Schrijver en tv

De uitreiking van de Libris Literatuurprijs, Robert Vuijsje met zijn gevolg van boze negerinnen en de donkere stem van Wieringa met dito schedel. Vorige week was de week van de schrijver en tv. Een hoogst onsmakelijke combinatie, als je van literatuur houdt tenminste.

Allereerst over het geval Robert Vuijsje. Zijn boek Alleen maar nette mensen, dat onlangs de Gouden Uil won, was een steen des aanstoots in de discussie over de multiculturele samenleving. Dit boek brengt een even humoristische als bedwelmende cocktail van vooroordelen en stigma’s over joden, Marokkanen, Antillianen, Surinamers en de ‘nette mensen’ van Amsterdam Oud-Zuid. Het boek zou racistisch zijn. Onzin natuurlijk, maar daar gaat het nu niet om.
Als minderheden zich gekwetst voelen mogen ze dit naar hartelust op de televisie komen vertellen. De vertegenwoordiger van de gekwetste minderheid in kwestie neemt het dan op tegen de kwetser, de hetser, de stichter van Al het Kwaad; Vuijsje in dit geval.
Vervolgens gaat het mis waar het al tijden misgaat tussen schrijver en tv. De opvatting van de auteur wordt verward met die van de personages in het boek. Het ezelproces van Reve, de strijd tussen Hermans en de katholieken – het is allemaal voor niets geweest.
De schrijver mag op de televisie alleen nog maar praten over het (auto)biografische gehalte van zijn boek. Op de (literaire) vorm, opbouw en stijl rust een taboe. Zonde, want ook de vorm maakt Alleen maar nette mensen tot een geslaagd tijdsdocument. Het juist gekozen taalgebruik – ‘smatje’ en ‘bounty’ versus ’k.m.’etje’ – en het invoegen van sms-taal en msn-gesprekken maken dit boek ook bijzonder. Waarom kan de discussie over de multiculturele samenleving en Alleen maar nette mensen niet zonder het verweer en de verzachtende uitleg van de schrijver plaatsvinden? Omdat er dan überhaupt geen discussie is? Omdat televisie alleen geïnteresseerd is in discussies waarin er flink op de man wordt gespeeld?
Dan Tommy Wieringa. Zijn nieuwe roman Caesarion was nog niet eens behoorlijk gerecenseerd in de dag- en weekbladen of Wieringa’s bronzige basstem rolde al over de tafel bij Pauw en Witteman. Natuurlijk hadden kapitein grijspak en matroosje krullenbol het boek nog niet gelezen. Dat hoeft ook niet. Een schrijver is immers een soort journalist die interviews afneemt, zich een mening vormt en daar een roman omheen flanst. Van de vijftien minuten zendtijd gingen er tien over het biografische gehalte van Caesarion. Wieringa moest vertellen over het waar gebeurde, échte leven van ex-pornstar Cicciolina en haar zoon Ludwig Maximilian, mensen op wie hij zijn personages had gebaseerd. De laatste minuut ging wonder boven wonder over de literaire vorm. Dat betekende dat de schrijver precies één zin mocht voorlezen. Een mooie zin, dat wel.
Volgens literatuurliefhebber Witteman was er maar één antwoord op die ene zin: ‘de zappservice’. Dat was ik met hem eens. Ik zapte. Weg van de schrijver op tv, op zoek naar een keiharde pornofilm met debiele homofiele joodse negerinnen met een bult – kunst zonder discussie.