De verhalen

Schrijver achter de schermen

Tekening: Dick Tuinder

F. Springer was bestuursambtenaar in Nieuw-Guinea en diplomaat in diverse landen. Zijn verhalen over die tijd zijn nu gebundeld.
F. Springer
De verhalen
Querido, 359 blz., € 19,95

Medium springer 201

F. Springer maakt deel uit van een uitstervende generatie schrijvers wier wortels in de voormalige koloniën liggen. Hij werd in 1932 in Batavia geboren. Na de onafhankelijkheid van Indonesië werd hij ‘gerepatrieerd’ naar een onbekend, kil en nat Nederland. Hij ging er naar school, studeerde, en vertrok in 1958 als bestuursambtenaar naar Nieuw-Guinea waar hij bleef tot ook dat in 1962 onafhankelijk werd. Sindsdien leidde Springer een zwervend leven als diplomaat, met als standplaatsen Bangkok, Dacca, Teheran, ddr. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de keuze voor dat beroep werd ingegeven door het gedwongen vertrek uit Indië en het daaruit ontstane gevoel van ontheemding.

Ter gelegenheid van Springers 75ste verjaardag zijn de verhalen gebundeld die hij in de marge van zijn diplomatenbestaan heeft geschreven. Ze dateren van Berichten uit Hollandia (Baliemvallei Nieuw-Guinea, 1960), tot Bangkok, een elegie (Feldafing, 1996). Het zijn zinderende verhalen waarin een bonte stoet avonturiers, gelukzoekers, boeven en ontheemden voorbijtrekt. Het leuke is dat al die verhalen berusten op ware gebeurtenissen, althans op voorvallen waarbij Springer als bestuursambtenaar in Nieuw-Guinea of als diplomaat in Bangkok of Dacca betrokken werd. Neem bijvoorbeeld de aanhouding van de moordenaar Ukumkarok, die door de jonge bestuursambtenaar persoonlijk uit de ondoordringbare jungle van Zuid-Baliem Nieuw-Guinea wordt gehaald, om zijn prestige bij de Wettipo en andere Papoea-stammen niet te verliezen. Of het verhaal van Salman, de doortrapte Indiër die de beeldschone vrouw van een afwezige ambtenaar verleidt en, na de smadelijke aftocht van het ambtenaarsechtpaar, probeert de aspirant-controleur (Springer) te chanteren om zijn geliefde uit Nederland te kunnen laten overkomen. Of het ontroerende verhaal van de oude Van Dreumen, een antiquair in Bangkok die Springer inschakelt om het huwelijk te arrangeren tussen hem en Vinnie, een op Ginger Rogers lijkende schoonheid, die na overkomst uit Australië tegen de zestig blijkt te lopen.

Het zijn verhalen die ik in de spreekwoordelijk éne adem heb uitgelezen. Toch heb ik hier en daar bedenkingen in de kantlijn gekrabbeld. Ze zijn van tweeërlei aard. Springers verhalen spelen zich af tegen de achtergrond van de dekolonisatie. Indonesië 1946, Nieuw-Guinea 1962, de bevrijdingsoorlogen van de Afrikaanse koloniën in de jaren zestig en zeventig, de Vietnamoorlog, die niets anders was dan de lange en bloedige nasleep van de onafhankelijkheidsstrijd van een voormalige Franse kolonie in Oost-Azië. Springer was bij al deze conflicten betrokken op zijn opeenvolgende standplaatsen. Het vreemde is nu dat hij de dekolonisatie nergens ter sprake brengt, hoewel ze toch de dieptestructuur vormt van de veranderingen die Indië, Afrika en het Verre Oosten op hun grondvesten lieten schudden. De verhalen lijken los te staan van deze dieptestructuur. Het zijn prachtige anekdotes, ronddrijvend in een zee die door een tsunami uit zijn voegen wordt getild. Ik verbaas me daar des te meer over omdat de dekolonisatie diep in Springers persoonlijke leven moet hebben ingegrepen. Wat zou het mooi zijn geweest als hij de verhalen van al die schilderachtige types had gesitueerd tegen de achtergrond van deze historische aardverschuiving. Wat een diepte en perspectief had dat opgeleverd!

