School

Schrijven op school?

Multatuli schreef het al: ‘Ik leg mij toe op ’t schrijven van levend hollandsch. Maar ik heb schoolgegaan.’ Honderdvijftig jaar later is het nog steeds waar. Vanaf de brugklas wordt het schrijven systematisch tegengewerkt.

‘DEZE WEEK, geachte V6-leerlingen of pre-academici, besteden we aan het schrijven van een lange beschouwing, pakweg tweeduizend woorden, over de jeugd van tegenwoordig, die, zoals altijd al het geval is geweest –the same old story – niet deugt. Dat thema wijkt sterk af van het onderwerp waarover jullie vorige week mochten schrijven: China als opkomende wereldmacht.’
Was het maar waar. Helaas, een bovenbouwdocent Nederlands zal zo’n zin in zijn eindexamenklas nooit uitspreken, want schrijven op de langere baan is geen systematische bezigheid op de middelbare school. Het schrijven, dat wil zeggen het componeren van een gedachten- en meningenbouwwerk, is al jaren geleden gereduceerd tot een incident. Schrijfvaardigheid vanaf de brugklas bestaat grotendeels uit losse zinnen die de twaalfjarigen moeten ontleden of herformuleren. Zelf schrijven? Hoogstens een beknopt verslag van een schoolreisje of een botanische excursie. Echt schrijfonderwijs – de lange adem – is welhaast non-existent in de onderbouw.
‘Hoe schrijf je een inleiding, meneer?’
‘Tja, dat kan op zeshonderd manieren, Klara. Je kunt beginnen met iets wat je zelf hebt meegemaakt. Je mag ook beginnen met een brutale bewering, die je daarna systematisch, speels, humorvol en relativerend onderbouwt.’
‘Kunt u de schrijfregels – hoe het moet – kort op het bord schrijven?’
‘Dat wil ik wel, maar die regels zijn zeer algemeen. Liever geef ik je een voorbeeld.’
‘Maar hoe moeten we dan leren schrijven?’
‘Oefenen, oefenen en nog eens oefenen.’
‘Hoe dan?’ Lichte vertwijfeling in Klara’s blik.
‘Improviseren, nabootsen, de krant lezen.’
‘U schrijft toch zelf ook? Dan moet u het kunnen uitleggen. Wilt u ons niet helpen?’
‘Jawel, maar ik wil niet duizend voorschriften geven. Wie zich niet vrij voelt om te schrijven durft amper een pen op het papier te zetten.’
Aan het lesboek hebben de leerlingen niet veel. Goed, er staat dan wel in dat elke tekst een inleiding, een middenstuk en een slot heeft en dat je met zogenaamde signaalwoorden je tekst kunt structureren, maar dat zijn zulke vage algemeenheden dat een doorsnee leerling daar niet mee opschiet. Natuurlijk geef ik mijn leerlingen uiteindelijk wel een paar aanwijzingen (heel schools: elk nieuw argument verdient een nieuwe alinea) zodat ze enig houvast hebben. Ook zeg ik dat ze het passivum moeten vermijden en het activum moeten koesteren (concreet: omzeil het woord ‘worden’). Bovendien, benadruk ik, fungeert een aantrekkelijke titel als een mooi dak op het huis dat tekst heet. En ten slotte zeg ik dat ze op hun woordkeus, stijl en toon dienen te letten.
Zuchtend en kreunend buigen mijn leerlingen zich over het maagdelijke lijntjespapier. Ik weet het, schrijven is moeilijk.
Toen James Joyce les kreeg van de jezuïeten, eind negentiende eeuw, moest hij elke week een kort essay schrijven: over een katholieke heilige, over het Ierse gezin, over honger, over literatuur. De beste opstellen van de Ierse scholieren kregen een prijs. Uiteraard werd de jonge Joyce regelmatig gelauwerd, ook nationaal. Het competitieve element stimuleerde zijn schrijfdrang.
Is die prijzenswaardige traditie er ooit geweest op de Hollandse scholen? Misschien dat vroeger een bevlogen docent Nederlands op een gymnasium of hbs zijn pupillen stimuleerde om regelmatig meeslepende betogen of beschouwingen te schrijven. Het eindexamenopstel over een opgegeven thema bleef vooral een verplicht nummer en was geen natuurlijk uitvloeisel van jarenlang oefenen in schrijfvaardigheid. Multatuli schreef het al: ‘Ik leg mij toe op ’t schrijven van levend hollandsch. Maar ik heb schoolgegaan.’ Honderdvijftig jaar later is het nog steeds waar. Vanaf de brugklas wordt het schrijven, veelal onbewust, systematisch tegengewerkt en de moedertaal verknipt tot truttige en saaie zinnen zonder enige samenhang: werkwoordspelling, grammatica, correct formuleren. Zonder dat ze het beseffen ondermijnen leraren Nederlands de gretige schrijfhouding die eersteklassers nog hebben. In plaats van de schrijfdrift te stimuleren heffen ze het wijsvingertje en klagen over de beroerde spelling en het klunzige formuleren. Laat die schoolfrikkerige houding eens varen! Schrijven is heel wat anders dan correcte zinnetjes aan elkaar breien. En wie in de vijfde of zesde klas ineens een betoog moet schrijven of, wat erger is, een zogenaamd profielwerkstuk van wel twintig bladzijden, zit vaak met de handen in het haar. Waar begin ik? Hoe beperk ik mij? Paniek, ook bij de begeleiders, die zelf al geen jaren een stuk van enige omvang hebben geschreven. Bovendien laten docenten van andere vakken geen kans onbenut om hun beklag te doen bij docenten Nederlands over de taalvaardigheid (ze bedoelen steevast: spelling) van de jeugd van tegenwoordig (dat hun eigen spelling vaak te wensen overlaat is iets wat ik al lang niet meer aankaart).
Op onze bollenstreekschool heeft een werkgroepje een lovenswaardig initiatief genomen om vanaf de eerste klas het schrijfonderwijs systematischer aan te pakken. Die uiterst bescheiden proef begint in de brugklas en heet Informatie Vaardigheden, zo gespeld als ik het nu schrijf. Voor de klas komt waarschijnlijk geen docent Nederlands te staan. Wat Informatie Vaardigheden zijn weet ik niet goed. Ik weet wel wat schrijfvaardigheid betekent. Wat ik van de werkgroep heb begrepen is dat tijdens de proeflessen de nadruk komt te liggen op het vergaren van informatie (via Google uiteraard) die geschikt is voor een zorgvuldig gekozen schrijfonderwerp. Of het schrijven zelf ook uitgebreid aan bod komt is niet duidelijk. Er blijft een levensgroot probleem bestaan: hoe moet een docent schrijfles geven als hij zelf zelden of nooit schrijft? Een van de zwakten in het middelbaar onderwijs is dat te veel docenten Nederlands zelf niet kunnen schrijven, en het misschien ook niet meer willen.
Arnon Grunberg is na vier gymnasium van school gegaan. Zeer verstandig. Het schrijven van ‘levend hollandsch’ leer je niet meer op school maar elders.