Schrijver, journalist, activist

Karel Glastra van Loon, 1962-2005

De meeste journalisten waren naar huis teruggevlogen, hij zou de dag erna weggaan. Het was stom geluk dat Karel Glastra van Loon nog net die nacht op het Plein van de Hemelse Vrede was en samen met niet meer dan een handjevol collega’s getuige was van het moment dat de tanks kwamen aanrollen. Voor Nieuwe Revu, waar hij toen voor werkte, schreef hij zijn reportage, maar hij bleef met nog een ander verhaal in zijn hoofd zitten. Een persoonlijker verhaal, waarin hij ook de meer ongrijpbare zaken kwijt zou kunnen. Hij wilde iets voelbaar maken dat tijdlozer was dan een journalistieke reportage. Met dialogen, en personages die hij in elkaar kon voegen. Voorbeelden vond hij niet zozeer in de Nederlandse literatuur als wel in de Engelse. Hij was een groot bewonderaar van D.H. Law rence, die het klaarspeelde om binnen de context van een roman ook over de modernisering van de Engelse mijnen te schrijven. Tijdloos en inzichtelijk, en daarmee in zijn ogen krachtiger dan een historisch document, zoals hij Rusland ook het best begreep door Dostojevski te lezen. Zijn eigen eerste schreden op literair gebied mondden uit in de verhalenbundel Vannacht is de we reld gek geworden (1997), waarin hij behalve zijn ervaringen in China ook die in andere politieke brandhaarden van die tijd verwerkte, zoals Armenië en Nicaragua.

Nog niet eens tien jaar zijn hem ge gund geweest om de transformatiemogelijkheden van feit naar fictie verder te exploreren, maar in dat korte tijdsbestek heeft een ongekend groot publiek zijn werk leren kennen. De laatste roman die hij bij leven en welzijn deed verschijnen, De onzichtbaren (2003), beantwoordde geheel aan zijn ideaal om met literaire middelen een maatschappelijk probleem onder de aandacht te brengen, in dit geval de lotgevallen van Birmese vluchtelingen. Dat hij ondertussen vooral succes had behaald met een roman die hij in drie maanden tijd schreef en die een iets minder acuut fenomeen behandelde, beschouwde hij als een goeie grap. Het onverwacht grote succes van De passievrucht (1999) – bekroond met de Generale Bank Literatuurprijs, meer dan driehonderdduizend exemplaren verkocht en over de hele wereld in vertaling verschenen – bracht hem roem, geld en een groot lezerspubliek dat ook Lisa’s adem (2001) tot een bestseller maakte. De ruimere financiële middelen en de groeiende bekendheid kwamen Glastra van Loon goed van pas bij zijn maatschappelijke actieradius. De wereld waarin hij leefde was de zijne niet, en hij maakte zich zo breed mogelijk om daar wat aan te doen.

Het beginpunt van zijn politieke bewustwording lag bij de acties rondom Solidarnosc, in 1979. Hij zat op het Amsterdamse Spinoza Lyceum, werd lid van de PSP en schreef een stuk in de Volkskrant, een oproep tegen de matheid. Echt thuis kwam hij echter pas bij Nieuwe Revu en bij de SP. Zoals hij het zelf verwoordde: «Ik heb het liever wat rauwer, wat eerlijker.» Als hij er gens een hekel aan had, dan was dat aan arrogantie. En aan pretenties. En aan ironie. En aan stropdassendragers. Eenmaal op stoom werd de toon van de op het eerste oog zachtmoedige figuur die van de onverzettelijke hardliner bij wie het «Pleur toch op!» in de mond bestorven lag. Als een van de weinigen van zijn generatie had hij geen moeite met grote woorden. Sterker nog: hij ging vol overtuiging recht in tegen wat hij benoemde als «de tijdgeest van de Gipharts en de Grunbergs». Alles wat hem lief was, kunst, zorg, voetbal, relaties, werd in zijn ogen aangetast door neokapitalistisch markt denken. De god ganse dag voelde hij zich ge bombardeerd door reclame, overproductie, lelijkheid en geldzucht. Ging hij met zijn kinderen naar Artis, moest hij bij ieder hok lezen dat dit of dat jong geadopteerd was door de Robecogroep of door Albert Heijn. De redactie van Nieuwe Revu verhuisde naar een kantoorwijk buiten de stad. Het laatste filmhuis in Amsterdam werd gesloten. Allemaal de schuld van «die heao’ers met hun reken mo del letjes». Pleur toch op!

Desondanks wilde hij niet toetreden tot «de politieke kaste», en werd hij ook geen lid van de SP. «Als journalist moet je vrij zijn.» Wel bleef hij zijn schrijverschap combineren met journalistiek werk en activiteiten voor de SP. Hij schreef teksten voor de partij, bedacht campagnes en schreef samen met Jan Marijnissen de interviewbundel De laatste oorlog (2000). Hierin deden ze verslag van hun gesprekken met mannen als Noam Chomsky, Lord Carrington en Hans van den Broek, wier me ning ze peilden over hoe het verder moest in de wereld na de oorlog in voormalig Joegoslavië. Daarnaast zag Glastra van Loon er niet tegenop om wekelijks een column te schrijven voor Margriet. Hij had naar eigen zeggen zowel een grote behoefte aan mijmeren als aan lawaai maken.

Tijdens zijn verblijf in Phoenix, inspiratie opdoend voor zijn tweede roman, besefte hij aan de voet van de Grand Canyon dat de natuur groter is dan de mens: «Zo’n overweldigende natuur die er al miljoenen jaren is. Dat maakt je zo klein. Dat plaatst alles in een ander perspectief. Dat kleine egootje van ons…»

Hoe klein de mens daadwerkelijk is, ondervond hij de laatste anderhalf jaar aan den lijve. Een hersentumor sloopte hem langzaam maar zeker. In De passievrucht krijgt de jong gestorven Monika Paradies een onvergetelijk grafschrift waarin de woe de doorklinkt. Met een kleine wijziging is het zo op haar schepper van toepassing: Mooi. Jong. Vader. Dood.