Palestijnse auteurs

Schrijven zonder kleerscheuren

Hoe beïnvloedt de situatie in het Midden-Oosten het werk van Palestijnse auteurs?

Ahdaf Soueif zocht er enkele op.

Als ik Liana Badr eindelijk mobiel te pakken krijg, zit ze in haar auto in het centrum van Ramallah, niet in staat bij haar kantoor te komen of naar huis te gaan. Ze klinkt wanhopig: «Ze vallen de stad binnen. Bezetten de oevers. De kinderen gooien met stenen en naar het schijnt is er één dode gevallen…»

«Inderdaad beïnvloedt de bezetting mijn schrijven», antwoordt ze later op mijn vraag: «Ik kan niet lang achtereen werken. Het is alsof concentratie overgaat in claustrofobie. Je wordt beheerst door de situatie. Je hebt er op dezelfde manier last van als van koorts; het is er altijd. Het is heel moeilijk je op één ding te concentreren. Ik werk aan verschillende projecten tegelijkertijd.»

Toen ik Badr voor het eerst ontmoette, tien jaar geleden, was ik onder de indruk van haar energie, haar productie, haar uiterlijk, haar keuze voor optimisme. Toen ik haar afgelopen jaar sprak had ze donkere wallen onder haar ogen, leken haar woorden opgejaagd en was haar energie nogal broos.

Badr is geboren in Jeruzalem en groeide op in Ariha (Jericho). In 1967 vluchtte ze met haar ouders naar Amman, maar de gebeurtenissen van Zwarte September 1970 deden hen uitwijken naar Beiroet. Daar werden ze in 1982 tijdens de Israëlische invasie verdreven. Daarna woonde Badr in Damascus en Tunis om in 1994, na de akkoorden van Oslo, terug te keren naar Palestina.

«Een schrijver voelt de be hoefte elke keer de wereld weer helemaal vanaf het begin te scheppen», zegt ze, «en die behoefte wordt sterker als je je eigen wereld voor je ogen ziet verdwijnen.» Terwijl ze van stad naar stad trok publiceerde ze vier romans, drie novellen en drie verhalenbundels. Momenteel is het schrijven zeker een uitdaging. «De gegevens zijn heel lelijk. Ik ben tegenwoordig vooral geobsedeerd door de emoties van iemand die onder deze omstandigheden menselijk probeert te blijven. Het is een grote uitdaging om, onder omstandigheden zo afzichtelijk als deze, toch iets van schoonheid te maken.»

Dat is de uitdaging waarvoor elke Palestijnse schrijver zich gesteld ziet. Adania Shibli trekt zich terug in «een vorm van autisme». Shibli is op het ogenblik de meest besproken jonge schrijver op de West Bank. Ze ziet er tenger en wild uit. Ze komt uit al-Jalil (Galilea). Naar eigen zeggen kon ze niet leven in de «volslagen consumptiemaatschappij» van een Israëlische stad. Samen met jonge kunstenaars werkt ze voor een Palestijnse culturele stichting.

We ontmoeten elkaar op een vrijdag. Ik loop door de lichte vertrekken en be kijk de posters, computers, tijdschriften; de werktuigen van culturele activiteit. Shibli beschrijft hoe ze tegenover een man zat «die vertelde hoe een raket zijn auto trof en zijn vrouw en drie kinderen doodde, terwijl mij opviel hoe grijs zijn haar werd. Dat is fictie. De werkelijkheid is tegenwoordig te angstaanjagend, het lukt niet daar vat op te krijgen. Je zou kunnen zeggen dat fictie een vorm van perversie wordt.» Haar verhaal Optreden met veel stofdeeltjes (2002) beschrijft een dag uit het leven van een jonge vrouw: ze gaat in Jeruzalem naar het postkantoor om een pakketje te versturen, bezoekt een vriendin in Ramallah en vraagt zich af of ze vlees moet kopen. Dat is alles. Om genoeg afstand (of koelbloedigheid) te bewaren, zodat je zonder kleerscheuren de dag doorkomt, moet je beschikken over het concentratievermogen van een koorddanser, en als je de minutieuze beschrijving leest van de gedachten, contragedachten en metagedachten van Shibli’s hoofdpersoon ben je uitgeput.

