De publieke intellectueel

Schrijven met open raam

De publieke intellectueel is terug. Maar één intellectueel is geen intellectueel. Twee intellectuelen is een halve intellectueel. Pas bij drie komt een gedachtevorming op gang die de realiteit kan veranderen.

Dit jaar bracht zo’n bizarre opeenvolging van gebeurtenissen, dat ik terechtkwam in een strange loop – ik liep mijn werk uit, mijn leven in, en weer mijn leven uit, mijn werk in. Alsof ik in een tekening van Escher de trap opliep, eindeloos doorklom, en steeds weer op hetzelfde punt belandde.

Het begon ermee dat ik in mijn roman De literaire kring een jurist opvoerde, die ik graag een serieuze opdracht meegaf. Dus besloot ik hem voorzitter te maken van een commissie die onderzoek moest doen naar bipatridie, dubbele paspoorten, dubbel staatsburgerschap. Het leek me wel een onderwerp dat onze aandacht verdiende. Nog maar net was mijn boek uit, of Geert Wilders – had hij het gelezen? – kwam met kritische vragen over bipatridie. Door zijn opgewonden bemoeienis ontplofte de kwestie en de politieke situatie werd uiteindelijk zelfs zo precair dat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid zich met de zaak ging bemoeien. Ze nam een conclusie over bipatridie op in haar rapport over nationale identiteit, maar voordat ze dat rapport uitbracht, vroeg de raad me de concepttekst te lezen en van commentaar te voorzien. En zo boog ik me in volle ernst over een onderwerp dat mijn fantasie een half jaar eerder op de kaart had gezet; je zou kunnen zeggen dat ik mijn eigen romanpersonage was geworden. Toen NRC Handelsblad op zaterdag kwam met de schallende kop dat de wrr geen bezwaren zag tegen dubbele paspoorten en bipatridie, sprak ik ’s middags tijdens een literaire bijeenkomst over mijn roman en de standpunten van mijn juridische personages.

Zo’n strange loop, de vreemde cirkelgang langs verschillende levels – zoals de jeugd van nu zou zeggen – was in de jaren negentig van de vorige eeuw erg geliefd in de literatuur. Maar in die jaren cirkelde men nog wel strikt binnen de grenzen van de tekst zelf: de schrijvers klommen niet omhoog naar de werkelijkheid om via die omweg weer in hun boek terecht te komen. De politiek kabbelde, het geld stroomde, de schrijvers hadden collectief een sabbatical opgenomen en gebruikten die tijd om even uit te rusten en na te denken over de eigen doelen en redenen van bestaan. Paradoxen, spiegeleffecten, echokamers, illusies en de ontregeling van illusies: dat waren de literaire technieken in de hoogtijdagen van het postmodernisme. Technieken van taalkritiek en filosofische reflectie waren het – natuurlijk wist iedereen wel dat je uiteindelijk weer gewoon aan de slag moest en uitspraken moest doen over de dingen van alledag, maar nu was er, in het oog van de storm, gelegenheid voor bezinning op de methoden waarmee je die alledaagse werkelijkheid straks te lijf moest gaan.

In het cultureel tijdschrift Ons Erfdeel beklaagt letterkundige Sofie Gielis zich er nu over dat die tijd voorbij is. Het kan overigens zijn dat ik haar onrecht doe, want ik citeer haar vernietigende oordeel over mijn jongste boek, en ik ben dus niet vanzelfsprekend helemaal objectief. Maar toch, haar visie op de rol van de schrijver is opmerkelijk genoeg en ik wil wel even proberen uit te stijgen boven de persoonlijke emoties. Volgens Gielis is de literatuur namelijk te vergelijken met de wielersport: de schrijvers fietsen om het hardst een parcours dat blijkbaar decennia in beslag neemt. Wie twintig jaar geleden begon met fietsen, heeft de finish nog steeds niet bereikt. Zo was ik volgens Gielis ooit koploper in de beroemde ronde van de ‘grondige experimentele literatuur’, maar helaas ben ik mijn greep kwijt geraakt en het tempo is ook verder danig uit de wedstrijd. ‘De achtervolgers hebben de kopgroep niet ingehaald, de kopgroep is afgezakt naar de staart.’

