Schrijven namens de hond

Van Virginia Woolf wordt beweerd dat ze liever een hond had willen zijn. Ook Elizabeth Barrett en Patricia de Martelaere schreven indringend over het dier – vanuit het dier.

‘Ik ben blij dat ik met dieren werk’, zei bioloog Frans de Waal onlangs in een interview. ‘Die kun je gewoon observeren. We overschatten taal enorm. Alle emoties moeten zo nodig een label krijgen – iemand is happy, sad, angry… maar als je met iemand praat, dan zijn die etiketjes niet van belang.’

Het moet iets met dat tekortschieten van taal te maken hebben dat er altijd wel schrijvers zijn die namens het stomme dier het woord willen voeren. Ik bedoel nu niet iets Partij voor de Dieren-achtigs ‘namens’, maar heb het over schrijvers als Virginia Woolf, Elizabeth Barrett Browning, Patricia de Martelaere, die in hun werk zo dicht mogelijk bij het mysterie van het dier willen komen, misschien in de hoop op een zuiverder versie van zichzelf te stuiten. In ieder geval lijkt het dier een onbelast wezen, niet getekend door de beperkingen van het alfabet zoals zij zelf dat zijn. Met het dierlijke vertelperspectief kan het onzegbare een kans krijgen, en kunnen zaken als geur, emotie en beweging hun volle betekenis krijgen. Mag je hopen.

Van Virginia Woolf wordt beweerd dat ze liever een hond had willen zijn. Het eerste essay dat ze schreef, als kind, was een obituary voor de familiehond. Toen ze tussen twee ingewikkelde schrijfklussen zat, The Waves en The Years, dacht ze zichzelf een soort vakantie te kunnen geven door de biografie van een hond te schrijven. Patricia de Martelaere schreef als dertienjarige weliswaar de biografie van een leeuw, die uiteindelijk zelfmoord pleegt in een dierentuin, maar had van kinds af aan een hond aan haar zijde. Met De staart schreef ze een ultieme hondenroman. Elizabeth Barrett, de beroemde negentiende-eeuwse dichteres van de meest hartstochtelijke liefdeslyriek (How do I love thee? Let me count the ways…) liet zich door haar cocker spaniel Flush opwekken van haar ziekbed, en begeleiden bij haar Italiaanse avonturen met de dichter Robert Browning. In een van de beroemde gedichten die zij aan haar spaniel wijdde, Flush or Faunus, laat ze zich door hem wakker kussen, in verwarring wie of wat het is dat zich opeens zo ‘baardig’ tegen haar aan schurkt.

Eerst schrok ik, als een nimf badend in water

de ruige kop ziet rijzen van een sater,

maar toen het warre visioen zich klaarde

en ik met helder oog mijn Flush ontwaarde

was ik gelouterd, en heb Pan geprezen

om puurste liefde uit een dierlijk wezen.

In de roman Flush beschrijft Virginia Woolf de wording van dit gedicht, als Flush nog niet zo lang zijn intrek heeft genomen in de sombere slaapkamer van zijn bazin. Met verwondering slaat hij haar gade. ‘Zij lag daar maar uren achtereen terwijl haar hand, waarin zij een zwart stokje hield, over een vel wit papier gleed; en soms sprongen haar de tranen in de ogen; maar waarom?’ En dan opeens valt er weer wat te lachen, ze heeft iets getekend, een portret van Flush. Ze houdt het haar hond voor, maar wat moet hij ermee? Hij kan het niet ruiken die tekening, hij kan hem niet horen.

Dat ‘de hond’ bestaat is een troostrijk gegeven in een verraderlijke wereld, waarin moeders zomaar kunnen sterven

Woolf zelf had overigens ook een cocker spaniel, Pinka, als puppy gekregen van haar liefde/vriendin Vita Sackville West. Ze had de liefdesbrieven tussen Elizabeth Barrett en Robert Browning gelezen, en had hardop moeten lachen om de alom aanwezige hond. ‘Ik kon het niet weerstaan hem een leven te geven’, schreef ze in haar dagboek.

In een kenmerkende passage in Flush beschrijft Woolf dat voor de bazin en haar hond ‘het woord’ geen communicatiemiddel vormt. En dat dit voor zowel misverstanden als voor een ‘eigenaardig diep gevoel van een-zijn’ leidt. Na een zware ochtend laat ze Miss Barrett verzuchten: ‘Schrijven, schrijven…’ Of je eigenlijk wel iets kunt verwoorden. Of het woord niet juist vernietigt wat het wil zeggen. De gedachtes maken haar zo verdrietig dat haar tranen op het kussen druppen. Tot er plotseling een harig hoofd tegen haar wordt aangedrukt, en grote glanzende ogen in de hare staren. ‘Was het Flush of was het Pan? Was zij niet meer die ziekelijke vrouw in Wimpole Street, maar een Griekse nimf in een schaduwrijke bosschage in Arcadië? En drukte soms die bebaarde god in eigen persoon zijn lippen op de hare?’

