Henk van Woerden 1947-2005

Schrijver, schilder, gastarbeider

Nog maar een maand geleden werd in galerie Espace in Amsterdam – waar ook nieuw beeldend werk van zijn hand was te zien – zijn roman Ultramarijn gepresenteerd, die een nieuwe richting in zijn schrijverschap leek aan te kondigen. Henk van Woerden was voor het feestje overgekomen uit Ann Arbor, waar hij sinds september als writer in residence aan de Universiteit van Michigan doceerde. Toen hij op woensdag 16 november niet op college verscheen, sloegen zijn studenten alarm. Van Woerden bleek in zijn slaap te zijn overleden. Hij laat een vrouw en twee kinderen achter.

Met Henk van Woerdens dood verliest Nederland een kosmopolitisch schrijver wiens oeuvre internationaal aftrek vond, misschien wel meer dan in zijn thuisland. Zelf beschouwde hij zich als een gastarbeider in de Nederlandse letteren. Sinds hij als negenjarige als gevolg van de emigratiewens van zijn vader vanuit Leiden in Kaapstad, Zuid-Afrika belandde, ging voor hem een wereld open die nooit meer helemaal dicht is gegaan.

Van welke taal hij zich ook bedien de – Nederlands, Zuid-Afrikaans of Engels – en in welke tak van de kunst hij zich ook uitte – literatuur, schilderkunst of muziek – het devies van zijn elitaire High School bleef hij trouw: nil nisi optimum (alleen het allerbeste). In de Nederlandse literatuur maakte hij een daverende entree met de roman over zijn jeugd Moenie kyk nie (1993). Hij moest dit boek naar eigen zeggen schrijven, en liet het schilderen er twee jaar voor liggen. Onmiddellijk was duidelijk dat hier een heel eigen stem klonk, anders dan in Nederlands proza gebruikelijk was: poëtisch, associatief, sterk beeldend en een tikkeltje precieus. De schrijver maakte er geen geheim van dat de roman over het uiteenvallende emigrantengezin Barkman zijn eigen geschiedenis was. Naast een portret van ontheemding en desintegratie schreef hij met dit boek de geschiedenis van een oog. Na ettelijke operaties in zijn vroege jeugd aan zijn linkeroog moest Van Woerden door het leven met een kunstoog. Moenie kyk nie opent met de aanzegging dat de ik-verteller zijn oog voorgoed zal moeten missen: «‹Zien doe je er toch niet mee…,› zegt moeder in het voorjaar.» Verderop in het boek wordt in een onvergetelijke scène beschreven hoe hij samen met zijn moeder in Kaapstad in de uitverkoop een nieuw oog aanschaft bij de opticien, waar de glazen ogen in rijen liggen uitgestald op het vilt: «De meeste zijn bruin, of aan zwart grenzend bruin – van gitdonker tot amber. Bij negers is het oogwit grijzer dan bij blanken, merk ik op. (…) We boffen; onder de glas ogen is er een die redelijk past, al is hij veel lichter, staalblauw haast, dan dat waarmee ik zie.» Het gegeven van de twee verschil lende ogen wordt door de schrijver ge raffineerd ingezet om zijn vertelling een dubbel perspectief te geven, dat gaandeweg symbolisch wordt voor de gespleten toestand in Zuid-Afrika. Moenie kyk nie werd onthaald als een droomdebuut, bekroond met de Geertjan Lubberhuizen-prijs en genomineerd voor de Libris Literatuurprijs.

In een interview met Ischa Meijer vertelde Van Woerden dat hij pas terug kon naar Zuid-Afrika – hij verliet het land toen hij 21 was, evenzeer walgend van de apartheidspolitiek als van zelfverheerlijkende activisten – toen hij zeker wist dat er wat was veranderd. Om tot zijn verbijstering te constateren dat het land onder een tijdsstolp had geleefd en er voor het oog schokkend veel hetzelfde was gebleven. Eens te meer werd hij zich bewust van het feit dat hij van jongs af aan had geleerd zich te conformeren aan het gezelschap waarin hij verkeerde, en dat hij drie taalkundige plattegronden voor gedrag in zijn hoofd had, in verschillende compartimenten: het prozaïsche Nederlands van zijn familie, het poëtische Zuid-Afrikaans van zijn omgeving, en het formele Engels van zijn klasgenoten.