Het is een vreemde metafoor, die van de wielersport, maar wel een populaire. Onze literaire cultuur werkt gretig met klassementen. Dus is de gedachte populair dat schrijvers ‘op kop’ proberen te komen en dat ze een plaatsje vooraan willen hebben in de Nederlandse letteren; de route ligt daarbij vast. Op de experimentele literatuur heeft deze conservatieve gedachte intussen een uiterst curieus effect. Want wie experimenteel is, moet levenslang hetzelfde experiment uitvoeren, zonder de hoop ooit met de resultaten te kunnen werken. Altijd hetzelfde vreugdeloze rondje rond de kerk, het heeft langzamerhand al heel wat vreugdeloos proza opgeleverd.

De literatuurwetenschap is gebaat bij zo’n overzichtelijke cultuur, maar de buitenwereld werkt niet mee en trekt zich niets aan van wedstrijdjes binnen ‘de Nederlandse letteren’. Het reces is voorbij, de storm raast inmiddels ook over het Westen en de schrijvers en de filosofen moeten hun nieuwe inzichten toepassen op een nieuwe tijd. Er is in korte tijd een volledig nieuwe experimentele situatie ontstaan. Met een experiment probeer je immers uit te zoeken wat werkt, en dat dan volgens een tamelijk pragmatisch criterium: wat werkt is wat werkt. Vijftien jaar geleden probeerde de schrijver met zijn experimenten uit te vinden hoe de taal werkte, nu zijn de deuren en ramen open gewaaid en is het de vraag of het werkt wanneer je als een amateur-Zarathustra de wereld intrekt om op de dorpspleinen met iedereen te gaan praten. Nieuwe situaties wekken nieuwe verwachtingen, nieuwe problemen, nieuwe doelen, een nieuw publiek.

Is de publieke intellectueel daarmee nu terug van weggeweest? Je kunt beter zeggen dat het publiek terug is van weggeweest en dat er ook een nieuwe noodzaak is ontstaan om al schrijvend je verantwoordelijkheid te nemen in het publieke domein. Er zijn natuurlijk tijden die geschikt zijn voor begripsverfijning en het uit je hoofd leren van poëzie, maar er zijn ook tijden waarin je de begrippen en de gedichten uit de diepten van je geheugen omhoog moet halen om er de actualiteit mee te lijf te gaan. Een publieke intellectueel is in feite niet veel anders dan een vertaler; in ieder tijdperk wordt van hem een andere vertaalslag gevraagd, en op dit moment wordt van hem gevraagd de vertaalslag te maken van sociale, ethische, religieuze theorieën naar concrete maatschappelijke, morele, godsdienstige problemen. De literaire schrijvers kunnen meedoen en op de uitnodiging ingaan, zich mengen in het publieke debat, en ze kunnen het ook laten, ze kunnen toverachtige binnenwerelden beschrijven, ze kunnen taalbuitelingen maken, ze kunnen geestig en teder en afstandelijk zijn, ze kunnen zich zelfs zorgen blijven maken over hun plaats binnen de Nederlandse letteren, die pueriele omgeving waarin de verjaardag van een schrijver het hoogtepunt is van het jaar – de keuze staat vrij. Maar het is duidelijk dat veel discussie zich heeft verplaatst van literaire tijdschriften naar kranten, van de academische theorievorming naar politiek en samenleving. Hoe een literaire schrijver nog iets zinnigs kan toevoegen aan die discussies? Kwestie van proberen. Wat werkt is wat werkt.

De invloed van een publieke intellectueel moet intussen niet worden overschat. Eén intellectueel is geen intellectueel, twee intellectuelen is een halve intellectueel, pas bij drie begint een gedachtevorming op gang te komen die de realiteit kan veranderen. De invloed van denken en schrijven moet daarom ook niet worden onderschat: al die ideeën van schrijvers en denkers die op een gegeven moment wortel schieten op verschillende plaatsen in de samenleving, hebben een gevaarlijke potentie. Het is dan ook absoluut noodzakelijk dat de mensen die met hun ideeën invloed proberen uit te oefenen op de werkelijkheid, tegelijk openstaan voor de invloed die de veranderende werkelijkheid zelf weer uitoefent op hun ideeën. Een intellectueel zou ik dan ook liever niet beschrijven als iemand die geëngageerd is met de publieke zaak, maar als iemand die verantwoordelijkheid neemt voor de publieke zaak. Dat is een zwaardere opdracht dan de roep om engagement meestal aan intellectuelen stelt – en dat is goed. Het kan nooit kwaad de opdracht te verzwaren.