Schrijver

Het was de ochtend na een groot festival en in de ontbijtzaal van het hotel trof ik de schrijver die de avond tevoren de grote zaal uit was gelopen, omdat hij zich onmogelijk verstaanbaar had kunnen maken. Dat lag aan zijn proza noch zijn stem, maar aan een groepje mannen in glitterpakken. Die hadden tijdens zijn lezing een dansshow opgevoerd, in een ander gedeelte van het gebouw. Aangezien alle zalen van elkaar gescheiden werden door flinterdunne wandjes, had deze gelijktijdige programmering niet zo optimaal uitgepakt. Hij had nog wel zijn best gedaan om het verhaal over zijn zieke dochtertje voor te lezen, maar onder zijn woorden dreunde steeds die vrolijke beat, wat het geheel toch iets twijfelachtigs gaf. Ik wachtte nerveus op mijn beurt. Wat moest ik met gedichten beginnen, bij zo veel burengerucht? Gelukkig greep de presentator tijdig in. ‘Ik denk’, zei hij, ‘dat we het programma nu maar beëindigen. Het is nogal gehorig hè?’ Zo kwam het dat ik, samen met een paar anderen, vroegtijdig naar het hotel vertrok om daar, onder het genot van een glas wijn, de schijn van literair leven overeind te houden. En nu zaten we dus katerig in de ontbijtzaal, de schrijver van het zieke dochtertje en ik. De koffie was lauw en onaangenaam ziltig. ‘Drab van een C-merk’, zei de schrijver. We mopperden wat na, over het gebouw met de flinterdunne wandjes, de gebrekkige techniek en het tijdschema, dat er op papier al veel te ambitieus had uitgezien.

‘Ik vraag me altijd weer af’, zei de schrijver, ‘waarom ik me op die momenten zo netjes blijf gedragen.’ Hij kon wel een hele reeks collega’s noemen die in vergelijkbare omstandigheden als wilde hooligans tekeer waren gegaan, met stoelen hadden gesmeten, uitbarstingen hadden vertoond. Echte schrijvers lieten zich niet zomaar aan de kant schuiven. ‘De volgende keer’, zei hij met glanzende ogen, ‘ga ik iemand te lijf!’ Hij zuchtte. Een hoogrode jongen met een zwart colbertje aan kwam bij onze tafel staan en informeerde bedeesd of alles naar wens was. Ik keek de schrijver aan. Die glimlachte bedroefd. ‘Heerlijke koffie’, zei hij. ‘Welbedankt.’