Schrijver zijn en blijven

Ab Visser kende nooit een ‘doorbraak’ in de literaire wereld van na de oorlog. Misschien omdat hij weigerde zich bij een of andere ‘moderne club’ aan te sluiten. Hij ging zijn eigen, bittervrolijke gang.

Michiel van Diggelen, Ab Visser. Biografie, € 29,50

Medium abvisservoorkant

Toen ik naar Leeuwarden verhuisde, abonneerde ik me op de Leeuwarder Courant en knipte ik de vrolijkdwarse, soms provocerende, maar altijd persoonlijke recensies uit van Ab Visser (1913-1982). Het waren lange recensies, vaak meer dan 1200 woorden, ze hadden iets volstrekts onbevangens en informeels. Je kreeg het idee dat hij je in het café over boeken bijpraatte. Hij nam bepaald geen blad voor de mond, zo schreef hij bijvoorbeeld over De walgvogel (1974) van Wolkers: ‘Er wordt weer naar hartelust afgerukt en genaaid en wie van anale seks houdt of aan een faecessyndroom lijdt (en dat zijn niet alleen demente bejaarden en debielen) kan ruimschoots aan zijn trekken komen.’ Hiervan zullen sommige abonnees van de krant beslist hebben opgekeken. Hij hoorde ook niet tot de recensenten die voor de zekerheid álle boeken van literaire sterren meteen maar goed vonden. De roman Een lied van schijn en wezen van Cees Nooteboom waardeerde hij bijvoorbeeld zeer, maar een van diens reisboeken kreeg keiharde kritiek. ‘Wat blijft er dan over? Nu ja, de kinderhand van Avenue is gauw gevuld en fraai opgeklutst lijkt het snel wat. Maar laten we het dan knus binnen de covers van dat onvolprezen damesblad houden en er niet nog eens een apart boek van uitgeven. Over en uit.’ Op 28 maart 1981, een jaar voor zijn dood, schreef Visser in de Leeuwarder Courant

onder de titel ‘Leven met boeken’ een kleine terugblik op zijn leven met daarin: ‘Mijn vader, een stroschipper, was afkomstig uit Hardegarijp. Hij leerde mijn moeder, die in Hijum geboren was, in Rijperkerk kennen waar ze dienstmeisje was bij een rijke boer. Mijn vader was een lieve, maar niet bijster intelligente man. Mijn moeder daarentegen had “met lof” haar drie-jarige-lagere-school-diploma gehaald. Ik ben dus het product van een woudfries en een kleifriezin en in mij verenigen zich derhalve domheid (volgens Greshoff moet een romanschrijver een zekere mate van domheid bezitten) en intelligentie (daarom heb ik het tot uw recensent gebracht).’ Wat een mooie, ingehouden woede klinkt toch ook door in dit verder zo geestige fragment.

Over deze bittervrolijke Ab Visser schreef Michiel van Diggelen een mooie biografie, die niet alleen het leven van deze veelschrijver met al zijn hang-ups en rariteiten gedetailleerd en overtuigend in beeld brengt, maar ook een fraai overzicht geeft van het literaire leven en de literaire mores van vorige generaties. Wie nog steeds gelooft dat er tot aan de Tweede Wereldoorlog alleen door Menno ter Braak en E. du Perron interessante literatuur werd geschreven, vindt hier een schat aan informatie over ‘de anderen’. En na de oorlog had je waarachtig nog meer schrijvers dan de wereldberoemde grote vier (of waren het vijf?) en de ‘experimentelen’. De anderen zijn nu natuurlijk allemaal verdwenen. Ze komen niet voor in lijsten van de Beste Honderd Boeken uit de Nederlandse literatuur, wat toch ook een opluchting is, omdat we van de canon-controleurs verder niks meer hoeven te lezen, maar Van Diggelen haalt ze onder het stof vandaan. En dus komen we Bertus Aafjes, A. Marja, Clara Eggink, Cees Buddingh, Gerard den Brabander, Ferdinand Langen, Maurits Esser, Jan Greshoff, Havank, Hans Martin, Gerard van Wessem, Gerben Colmjon, Clare Lennart, Roest Crollius, Rico Bulthuis et cetera tegen. Wat dit betreft functioneert deze biografie als een encyclopedie van vergeten schrijvers, waar ik af en toe enigszins beklemd in zat te lezen. O ja, en die en die, en die ook. Van Diggelen slaagde erin de wereld van deze schrijvers en die van Ab Visser in de herinnering te roepen zonder ook maar een schijn van historische vertedering (ach gut) of van, nog erger, arrogantie over het verleden in zijn betoog te laten doorklinken. Zo liepen de hazen destijds, dit en dit waren hun kleuren en hun netwerken en daar hoeven we niet ineens net over te doen alsof we het nu allemaal achteraf beter weten.