Mijn andere kantlijnkrabbels hebben te maken met de manier waarop Springer zich achter de schermen van het verhaal terugtrekt en nergens laat blijken wat hij vindt, of wie hij is. Personages die vaak heel respectabele standpunten vertegenwoor-digen, chargeert hij zodanig dat het karikaturen worden. Ze gaan zich te buiten aan onbehoorlijk gedrag en roepen het noodlot over zich af. Op deze manier distantieert Springer zich van hen. Het lijkt wel of hij heimelijk wraak neemt op mensen die gevaarlijk en groots hebben durven leven. Uiteindelijk distantieert Springer zich ook van zichzelf. Op het moment dat Nederland zijn laatste kolonie dreigt te verliezen en de Nederlandse regering, in een ultieme poging om Nieuw-Guinea te behouden, de kaart van de ‘zelfbeschikking’ speelt, moet deze politiek door de bestuursambtenaren worden uitgedragen. Springer vertelt dat als volgt: ‘De nieuwe vlag ging de lucht in. Gejuich. De Nederlandse vlag volgde. Weer gejuich. Ik hield een toespraak waarin ik (op instructie van de autoriteiten in Hollandia) liet uitkomen “dat naast de landsvlag, symbool van eenheid en eigen identiteit van de Papoea, de Nederlandse vlag gevoerd bleef worden”.’ Door dat tussenzinnetje (op instructie van de autoriteiten) en door de aanhalingstekens distantieert Springer zich van standpunten die hij zelf in de mond neemt. Wat vindt hij eigenlijk van de gebeurtenissen die zijn leven verregaand hebben bepaald? Ik zou het niet weten. Springer trekt zich terug achter de coulissen, en laat zijn acteurs op het toneel een buil vallen, tot groot vermaak van het publiek. Wat zou het mooi zijn geweest als de verhalen waren samengeklonken door een visie die ons het gevoel had gegeven kennis te maken met een persoonlijkheid!

In deze beide beperkingen tekent zich het verschil af tussen Springer en zijn grote voorgangers, Multatuli en Du Perron. Aan de ene kant Multatuli, die zijn Indische verhalen dienstbaar maakte aan een politiek-historische context waarin hij stelling nam door middel van zijn werk. Aan de andere kant Eddy du Perron, die beschreef hoe zijn persoonlijkheid was gevormd in de wisselwerking tussen het Land van herkomst en Europa.

Wie deze beperkingen voor lief neemt, vindt bij Springer veel spannende en knap geschreven verhalen. Mijn voorkeur gaat uit naar twee verhalen die elkaar, als ik het goed zie, spiegelen: De verovering van Bandung en Zaken overzee. Het eerste gaat over de repatriëring van de veertienjarige Springer. Tijdens de langdurige overtocht op het kpm-schip Ruys nemen Springer en zijn vrienden de identiteit aan van zeerovers uit Het geheim van kapitein Merion. Nadat ze in Nederland zijn aangekomen, blijven ze met elkaar in contact via hun schuilnamen. Springer (Panama Too) zoekt enkele jaren later zijn vriend Freek Visser (Rode Castaban) op die in de buurt van Dedemsvaart terecht is gekomen. Vader Visser, een oud knil-militair, traint in het geheim een militie die steun zal verlenen aan een ophanden zijnde opstand in Indonesië. Op de nachtelijke hei oefenen ze zich in ‘gunrunnen’. Vader Visser sterft voortijdig aan een weinig heroïsche ziekte. De opstand in Indonesië loopt op niets uit. Ontnuchterd nemen de jongens afstand van hun zeeroversnamen. De betovering van de jongensdroom en van de volwassenendroom wordt op hetzelfde moment verbroken.

In Zaken overzee vertelt Springer hoe hij een goede tien jaar later naar Nieuw-Guinea wordt uitgezonden als bestuursambtenaar. Het is de reis terug naar Indië. In de binnenlanden maakt hij avonturen mee die in niets onderdoen voor die van Rode Castaban en Panama Too. Maar na vier jaar bestuurswerk is ook dit avontuur ten einde. Springer keert terug naar Nederland en begint aan een rusteloos leven als diplomaat in dienst van Buitenlandse Zaken.