De schrijfster ondergaat een metamorfose: zij is een nimf, en Flush is Pan.

‘De zon brandde en de liefde vlamde. Maar als Flush had kunnen praten – zou hij dan niet iets verstandigs hebben gezegd over de aardappelziekte in Ierland?’

Lichtvoetig, zeker, zoals ook de bedoeling was van het idee om de biografie van een hond te schrijven, maar ondertussen groeide het project natuurlijk toch uit tot een burden, een tour de force. ‘O wat een verspilling – wat een ellende!’ schreef Woolf in haar dagboek. ‘Een regendruppel, meer is het niet.’

Ondertussen houdt de hond er bij haar niet bepaald eenvoudige hondengedachtes op na. En ook de constructie is niet opeens heel veel minder gelaagd dan in haar andere werk. In Flush is er het perspectief van de hond, dat van de verteller, en dat van Woolf. Via de grote glanzende ogen van de hond, zijn alles vermoedende neus, maakt een indringer zijn opwachting, een gestalte die zich had aangediend met zijn brieven. Mister Browning, de dichter met de gele handschoenen, de man die Miss Barrett zal schaken en mee zal tronen naar Italië. ‘Een afschuwelijke vastberadenheid, een verschrikkelijke vrijpostigheid kenmerkte al zijn bewegingen.’

Door middel van Flush kan de schrijfster zich alles veroorloven: venijnige grappen over de liefde tussen man en vrouw, over stands- en klassenverschillen, over beminnen en slippertjes, en over luchtjes, al die luchtjes. ‘De liefde, zo mogen wij wel aannemen, begon langzamerhand haar bekoring te verliezen. Hem bleven de luchtjes.’ De hond is voor de schrijfster een vehikel, een weg naar literaire almacht: ‘Nooit heeft ook maar een van zijn ontelbare gewaarwordingen zich hoeven onderwerpen aan verminking door het woord.’

Iets vergelijkbaars valt te proeven in de hondenroman van Patricia de Martelaere, De staart, iets wat zich beweegt tussen losheid en zwaarte. Het vertelperspectief ligt niet bij de hond, maar bij de twaalfjarige Theo die hartstochtelijk verlangt naar een absoluut verbond. Bij een vriendje vindt hij het niet, hij wil een hond. Zijn moeder weigert hem dat aanvankelijk, want honden gaan dood, en dan heb je verdriet.

Ik weet niet of je De staart een roman moet noemen, het is net zo hard een filosofisch manifest, of een fenomenologie van de hond. De observaties van de afschrikwekkende mensenwereld, door de ogen van de sensibele Theo, worden afgewisseld met talloze feiten en feitjes over het wezen van de hond. Dat er zoiets als ‘de hond’ bestaat, is een troostrijk gegeven in een verraderlijke wereld, waarin moeders zomaar kunnen sterven, en vaders er stiekem een vriendin op nahouden. Theo is overgevoelig en onverzettelijk tegelijkertijd. Als zesjarige wil hij al sterven, en hij is ontgoocheld als hij ’s morgens weer wakker wordt. Hij weigert bij biologie toe te kijken hoe een konijn wordt ontleed. Als hij eindelijk zijn hond krijgt is hij verbaasd dat zijn blijdschap ‘zo onherkenbaar is en zo sterk op verdriet lijkt’.

Dat is natuurlijk ook zoiets: honden hebben niet het eeuwige leven. Het verdriet om hun tijdelijkheid lijkt al besloten te liggen in de intensiteit waarmee je van ze moet houden. ‘Zij was nu langzamerhand oud aan het worden en Flush ook’, schrijft Woolf op de laatste pagina van Flush. Miss Barrett is Mrs Browning geworden. En ze lijkt steeds meer op haar hond – de grote mond, de grote glanzende ogen, de zware pijpekrullen. De een lijkt een afspiegeling van wat sluimert in de ander. ‘Maar zij was een vrouw; hij was een hond.’ Flush! roept ze. Flush! ‘Maar hij lag heel stil.’

‘Als uw oude hond gestorven is, zult u denken: ik wil nooit meer een andere’, schrijft Patricia de Martelaere op de laatste pagina’s van De staart. ‘Geen andere kan voor mij zijn wat deze was.’ Het is de opmaat naar een even hatelijke als troostende waarheid, namelijk dat het vermogen om opnieuw lief te hebben eindeloos is. Wat te doen als je hond, je trouwe kameraad, oud en ziek wordt, en je niet anders kunt dan hem laten inslapen. Nooit meer, denkt Theo.

Een nieuwe hond nemen, citeert de schrijfster de hondenliteratuur. Liefst een jonkie, aandoenlijk en grappig, en op geen enkele manier te vergelijken met het net gestorven beest. De enige manier om er al gauw achter te komen dat ook deze hond weer trouw is, en hartelijk, en vrolijk. Het is zoals het is, ook al verdraagt deze gedachte zich ten enenmale níet met dat alles verzengende dierensentiment. Wij houden niet van een hond, wij houden van de hond.