Schrijver over een moeilijk land

Carlos Fuentes, vorige week op 83-jarige leeftijd overleden, is vaak ‘het geweten van Mexico’ genoemd. ‘Wij Mexicanen zijn te vaak verslagen. Wij houden meer van verliezers. Die horen bij ons. Dat zijn wij.’

Halverwege de jaren negentig ontbood Carlos Fuentes mij in zijn appartement in Londen. Ik had de Mexicaanse schrijver al eerder geïnterviewd en zou hem nadien nog vaker spreken, maar deze keer had ik de eer uitgenodigd te worden op een plaats die streng gereserveerd was voor het hogere scheppen. Op de bovenste verdieping van een fraai gerestaureerd Victoriaans pand in Kensington trok hij zich de helft van het jaar terug om te werken, niet om te praten.

Een locatie die paste bij een heer van stand. Want dat was Fuentes, vanaf de dag dat hij in 1928 het levenslicht zag in de Mexicaanse ambassade in Panama, waar zijn vader werkte als diplomaat. De schrijver wekte altijd de indruk dat hij net onder de douche vandaan kwam, fris gecoiffeerd en onberispelijk gekleed. Die tweede natuur kwam hem goed van pas in zijn sociale leven, want wanneer Fuentes niet zat te schrijven verkeerde hij tussen wat gemeenzaam heet ‘de groten der aarde’. Waar Fuentes was, was François Mitterrand niet ver. Of Chirac, koning Juan Carlos, Lula, of een willekeurige president van een willekeurig land, en hij discussieerde even makkelijk met zijn landgenoot Carlos Slim, de rijkste man op aarde. Een groot schrijver in deze contreien stelt nog iets voor.

Even was Fuentes zelfs bezweken voor de verleidingen van de diplomatie. Geheel in de traditie van Latijns-Amerika die voorschreef dat de landen van dat continent alleen beroemde schrijvers naar cultuursteden afvaardigden, diende hij een paar jaar als ambassadeur in Parijs. Maar geheel naar zijn eigen morele maatstaven nam hij in 1977 ontslag uit protest tegen de benoeming van ex-president Díaz Ordaz tot ambassadeur in Madrid. Die man was verantwoordelijk voor het bloedbad dat honderden studenten in Mexico-Stad het leven kostte aan de vooravond van de Olympische Spelen in 1968, en zo iemand maak je geen ambassadeur, vond Fuentes.

Carlos Fuentes praatte net zo gepassioneerd en meeslepend als hij schreef. Een interview kon al gauw uitlopen op een urenlang college over de toestand van de wereldeconomie, de verwording van de Mexicaanse Revolutie of de Franse literatuur van de negentiende eeuw. Of de multiculturele samenleving, die in Mexico al een paar eeuwen bestond voor men er in Europa überhaupt van hoorde. Die verhandelingen waren niet alleen razend boeiend en een genot om aan te horen, maar voor de interviewer ook handzaam: Fuentes sprak in perfecte volzinnen die je letterlijk kon optikken zonder een komma te hoeven veranderen. Door met hem te praten begreep je hoe het mogelijk was dat de man zo veel kon schrijven. En je begreep ook waarom al die ‘groten der aarde’ deze geweldige redenaar zo graag inviteerden.

De Mexicaanse meester laat 22 romans, negen verhalenbundels en ettelijke essaybundels na. Tussen die literaire productie door publiceerde hij links en rechts een ontelbare hoeveelheid artikelen. Dat hele oeuvre schreef hij met de hand, zo gedreven dat de vinger waarmee hij zijn potlood vasthield met de jaren kromgroeide.

In zijn laatste interview, dat twee dagen voor zijn dood in de Spaanse krant El País verscheen, vertelde Fuentes dat hij net het manuscript van zijn nieuwe boek had ingeleverd, getiteld Frederik op zijn balkon. Veel wilde hij er niet over kwijt. De Frederik is Friedrich Nietzsche, de man van de uitspraak ‘God is dood.’ Wanneer hij boven komt, geeft God hem een tweede kans en stuurt hem terug naar de aarde. ­‘Nietzsche verschijnt op het balkon om vijf uur in de ochtend en ik begin een gesprek met hem. Dat is het boek.’ De dag voor zijn overlijden vorige week dinsdag was Fuentes opgewekt begonnen aan een nieuwe roman.