Het werk van Shibli wordt gepubliceerd in al-Karmel, het literaire tijdschrift dat sinds de oprichting in 1981 in Beiroet door de dichter Mahmoud Darwish alle ups and downs van de Palestijnse bevrijdingsbeweging heeft meegemaakt. Het wordt geleid door de schrijver/vertaler Hassan Khader en verschijnt sinds 1996 in Ramallah. Khader heeft altijd deel uitgemaakt van de Palestijnse beweging en heeft de oorlogen van de afgelopen dertig jaar overleefd. Al-Karmel is een voorbeeld van de wijze waarop de Palestijnse cultuur zichzelf ziet: sterk geworteld in de Arabische cultuur en internationalistisch georiënteerd. Het afgelopen half jaar publiceerde het blad naast stukken van veel Arabische auteurs ook bijdragen van Herbert Barker, Russell Banks, J.M. Coetzee, Dwight Reynolds, José Saramago en Efrat-ben-Ze’ev.

Volgens Darwish is het hoogste doel van de schrijver in zijn werk een schoonheid te bereiken die het de lezer mogelijk maakt in een andere tijd en een ander bewustzijn te verkeren.

Khader beseft dat de huidige chaos aanleiding geeft tot een fictionele reactie: «Het is verleidelijk, maar het is ook verraderlijk.» Het gevaar is dat de literatuur die dit oplevert te rauw, te onvoldragen is om de transplantatie naar een ander bewustzijn te overleven. Zijn strategie bestaat uit het creëren van een afstand tussen hemzelf en datgene wat er gebeurt, uit pogingen «de gebeurtenissen een beetje te laten afkoelen», uit «het toelaten van een afstand in de tijd (niet alleen emotioneel of psychologisch) om duidelijkheid te krijgen».

Hoewel Khader te maken heeft met het uitgaansverbod slaagt al-Karmel er nog steeds in tweemaal per jaar te verschijnen. «Toen de Israëlische soldaten de Sakakini, het cultureel centrum, vernielden», zegt hij, «liep mijn kantoor relatief weinig schade op. Maar alle papieren lagen op de grond en ik bewaar nog altijd de eerste versie van een ge dicht met de afdruk van een modderige laars erop. Misschien had de soldaat die erop trapte het niet door, maar hij heeft zijn signatuur op dat gedicht geplaatst.»

Is er buiten de actuele situatie nog wel ruimte om te schrijven? Darwish heeft op vermaarde wijze zijn recht opgeëist om over niet-Palestijnse zaken te schrijven, te spelen, absurd te zijn. Toch stelt hij in zijn necrologie van de Palestijnse dichteres Fadwa Touqan, die in november 2003 overleed, de vraag wat een dichter in een tijd van crisis zou moeten doen; een tijd waarin hij zijn blik moet verplaatsen van zijn eigen innerlijk naar de wereld om hem heen, wanneer de poëzie getuigenis moet afleggen.

De dichter Mourid Barghouti slaagde er in 1997, na dertig jaar, eindelijk in toestemming te krijgen om gedurende twee weken zijn geboortestad Ramallah te bezoeken. Die reis vond zijn weerslag in Ik zag Ramallah (2000). «Het probleem met het schrijven over dingen die buiten jezelf liggen, met schrijven als onderdeel van een collectief», zegt hij, «is dat het geen literatuur oplevert, tenzij het werkelijk een deel van jezelf is geworden – het niet langer ‹buiten› is. Het wordt een deel van je innerlijke structuur. Het heeft geen zin gebeurtenissen, anekdotes op te schrijven. Maar rollen gebeurtenissen zomaar van ons af, als kwikbolletjes over papier? Het moment waarop de gebeurtenis en jouw ziel elkaar raken, dat is het moment waarop literatuur ontstaat.»

Alle Palestijnse schrijvers die ik spreek benadrukken dat ze het recht hebben op grond van vakmatige of esthetische overwegingen te besluiten niet over de actuele situatie te schrijven, maar dat is een theoretisch recht. De gebeurtenissen die de ziel raken komen voort uit de bezetting. «Er is geen onderdeel van mijn leven dat niet door de Israë liërs wordt beheerst», zegt Badr. «Ze beheersen onze gezondheid, onze vriendschappen. Ik kreeg geen toestemming om naar Nablus te gaan, om Fadwa Touqan op haar sterfbed te bezoeken.»

