Schrijven of geschreven worden

Voordat ik vorige week Edward St Aubyn mocht interviewen in het clubhonk van Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam bracht iemand de Anne Frank-première ter sprake.

Het was me wat, zei hij. De koning kwam binnen, en toen gingen we allemaal staan! Waarom moesten we in godsnaam gaan staan voor iemand, alleen omdat hij in een bepaalde familie geboren is? Schandalig! Niet van deze tijd!

St Aubyn wilde er niets van weten: als zijn koningin binnenkomt gaat hij staan, niet voor de mevrouw zelf, maar voor wat zij personifieert, zei hij. De traditie, de geschiedenis, de cultuur van het land waar je burger van bent. Je gaat staan voor jezelf. Het is dat of de guillotine, en als je dat laatste niet aandurft, dan moet je gaan staan, applaudisseren en niet klagen.

Een keurig antwoord, eentje dat je zou verwachten van de aristocraat die hij is. Vijftien minuten later, toen ik hem vroeg waarom satire toch altijd bij uitstek zo’n typisch Brits genre is, antwoordde hij met een opgetrokken wenkbrauw: ‘My god, have you ever been to England?’

Ik denk dat in die tegenstelling de essentie van goede satire zit. Je moet iets bespotten waar je van houdt, of op z’n minst respect voor hebt. Wanneer je de nieuwe roman van Herman Koch leest, lees je alleen maar irritatie over de literaire wereld, dédain, frustratie. Geen warmte. Het maakt van Geachte meneer M geen grappig, maar een naargeestig boek. Wanneer je St Aubyns nieuwe roman over de literaire wereld leest, Met stomheid geslagen (Lost for Words), lees je meteen dat die veel meer van binnenuit geschreven is: de ijdeltuiten tuimelen over de bladzijden heen, ze zijn vreselijk, egomaan, maar ze zijn St Aubyns ijdeltuiten. Hij bespot ze, maar veroordeelt ze niet.

Ook de Patrick Melrose-boeken waarmee St Aubyn wereldwijd doorbrak (vijf romans, tussen 1992 en 2012) hadden hun satirische momenten, maar waren in de kern psychologische romans die de trauma’s van de opgroeiende Patrick onderzochten, van hoe hij als peuter misbruikt werd door zijn vader (in het eerste boek), verslaafd raakte aan drank en drugs, afkickte, tot hoe hij probeerde de slechtste eigenschappen van zijn ouders niet door te geven aan zijn kinderen (het vierde en het vijfde). Met stomheid geslagen mist die kern, het is een lichter boek, waarin St Aubyn zich volledig heeft overgegeven aan zijn funny bone.

De ijdeltuiten tuimelen over de bladzijden heen, ze zijn vreselijk, egomaan, maar ze zijn St Aubyns ijdeltuiten

Centraal staat de nieuw opgerichte (fictieve) Elysian Prize, vernoemd naar de sponsor, een dubieuze chemiegigant. De literaire wereld raakt oververhit: de auteurs die vinden dat ze de prijs moeten krijgen (maar dat niet doen, of nog erger, niet eens genomineerd worden), de uitgevers die verkeerde manuscripten insturen, de topambtenaren en kwakkelende acteurs die zitting nemen in de jury om hun eigen standing op te krikken, en natuurlijk de oude tante van de maharadja, wier Het paleiskookboek per ongeluk was ingestuurd en door iedereen meteen als een hoogwaardige, intellectuele, post-moderne debuutroman wordt opgevat. Terwijl ze zelf toch echt bij hoog en laag volhoudt dat ze gewoon wat recepten met wat verhaaltjes over haar voorvaderen had opgeschreven, om ze niet te vergeten. Wanneer ze weer eens haar handen in de lucht gooit en zegt dat de mensen niet moeten denken dat ze iets literairs heeft geschreven, wordt de bejaarde tante vlug de pas afgesneden door Didier, een bevriende Franse intellectueel: ‘Zelfs hier, in de Arnold Bennett-suite, kunnen we er niet aan voorbijgaan dat Roland Barthes De dood van de auteur heeft geschreven!’

Het is een stortvloed van dit soort incidenten, aangevuld door ronduit hilarische pastiches van de boeken van de schrijvende personages, zoals de thriller Het enigma-mysterie, of de historische roman De wereld is een schouwtoneel, geschreven vanuit het perspectief van Shakespeare. En wat leuk, hij blijft maar tegen bekende mensen aan lopen, merkt een jurylid vrolijk op, ‘Het was alsof je een Hello! van heel lang geleden doorbladerde.’

Je doet St Aubyn te kort als je zegt dat Met stomheid geslagen alleen maar satirisch is: hij weet zijn ruime cast van personages steeds te typeren met een acuut menselijk inzicht. De manier waarop een literair redacteur, Alan, weer opkrabbelt na achtereenvolgens gedumpt te zijn door zijn minnares, zijn vrouw en zijn uitgeverij, toont St Aubyns mensenkennis: hij bedacht ‘dat hij geen enkele aandacht meer aan zijn uiterlijk had besteed sinds de dag dat hij Katherines appartement had verlaten. Hij kleedde zich niet alleen aan om aan het werk te gaan; hij bood voor het eerst haar afwijzing het hoofd. Het enige wat hij hoefde te doen was een scherpe scheiding aanbrengen tussen hoe Katherine tegen hem aankeek en hoe hij tegen zichzelf aankeek. Misschien kwam een depressie altijd neer op het innemen van een vijandig standpunt dat, hoe vertrouwd het ook leek, in wezen vreemd was. We zijn niet op aarde om onszelf te verafschuwen, dacht Alan.’

En we zijn ook niet op aarde om elkaar te verafschuwen, lees je tussen de regels door. Hoe ijdel en hopeloos St Aubyns literati ook zijn, ze zijn buitengewoon vermakelijk gezelschap.


Edward St Aubyn - Met stomheid geslagen. Prometheus, 248 blz., € 19,95. Uit het Engels vertaald door Nicolette Hoekmeijer.

Beeld: Edward St Aubyn heeft zich volledig overgegeven aan zijn funny bone (Timothy Allen).