De thematiek van de eeuwige buitenstaander keerde terug in zijn twee volgende romans, die zich allebei wederom in Zuid-Afrika afspelen. In Tikoes (1996) reist de verteller na jaren van afwezigheid naar Zuid-Afrika, in het gezelschap van zijn nieuwe vriendin Tikoes, een Duitse vrouw met een Chinees-Indische achtergrond. Ook zij blijkt haar verleden met zich mee te torsen, en het is de vraag in hoeverre beide dolende zielen zich ergens echt thuis kunnen voelen. In Een mond vol glas (1998) reconstrueert Van Woerden het leven van de man die in 1966 de Zuid-Afrikaanse premier Verwoerd, grondlegger van de apartheidspolitiek, doodstak tijdens een parlementszitting. Via deze Demetrios Tsafendas schetst Van Woerden het schimmige emigrantenbestaan van een kleurling, en geeft daarnaast persoonlijke impressies van Zuid-Afrika toen en nu. Zo beschrijft hij hoe hij op de avond van de moord als negentienjarige student met de andere studenten van de Engelse universiteiten mee feest, «in de bovenstad, aan de rand van Distrik Ses», de beruchte sloppenwijk. «Was ik maar zwart geboren.» En hoe hij, «bleekscheet, langneus, angsthaas», zich dertig jaar later met dezelfde schizofrenie door de straten beweegt.

Met Notities van een luchtfietser (2002) bleef Van Woerden op het terrein van de literaire journalistiek, ergens tussen fictie, documentaire en reisverhaal in. Als kind werd hij «Dwalie» genoemd, vertelt de schrijver de kinderen van een klasje in Durban dat hij bezoekt. Een dromer, een luchtfietser. Vooral opvallend in de notities van deze dwaalgast is het verhaal De fuik, waarin hij beschrijft hoe hij zoveel jaren na dato achter de ware reden komt van zijn vaders wens naar Zuid-Afrika te emigreren. Zijn vader was niet alleen een slechterik – zoals hij hem ook al in het eerder genoemde interview met Ischa Meijer had omschreven – maar ook nog eens een fouterik die wist dat hij alleen nog in Zuid-Afrika welkom was. Nogal wat critici verwachtten of hoopten dat Van Woerden deze navrante ontdekking nog eens verder zou uitwerken voor een roman, maar de schrijver zelf was er klaar mee, zei hij in een interview: «Dit is precies wat ik wilde zeggen.»

In hetzelfde interview, naar aanleiding van de uitreiking van de Frans Kellendonkprijs voor zijn literaire werk (2004), zei Van Woerden zich verwant te voelen met de Turkse en Marokkaanse Nederlanders. Hun «gevoel van nostalgie» herkende hij sterk: «Als ik iets heb willen behandelen in mijn vier boeken dan is het dat: het gevoel van gemis.» Zijn grote roman over gemis moest toen nog verschijnen. Voor Ultramarijn heeft hij zich blijkens zijn nawoord laten inspireren door musici, schrijvers, schilders en dichters uit «het Mediterrane». Het land waar zijn boek zich voor het grootste deel afspeelt, houdt het midden tussen Turkije en Griekenland. Joakim, diens halfzus Aysel en hun dochter Özlem zijn migranten, ontwortelden. Özlem vergelijkt zichzelf in dit opzicht met een meeuw: «Die weet ook niets van waar hij eens vandaan kwam.» Behalve door de politieke geschiedenis van hun land van herkomst wordt hun lot bepaald door de onmogelijke liefde tussen broer en (half)zus, en de vrucht die daarvan het gevolg is. Als hun vader vermoedt dat zijn dochter zwanger is, ontvoert hij haar min of meer naar Duitsland, alwaar zij een eigen bestaan opbouwt. Joakim blijft achter en zal de rest van zijn leven op zoek blijven naar de schim van Aysel, die hij uiteindelijk zal vinden in Özlem. Niet wetende dat zij niet alleen Aysels dochter is, maar ook nog eens die van hemzelf.

Ultramarijn vertelt een wonderschoon en schaamteloos fataal verhaal, waarin luitmuziek ten gehore wordt gebracht die «de leegte tussen twee wezens oplicht» en waarin mensen hun leven ervaren als «doormidden geknipt». De sterk evocatieve kracht waarmee hij in deze roman het gevoelsleven van migranten beschrijft, duidt erop dat Henk van Woerden de scheidswanden tussen de compartimenten in zijn hoofd uiteindelijk heeft weten te slechten. Het is moeilijk verteerbaar dat zijn hart het niet veel langer heeft vol gehouden.