Schrijver of tandarts

Een van de leukste fragmenten die Maarten ‘t Hart liet zien op zijn Zomergasten-avond vond ik het interview van H.A. Gomperts met Simon Vestdijk, uit 1964. Afgezien van de schok - ik had Vestdijk nog nooit horen praten, wat had hij een hoge stem, en wat sprak hij snel, of was dat de Polygoon-vertekening? - wist ik ook meteen weer waarom ik ooit Nederlands was gaan studeren.

Of liever gezegd: waarom ik al vanaf mijn dertiende wist dat ik Nederlands ging studeren. Het had te maken met een verlangen naar een leven gestut door boeken, en een diep ontzag voor het mysterie van het schrijven. Toen in het tweede jaar van mijn studie docente moderne letterkunde Marita Mathijsen met omfloerste stem zei dat schrijvers een geheimzinnige connectie hadden met de tijd waarin ze leefden, en dat ze vaak - ze maakte ondertussen tastende gebaren in de lucht en tuitte haar lippen alsof ze iets heel lekkers aan het proeven was - leken te voorvoelen wat er aan zat te komen, was ik al weer een beetje verwijderd geraakt van dat gevoel. Maar die vreemde, ontwijkend orerende Vestdijk met zijn kaalgeschoren hoofd en dikke bril, niet één keer zijn interviewer recht aankijkend, wist mijn adolescente onderbuiksensatie van weleer onmiddellijk weer tot leven te wekken.
Schrijven of leven, Maarten ‘t Hart vond het geen afweging, en ik eigenlijk ook niet, maar ondertussen zit diep in mij verankerd de gedachte dat 'echte’ schrijvers misschien niet zozeer het leven niet leven, als wel een parasitaire omgang met dat leven hebben. Helemaal gezond is anders. Volgens John Updike, en wie kan het beter weten, valt het leven van schrijvers in twee stukken uiteen. Vóór hun twintigste beleven ze de dingen nog onbevangen, daarna is alles in potentie materiaal. ‘Het vermogen om te schrijven wordt een soort schild, een manier om je te verschuilen, een methode om al te directe pijn in honing om te zetten - terwijl je zolang je jong bent, zo machteloos bent dat je niet anders kunt dan worstelen en observeren en voelen.’
Maarten ‘t Hart lijkt me overigens een a-typische schrijver in dit opzicht. Hij omhelst het leven - je druk maken om dingen is ook een vorm van omhelzen - en hij kan er levendig over vertellen, zonder terughouding of gekke tics. Ook zijn romans zijn één groot ja tegen het leven. Misschien dat mijn docenten daarom tot mijn teleurstelling enigszins op ze neerkeken. Zoals ’t Hart wel eens over zichzelf opmerkte: 'Ik schrijf niet van mij af, ik schrijf naar mij toe.’
Deze week las ik een interview in de VPRO-gids met een schrijver van wie ik nog nooit gehoord had, terwijl die wel al twee romans op zijn naam heeft staan. Max Niematz. Al lezende blijkt het niet helemáál aan mij te liggen dat ik hem niet kende, want hij heeft zich al een paar jaar willens en wetens teruggetrokken uit ‘het literaire bedrijf’. Na zijn tweede roman kwam hij er tot zijn schrik achter dat het schrijven van een roman allerlei verplichtingen en druk met zich meebrengt. Dat een boek zijn eigen weg op eigen kracht zou vinden, dat was ten tijde van Vestdijk misschien nog het geval, maar nu natuurlijk al lang niet meer. En dus hengelt de hedendaagse schrijver naar aandacht en erkenning op borrels en partijen, en raakt hij gefrustreerd als die uitblijven. In Niematz’ bewoordingen: de status van schrijver zijn ging het schrijven zelf in de weg staan. Met tot gevolg dat hij nu in alle stilte en afzondering aan zijn derde roman werkt, terwijl hij tegelijkertijd zijn best doet niet een al te kluizenaarachtig bestaan te leiden.
Hij zegt altijd een enorme bewondering te hebben gehad voor mensen die, in zijn woorden, het leven ‘op kunnen leven’. ‘Als schrijver distantieer je je van het leven. Je kijkt naar het leven, je schrijft erover, maar je leeft niet echt op dat moment’, zegt hij.
Het raakt me, omdat er iets in zit en hij het vast zo voelt, eerlijk en oprecht. Maar het irriteert me ook. De dichter hoort de vuilnisman zijn straat binnenkomen en denkt: ach, was mijn leven maar zo simpel. En draait zich nog eens om. En ook: alsof tandartsen het zo lekker hebben. Het schijnt de beroepsgroep met het hoogste zelfmoordpercentage te zijn, om maar wat te noemen.
‘Heb jij wel eens gehoord van iemand die zich op zijn sterfbed nog druk maakte om zijn werk?’ vraagt mijn broer, die tandarts noch schrijver is.
‘Nee’, zeg ik. ‘Daar heb ik nog nooit van gehoord.’
Terwijl ik meteen minstens één iemand weet. Pas met de geur van verse drukinkt in zijn neus kon hij de laatste adem uitblazen. Maar dat zeg ik niet tegen mijn broer, die overwerkt is en voor zichzelf munitie aan het verzamelen is om een tijdje verlof te nemen. En ook omdat ik denk: nee, met jouw werk niet nee.