Schrijvende moeders

Of ik even een briefje wilde schrijven voor school.
‘Heb je lessen gemist dan?’ vroeg ik aan mijn zoon.
Nee, het ging om een reisje naar Parijs.
‘Ik dacht dat jullie dit jaar naar de Ardennen gingen.’
Ja, het was ook geen officieel reisje. Als je wil kon je mee naar Parijs met een andere groep, er waren nog plaatsen vrij in de bus. ’s Ochtends vroeg heen en de volgende ochtend vroeg terug. En hij en een vriend wilden dat wel. Alleen moesten de ouders daarvoor wel toestemming geven.
‘Hier’, zei hij en schoof papier en pen naar me toe.
Op zijn aanwijzingen verklaarde ik dat mijn zoon – zeventien, o nee zestien, jezus, hij is pas zestien – zich zelfstandig mocht bewegen in Parijs.
‘Je moet ook schrijven dat ik zonder begeleiding mag eten ’s avonds.’
Ik voelde zijn adem in mijn nek.
Even stokte mijn pen. Wat was ik hier aan het bezegelen?
Anderhalve minuut later zonk mijn hart nog wat dieper.
Ik hoorde hem aan de telefoon, kennelijk met die vriend.
‘Ik heb het gefixt.’
In Engeland is commotie ontstaan rond het nieuwe boek van Julie Myerson, van wie ook een paar romans in het Nederlands zijn vertaald. Een precieus damesmeisje, wier breekbare en tegelijkertijd nuffige optreden in het panel van het BBC-programma Newsnight Review mij om een duistere reden mateloos fascineert. The Lost Child gaat helemaal over haar oudste zoon, die op zijn vijftiende begon met het roken van ‘skunk’ (zware wiet, als ik ’t goed heb) en op zijn zeventiende door haar en haar man uit huis werd gezet wegens verregaande onhandelbaarheid. Of helemaal, dat is niet waar. Volgens beproefd literair procédé heeft Myerson de zoon-saga verbonden met haar speurtocht naar het lot van een jong gestorven meisje midden negentiende eeuw. Een dun laagje pandoer dat niet kan verhullen dat Myerson haar eigen sores uitvent. Of in feite die van haar zoon, die zich in een interview zeer ongelukkig betoonde met het boek van zijn moeder: ‘Ze heeft de ergste jaren van mijn leven gebruikt om er kunst van te maken.’
Myersons verdediging: ‘Je moet het boek schrijven dat je moet schrijven. Ik schrijf met een stukje van mijn hart waarover ik niet de volle controle heb.’
Is dat al heel pijnlijk, zo’n moeder-zoon-vete die opeens in de openbare ruimte wordt uitgevochten, nog pijnlijker is het als het eindresultaat wordt afgebrand door de literaire kritiek. Ik bedoel: laat het het dan wel allemaal waard zijn, artistiek, financieel, maar het liefst allebei. Doeschka Meijsing heeft aan een persoonlijke crisis toch maar mooi een gelauwerde bestseller overgehouden, een hoorspel, straks ook nog een film en ziet haar oude dag voorgoed verzekerd.
Dat gaat Myerson niet gebeuren, als ik af mag gaan op de pek die ze deze week over zich uitgestort krijgt. Hád ze er maar kunst van gemaakt, schrijft The Times. In plaats daarvan is haar boek een schamele poging tomeloos zelfbeklag te verhullen in hijgerige, onmachtige zinnetjes. Haar schrijfkunst wordt afgezet tegen die van schrijfsters (natuurlijk, vrouwen worden altijd met vrouwen vergeleken) die wél intelligent, subtiel en getalenteerd zijn. Skunk mag een fataal effect hebben op de voorste kwabben van het puberbrein, wat te denken van het effect als je je zoon vanaf zijn tweede blootstelt aan de openbaarheid? Plotsklaps wordt het Myerson ook nagedragen dat ze jarenlang anoniem een column in The Guardian heeft geschreven, onder de noemer ‘Living With Teenagers’. Jammer genoeg door mij gemist; ik stel me een iets andere toonzetting voor dan Vader en dochters van Martin Bril.
Het was deze week toch al de week van de schrijfsterszonen. Nicholas Hughes, de zoon van Sylvia Plath en Ted Hughes, hing zich op in zijn huis in Alaska. Hij is 46 geworden, en was 1 toen zijn moeder het voor gezien hield. ‘Jij bent het enige/ Stevige waar de ruimte op steunt, vol afgunst,/ jij bent het kind in de kribbe’ bezong Plath haar babyjongen alvorens haar hoofd in de oven te steken.
Moeders horen hun kinderen niet te verraden. Misschien bedoelde Elfriede Jelinek dat toen ze zei dat schrijven en moederschap zich niet met elkaar laten verenigen. Ze besloot gewoon maar bij haar moeder te blijven wonen; het taboe geldt namelijk niet omgekeerd. Van moeders kun je de wreedste romans bakken, lees De pianiste.
Of ik nog wat geld voor hem had.
‘Hoezo? Je hebt je zakgeld toch?’
Ja maar hij ging naar Parijs, remember?
‘Wat ga je er eigenlijk doen?’
Inderdaad. Als het mij al niks aangaat, dan een ander zéker niet.