekwerk wil aan die vraag tegemoet komen. Bovendien is Hardop een mooie staalkaart van een zeer interessant literair en cultureel fenomeen.

Spoken word is ‘gemeenschapskunst’

Achttien namen treden in Hardop voor het voetlicht. Een prima eerste indruk voor oningewijden, al mis ik namen als Derek Otte en Ivan Words. Enkele bekende dichters zijn Akwasi, Dean Bowen (die met zijn debuutbundel Bokman in 2018 werd genomineerd voor de C. Buddingh’-Prijs) en natuurlijk Babs Gons zelf, die spoken word in Nederland onvermoeibaar promoot. Veel spoken word-dichters werken in de culturele sector en zijn presentator, docent, rapper, moderator, acteur, danser, tafelheer, filosoof of stadsdichter. Ze treden overal op, van Oerol tot India. Wat ook opvalt, is de diversiteit die Gons presenteert. Er wordt deels gedicht in het Papiaments, bijvoorbeeld door Jörgen Gario ‘UNOM’ en Juan-Carlos Goilo, of er wordt expliciet gerefereerd aan het koloniale verleden of de culturele of religieuze achtergrond, zoals in Obroni, Obroni’! van Roziena Salihu, waarin de dichter een bezoek brengt aan haar vader en diens familie in Ghana:

Ik vertel ze niet dat ik een vriendje heb
Dat hij niet islamitisch
Maar half Indonesisch is
Ik vertel ze niet dat ik niet weet hoe ik bidden moet
Dat ik niet in dezelfde god geloof
Dat ik die lange broek voor hen draag

Obroni, Obroni’!, dat thematisch enkele gedichten van Mustafa Stitou in herinnering roept, is exemplarisch voor de betere teksten in Hardop, die veelal verhalend en persoonlijk zijn. De vormgeving van Jay Sunsmith sluit daarbij aan. Het boek is prachtig vormgegeven met illustraties die doen denken aan street art en graffiti, en die de tweespalt van dit boek laten zien: bij iedere bio staat weliswaar het hoofd van de dichter in kwestie afgebeeld, maar en profil, en als silhouet. De spoken word-dichter doet ertoe, maar in de context van een boek alleen in zijn of haar afwezigheid.

In haar inleiding noemt Gons dat ze bezoekers van een spoken word-avond na afloop vaak hoort verzuchten dat poëzie dus ‘helemaal niet stoffig’ is. Jammer, die verzuchting. Alsof alle ‘papieren’ poëzie voor spoken word-liefhebbers saai of hoogdrempelig zou zijn. Bovendien bestaat er natuurlijk ook gewoon ‘stoffig’ spoken word-werk, goed uitgevoerd of niet, blijkt ook uit deze selectie. Stoffig in de zin van: cliché, zonder voelbare urgentie, al te ernstig en keurig, zonder ironie of (zelf)spot. Maar zeker de helft van de in Hardop gepresenteerde spoken word-artiesten wil ik graag een keer in levenden lijve aanschouwen en beluisteren.

[…]
Of heb ik recht van spreken
Omdat ik semi-welbespraakt ben
Geen patios, geen bari maak
‘Je Moet Me Niet Schreeuwen’
Niet hard op de radio aan staat
Zal ik je wat vertellen?
Ik draai het heel vaak
Heel hard
Want heel naakt?
Ben ik een aanstichter
Die het gat vol onbegrip wil dichten
Met een naald gemaakt uit liefde
En een draad die ons direct verbindt met de big bang
Een uitspatting.
Iedere oorsprong begraven met mijn navelstreng
Mijn oikos is de kosmos
Sterrenstof is net als slang
Niet eng, het mengt, mengt, mengt
Heb ik al gezegd dat ik slecht geschuimde cappuccino ben?

Uit: Heb ik het recht van spreken van Juan-Carlos Goilo