Misschien is dit de reden dat zoveel schrijvers kiezen voor het essay, of wat ze «fragmenten» noemen: literaire reacties op gebeurtenissen waarover ze, als schrijver, onmiddellijk moeten schrijven, vóórdat de gewenste transformatie van ervaring in fictie of poëzie heeft kunnen plaatsvinden. In Splinters van werkelijkheid en glas (2002) laat Khader zien hoe het is om de bezetting gelijktijdig op straat en tv te ervaren. Het is een prachtig verwoorde beschrijving van de dynamische relatie tussen enerzijds het geweld tegen of van Palestijnen en anderzijds de media, of die nu Palestijns, Arabisch of internationaal zijn. Khader beschrijft hoe het beeld de werkelijkheid heeft geclassificeerd en vervolgens gevormd.

Het ligt misschien voor de hand, maar iedereen die ik spreek laat zich in negatieve bewoordingen uit over de militarisering van de intifada en de zelfmoordaanslagen. Maar toch, hoe vaak halen de verschillende vormen van geweldloos Palestijns verzet de westerse media?

Ik vraag de Palestijnse schrijvers hoe ze tegen Israëlische schrijvers aankijken. Hun onmiddellijke reactie is een literaire. Badr zegt dat ze ze allemaal heeft ge lezen en sommige briljant vindt. Ze denkt dat die schrijvers niet typisch Israë lisch zijn; het referentiekader van een schrijver sluit aan bij verschillende culturen. Barghouti zegt dat hij altijd wordt geraakt door de gedichten van Yehuda Amichai. Khader prijst David Grossman en Aharon Appelfeld.

Ik wil weten of hun beeld van een schrijver wordt gekleurd door diens politieke overtuiging. Shibli koestert onder de Israëliërs de meeste bewondering voor Shai Agnon, en «hij gedroeg zich nu niet bepaald erg aardig tegen over de Palestijnen».

Ook wil ik van de Palestijnse auteurs weten of ze het mogelijk achten dat er een speciale band tussen henzelf en Israë lische schrijvers ontstaat. Khader vertelt dat hij in 1993, toen hij in Tunis woonde, Grossmans De glimlach van het lam had vertaald. Grossman zocht contact om hem te bedanken, en bood aan te helpen bij eventuele vertaalproblemen. Toen Khader na «Oslo» terugkeerde naar Palestina ontmoetten ze elkaar onregelmatig. Ze spraken over politiek. In maart 2000 publiceerde Khader in al-Karmel een lang interview met Grossman. Hij schreef dat het twee jaar had geduurd voor Grossman toestemming gaf, maar dat hij zijn aarzelingen be greep: «Wanneer een Israëliër (meestal iemand die links is) Palestijnen ontmoet en over hen schrijft, is het zijn versie die wordt gepubliceerd en bevestigt zijn sympathie voor de Palestijnen dat hij bepaalde waarden verdedigt. Bovendien overtuigt het handwerk van het schrijven je ervan dat het weergeven van iemand in een beeldend discours hem niet alleen een stem geeft maar hem tevens ‹verovert›.»

Enkele dagen na het mislukken van het overleg op Camp David (oktober 2000) benaderde Grossman Khader om in Jeruzalem een bijeenkomst van Palestijnse en Israëlische schrijvers te organiseren. «Hij vertelde dat A.B. Yehoshua, Amos Oz en zelfs Yitzhar Simlanski van plan waren te komen. Ik stemde toe maar zei dat als we een officiële bijeenkomst wilden organiseren, we het over een aantal punten eens moesten zijn. Ik noteerde toen: terugtrekking van Israël achter de grenzen van vóór 1967; ontmanteling van de nederzettingen; Jeruzalem als ongedeelde hoofdstad van twee staten; de erkenning dat Israël moreel verantwoordelijk is voor het probleem van de Palestijnse vluchtelingen. Ik voegde hier nog een toelichting aan toe en stuurde Grossman een fax. Een paar dagen later reageerde hij met de mededeling dat mijn stuk eruitzag alsof het was opgesteld door een advocaat. De bijeenkomst is dus niet doorgegaan.»