De laatste jaren ging zijn tempo steeds verder omhoog. Hij schreef met de dood op de hielen. ‘Als je op een bepaalde leeftijd komt, heb je de keuze tussen jong blijven en naar de verdommenis gaan’, zei hij in het laatste vraaggesprek. ‘Ik houd mij jong door veel te werken, door altijd een project te hebben dat afgemaakt moet worden.’ De ochtend van zijn overlijden stond zijn laatste artikel, over de uitdagingen die de nieuwe Franse president Hollande te wachten staan, in een Mexicaanse krant. Het slot van die tekst was een veeg uit de pan naar de politici in zijn eigen land: ‘Mexicaanse kanttekening. Het verontrust me en ergert me dat deze grote thema’s van de actualiteit buiten het debat blijven van de presidentskandidaten in Mexico, die zich geheel wijden aan het ontdekken van tekort­komingen bij elkaar en de agenda van de toekomst links laten liggen.’

Uiteraard besefte Fuentes dat zijn tijd ten einde liep. Vorig jaar kocht hij een graf op de begraafplaats van Montparnasse in Parijs, in de buurt van zijn al in 1984 overleden vriend Julio Cortázar. Met de Argentijn Cortázar, de Colombiaan Gabriel García Márquez en de Peruaan Mario Vargas Llosa vormde Fuentes het kwartet dat in de jaren zestig en zeventig de ‘boom’ van de Latijns-Amerikaanse literatuur veroorzaakte. Een explosie van literair talent dat in een ommezien de hele wereld voor zich won.

Een ‘universele Mexicaanse schrijver’ noemde de Mexicaanse president Calderón (van wie Fuentes geen hoge pet op had) hem tijdens de nationale wake. De grootste Mexicaan was geboren in Panama, studeerde rechten in Mexico en economie in Zwitserland, woonde de helft van het jaar in Londen en wordt begraven in Parijs. Die eindbestemming was verplicht voor de schrijver, want op Montparnasse liggen twee van zijn kinderen die hij heeft overleefd.

Carlos Fuentes is dikwijls het etiket ‘het geweten van Mexico’ opgeplakt. Zijn romans zijn doordrenkt van de geschiedenis en de politiek van Mexico. Hij was, om een ouderwetse term te gebruiken, een geëngageerd schrijver, hoewel betrokkenheid bij wat er in de wereld gebeurt natuurlijk iets anders is dan een goede roman schrijven, zoals hij benadrukte tijdens ons gesprek in Londen: ‘De schrijver moet schrijven. Als burger heeft hij verplichtingen, net als elke andere burger. We hebben onze les geleerd. Pablo Neruda zei altijd: wij Latijns-Amerikaanse schrijvers rijden op een kar met twee paarden, een artistiek paard en een ­sociaal-politiek paard. Dat is onze traditie. Maar daarmee schrijf je nog geen literatuur.’ Fuentes omzeilde de valkuil meesterlijk en deed wat misschien het best is verwoord door collega-schrijver Jorge Volpi: ‘Hij maakte van Mexico een metafoor van de condition humaine.’

En een schrijver moet zich al helemaal niet in de dagelijkse politiek storten – zoals Mario Vargas Llosa deed toen hij zich in 1990 kandidaat stelde voor het presidentschap van Peru: ‘Ik respecteerde die beslissing maar was blij dat hij verloor. Iedereen kan president van Peru worden, maar alleen Vargas Llosa kan de boeken van Vargas Llosa schrijven.’