Visser wist zich langzamerhand een zekere plaats te verwerven binnen het literaire landschap, voor de oorlog eerst in christelijke kring, omdat hij daar nu eenmaal vandaan kwam, maar later toch ook daarbuiten. Zijn eerste dichtbundels kregen waardering, Vestdijk schreef over het gedicht Utopia uit de bundel Facetten (1936) in de Nieuwe Rotterdamse Courant dat het ‘blijvend in de herinnering zou blijven’. Ook de bundel Dubbelster (1937) kreeg van Vestdijk een lovende kritiek. Hij wees op een belangrijk kernthema van Vissers werk: zijn verlangen naar het nieuwe en onbekende en tegelijk zijn hardnekkige gebondenheid aan het oude. Hij kon de traditionele wortels van zijn schrijverschap niet helemaal van zich afschudden, misschien was dat de reden dat hij nooit ‘doorbrak’ in de literaire scene van na de oorlog. Hij weigerde zich bij de een of andere ‘moderne club’ aan te sluiten, verdomde het om eeuwig lippendienst te bewijzen aan wat ‘in’ was, wat uiteraard sterk te prijzen valt, maar tegelijkertijd toch ook zijn toenemende isolement bespoedigde. Van Diggelen laat dit allemaal gedegen en overtuigend zien. Visser begon in zijn latere leven steeds meer te koketteren met zijn ‘onafhankelijkheid’ en kon het af en toe niet laten ook half rancuneus te zijn over succesvolle collega’s. Maar hij wist die rancune en somberheid over zijn soms minder gelukkig verlopende carrière altijd prima te compenseren met snijdende zelfkritiek en uiterst geestige zelfspot; de biografie staat vol voorbeelden.

Visser had overigens genoeg reden om somber te zijn. Hij leed aan de ziekte van Bechterew, een bijzonder pijnlijke en chronische gewrichtsontsteking die tot stijfheid leidde en zich bij hem tot de wervelkolom uitbreidde. Visser begon in de loop van zijn leven steeds meer op een gebochelde te lijken, hij was zo krom als een hoepel en leed altijd pijn. Maar hij bleef hier forse grappen over maken, hem kreeg je niet zo gauw klein. ‘En wat voor ziektes zitten er bij jullie in de familie’, vroeg hij wel wanneer hij aan onbekenden werd voorgesteld en hun verbaasde of medelijdende blikken zag. Dat hij zo verbluffend veel schreef, is een wonder. Van Diggelen geeft een gedetailleerd overzicht van zijn werk, dat van een diversiteit was die je de adem beneemt. Hij schreef in totaal 73 werken: poëzie, jeugdboeken, romans, essays, een biografische studie over Guido Gezelle, griezelverhalen, reisboeken, detectives, studies over detectives en dan vergeet ik ongetwijfeld nog een paar genres. Hij besloot al rond zijn twintigste jaar van schrijven zijn beroep te maken en hield dat tot zijn dood vol. Hij weigerde zich te specialiseren in een genre, volgens hemzelf droeg juist dat bij aan zijn tamelijk geringe bekendheid en succes, al scoorde hij vaak genoeg herdrukken en af en toe hoge oplagen. Hij had vermoedelijk te weinig geduld om zich vast te bijten in alleen de literaire romankunst, bovendien verdiende je daar (ook toen) weinig mee en dus schreef hij over alles wat los en vast zat. Altijd maar schrijven, soms maandenlang drieduizend woorden per dag, vaak werkte hij aan verschillende boeken tegelijk. Hij schreef daarbij ook recensies en andere stukken voor diverse kranten als Het Vrije Volk, De Telegraaf, de Leeuwarder Courant en tijdschriften. Lange tijd had hij geen vast adres en leefde hij ‘uit koffers’. Dus van het ene pension, hotel, huuradres naar het andere, soms woonde hij tijdelijk bij vrienden in, soms bij vriendinnen. Ik las er met stijgende verbazing (en bewondering) over, Visser was een zeer speciale kerel, dat is wel duidelijk. Hij was jarenlang het middelpunt van een grote kring fuifnummers die elkaar de stuipen op het lijf joegen met allerlei ‘practical jokes’. Over zijn liefdesleven zijn minstens drie romans te schrijven. Zelfs Van Diggelen, die Visser volkomen terecht altijd goed gezind is, kan zijn verbazing – misschien is verbijstering een beter woord – over de ménage à trois die hij er jarenlang op nahield, zonder dat veel van zijn vrienden dit wisten, niet helemaal onder stoelen of banken steken.