Khader heeft een boek geschreven over de identiteitscrisis binnen de Israëlische literatuur. «De boeken van Israëlische schrijvers vertellen meer over hen dan de verklaringen die ze afgeven aan de pers. Zo is Oz een verklaard voorstander van vrede, en misschien houdt hij ook werkelijk van vrede. Maar naar mijn mening is de wijze waarop in zijn boeken Arabieren en Palestijnen worden beschreven uiterst problematisch. Yehoshua geldt als een politieke havik, maar in zijn werk geeft hij uitdrukking aan een werkelijk besef van crisis en kwetsbaarheid. Grossman ging tegen de stroom in en schreef een roman waarin kritiek werd geuit op de bezetting en waarop hij fel werd aangevallen. In zijn fictie toont hij veel gevoel voor de problemen van de Palestijnen. Ik bewonder zijn eerlijkheid en bewonder Zie: liefde, zijn prachtige boek over de holocaust.»

Barghouti formuleert het scherper: «Ze behoren allemaal min of meer tot het establishment. Zolang de Israëlische kunstenaar het officiële Israëlische verhaal onderschrijft, gaapt een groot gat in het hart van zijn ‹verbondenheid› met de Palestijnen. Je kunt je ideologische standpunt niet handhaven en vervolgens lid worden van de Society for the Prevention of Cruelty to Palestinians. Er zijn Israëliërs met het hart op de goede plaats; we ontmoeten hen, we spreken met hen. In politiek opzicht leidt het nergens toe. Het doet hen veel goed, de Israëliërs, het sust hun geweten, het levert iets op, op de internationale publieke opinie komt het goed over. Het levert de Palestijnen echter niets op.»

Badr is diplomatieker: «Het lijkt erop dat de prijs van loyaliteit aan Israël, van erbij horen, heel hoog is. Zodoende zijn er schrijvers die in alle opzichten seculier zijn, maar die niettemin stellen dat op grond van een tweeduizend jaar oud verdrag dit land van hen is! Of neem Yehoshua, hij gelooft nog steeds in de politisering van religie – en is het ermee eens dat Israël een joodse staat is. Neem Oz, of Grossman; zij beschouwen zichzelf als progressief maar klampen zich vast aan hun collectieve mythologie en jammeren over de toekomst van het zionisme. Hun literatuur is meer ontwikkeld dan hun ideologie. We moeten ze nageven dat ze oprecht verlangen naar vrede, en dat ze democraten en kunstenaars zijn. Maar tegelijkertijd zijn ze niet in staat afscheid te nemen van hun zionisme. Dat is in hun leven de grote contradictie. Vandaar dat ze over het puur persoonlijke schrijven.»

Wat verwachten de Palestijnse schrijvers van de toekomst? Mourid Barghouti: «Op dit moment lijken al mijn gedichten over de dood te gaan. Maar op de helft van de nummers in mijn telefoonboekjes krijg ik geen gehoor meer.»

Liana Badr: «Terreur en vernietiging, en het doden van mensen aan beide zijden, tot Israël stopt met het denken in militaire termen. Tot de Israëliërs werkelijk democratisch worden, niet alleen als het slechts henzelf aangaat, maar ook ten opzichte van alle anderen.»

Ook Hassan Khader is niet optimistisch over de toekomst: «Waarschijnlijk komt er een nog openlijker systeem van apartheid, dat jaren zal duren. Maar dat zal de ziel van de Israëlische staat wegvreten.» Israëlische schrijvers, zegt Khader, worden geconfronteerd met een situatie die meer en meer gaat lijken op die waarin Franse schrijvers zich bevonden tijdens de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog en die van Amerikaanse schrijvers tijdens de oorlog in Vietnam: «Zouden ze een standpunt innemen tegen het kolonialisme, of zouden ze bereid zijn de ware aard ervan te verhullen? De Israëlische schrijvers zijn er nog niet uit.»

De Palestijnse auteurs vinden over het algemeen dat hun positie minder moeilijk is dan die van hun Israëlische collega’s. Want, zoals Khader zegt, «een Palestijnse schrijver mag dan problemen hebben met zijn paspoort, hij heeft geen problemen met zijn identiteit».