Niet de politicus uithangen, maar een intellectueel dient zich wel altijd, gevraagd en ongevraagd, in het publieke debat te mengen. Bij zijn dood maakte Fuentes, samen met enkele Latijns-Amerikaanse ex-presidenten, deel uit van de adviescommissie van de Verenigde Naties over het internationale beleid ten aanzien van de drugsproblematiek. Die commissie pleit zonder omwegen voor het openen van het debat over legalisering van drugs als enig alternatief voor de mislukte strategie om met militaire middelen een einde aan de internationale drugshandel te maken.

Mexico is voor de Mexicanen een pijnlijke obsessie, zegt een van de hoofdpersonen in De jaren met Laura Díaz. Dat gold zeker voor de Mexicaan Fuentes. Al met De dood van Artemio Cruz, het boek over de morele teloorgang van de Mexicaanse Revolutie waarmee hij in 1962 beroemd werd, gaf hij blijk van die obsessie die hem nooit zou loslaten. De roman, een van zijn beste boeken, sloeg in als een bom. Niet alleen vanwege de zeer experimentele stijl, die het tot een baanbrekend werk binnen de Latijns-Amerikaanse literatuur maakte, maar ook omdat de schrijver de propaganda van de eeuwigdurende en zaligmakende Mexicaanse Revolutie, die de sovjet-stijl-partijdictatuur van de Institutionele Revolutionaire Partij (pri) aan de man bracht, keihard doorbrak: al die mannen die zich de vertegenwoordigers van de Revolutie met een hoofdletter noemden, waren niets anders dan een bende corrupte zakkenvullers en machtswellustelingen. Grofweg wat nu de mening van elke doorsnee Mexicaan is, maar Fuentes schreef het wel vijftig jaar geleden.

In vrijwel zijn hele oeuvre is Mexico de hoofdpersoon, in romans als Terra Nostra (1975), De oude gringo (1985), De jaren met Laura Díaz (1999), De stoel met de adelaar (2003), tot en met zijn laatst verschenen roman Adán en Edén (Adam in het paradijs), waarin hij de directe medeverantwoordelijkheid van de cynische politieke klasse voor de drugsoorlog aan de kaak stelt.

Fuentes’ obsessie is niet zo bevreemdend, want Mexico heeft meer geschiedenis dan goed is voor een land. Vanaf de hoogontwikkelde indiaanse culturen die mensenoffers eisten, de gewelddadige verovering door de Spanjaarden, de bloedige revolutie van 1910 tot 1917 en de zeventig jaar lange partijdictatuur van de pri tot en met het absurde en grenzeloze geweld van de drugsoorlog.

Mexico is een ‘moeilijk’ land, schreef Fuentes, ‘waar zelfs de atheïsten in God geloofden en zelfs de hoeren katholiek, rooms en apostolisch waren’, waar ‘politiek de kunst is van het doorslikken van padden zonder een spier te vertrekken’, waar ‘je om intelligent gevonden te worden een boef moet zijn’, en waar de geschiedenis de mensen heeft getekend: ‘Wij Mexicanen zijn te vaak verslagen. Wij houden meer van verliezers. Die horen bij ons. Dat zijn wij.’

Dat allemaal was het materiaal waaruit de schrijver Fuentes een leven lang putte en waaraan hij een belangrijke dimensie toevoegde: ‘De geschiedenis is daar, de feiten, de analyses, de historici, maar zonder de verbeeldende en emotionele dimensie die de romanschrijver kan geven, zouden we slechts een halve, een verminkte geschiedenis hebben.’

‘Het is moeilijk Rusland te begrijpen zonder Tolstoj of Dostojevki, het Frankrijk van de negentiende eeuw zonder Flaubert en Balzac’, zei hij tijdens het lange privé-college dat ik van hem kreeg in zijn appartement in Londen. Op dezelfde manier kun je onmogelijk Mexico ook maar beginnen te begrijpen zonder het werk van Carlos Fuentes te lezen.


Het werk van Carlos Fuentes verscheen/verschijnt in Nederlandse vertaling bij uitgeverij Meulenhoff

Carlos Fuentes, De wil en het lot