De afgelopen weken heb ik een flink aantal Vissers gelezen en herlezen. Ik kende al een paar detectives, hij was op dit gebied een voorloper van de huidige hausse en sloot zich aan bij de Amerikaanse hard-boiled traditie. De held uit bijvoorbeeld Het kind van de rekening (1969) heeft veel trekjes van Visser zelf, hij lijdt aan allerlei complexen, heeft vervelende relaties met vrouwen achter de rug en lijdt in dit verband aan sterke minderwaardigheidsgevoelens. Er komen forse seksscènes in voor waarin lust en schaamte dwars door elkaar lopen. ‘We beleefden er nauwelijks plezier aan. Ik voelde een ontzettende, onverklaarbare leegte, een diepe schaamte, gleed van het bed en kleedde me onhandig aan.’ De deprimerende novelle Het agentschap (1949), een van zijn grote successen, er werden meer dan dertigduizend exemplaren verkocht, stond in de boekenkast van mijn ouders. Ik las het destijds en nu weer. Een zwartgallig, maar mooi opgezet en ingehouden klein meesterwerk over een burgerman die zich in dienst stelt van een organisatie die lichamen opkoopt voor de wetenschap. Uiteindelijk slaagt hij erin alleen zijn eigen lichaam te verkopen. Dit verhaal is een hoogtepunt en het kreeg terecht zeer goede recensies. In een rustige stijl, die enigszins refereert aan die van Elsschot, laat Visser de verschrikkingen van en de schaamte over armoede langzaam tot je doordringen. Hij kleurt het leven van zijn hoofdpersonages voortdurend in via fraaie natuurbeschrijvingen waarin hij altijd al uitblonk. Voorjaar ziet er bij hem zo uit: ‘Een heel jong, fris groen sidderde over de struiken en de krokussen kleurden de grond als vluchtige spatjes verf een bruin palet.’ Dit komt toch wel zeer dicht in de buurt van het gelukkige schrijven. IJzersterk vond ik ook de min of meer autobiografische romans over zijn jeugd, De buurt (1953) en De vlag halfstok (1955). In De buurt kom je een scène tegen die mooi het zwartgallige mensbeeld van Visser onder woorden brengt: ‘Wij zagen de mensen traag bewegen als in kijkkasten, wij waren soms ook getuige van een ruzie of een stoeipartij. En wat wij zagen had iets onwerkelijks. Het is alsof mensen, die zich onbespied wanen, figuren uit een droomwereld zijn, of ze niet echt leven, maar automatisch zich bewegen.’ Vermakelijk vond ik zijn jeugdroman voor meisjes Een ander geluk (1954, ik las de herdruk in de Witte Raven-reeks) met een verhaal over twee meisjes die verliefd zijn op dezelfde jongen. Veel invloed van Cissy van Marxveldt maar toch een eigen Ab Visser-stijl, met zeer besliste waarnemingen erin, bijvoorbeeld over ene Bram: ‘In zijn hart was hij een vriendelijke, zachte jongen, maar veel met zichzelf bezig en daarom wantrouwend van aard.’ Las ik hier een zelfportret, of ga ik nu te ver? Met overigens verder in dit boek veel fraaie meisjesgevoelens, al wist Visser er geen mooi einde aan te bakken, het loopt allemaal met een sisser af. Zeer vermakelijk is Het klooster van Sint Juttemis (1974), Vissers af en toe valse maar ook hilarische herinneringen aan zijn veelvuldige verblijf in buitenplaats De Pauwhof in Wassenaar. Veel schrijvers en kunstenaars komen voorbij, met al hun zwakheden, drankzucht, geilheid en half of heel wangedrag. Met bijvoorbeeld deze plastische beschrijving erin: ‘Ik verraste eens per ongeluk een jonge schilder in bed met zijn vrouw, terwijl ze net tegen de climax aansteigerden.’

Ik ga hier ten slotte niet proberen Ab Visser ineens een topplaats te bezorgen binnen de Nederlandse literatuur, ook Van Diggelen onderneemt hiertoe godzijdank geen pogingen. Daarvoor schreef hij veel te divers en was zijn werk te sterk wisselend van kwaliteit. Maar ik geloof niet dat het hem in de grond ook maar een bal kon schelen of hij wel of niet goedgekeurd was door de literaire goegemeente. Natuurlijk voelde hij zich wel eens miskend en was hij dus blij met complimenten, die hij regelmatig toch ook kreeg. Maar hij bereikte wat hij wilde bereiken, dwars tegen al zijn lichamelijke en psychische problematiek in: schrijver zijn en blijven. Meer is er niet.

Michiel van Diggelen

Ab Visser: Biografie

Passage, 411 blz., € 29,50