Schrijveritis

ENRIQUE VILA-MATAS
BARTLEBY & CO.
Uit het Spaans (Bartleby y compañia, 2000) vertaald door Adri Boon, De Bezige Bij, 189 blz., € 18,50

Wie bij Melville in de eerste plaats of alleen aan Moby Dick denkt, de grote roman over de frenetieke achtervolging van een witte walvis, heeft er met de novelle over de kantoorklerk Bartleby, Bartleby, the Scrivener (1853) een mooi raadsel bij. Alleen al door de tegenstelling tussen de opgewonden kapitein Ahab, een kruitvat van daadkracht, en de lusteloze bleekscheet die op een advertentie van een notaris reflecteert. Later blijkt de klerk werkzaam te zijn geweest op een kantoor voor onbestelbare brieven (in het Engels treffend dead letters geheten). Het verhaal van de klerk wordt verteld door de notaris, die geen raad weet wanneer de onberispelijke kopiist na drie dagen op de vraag of hij iets méér wil doen, kopieën op fouten controleren, zegt: I would prefer not to… Dat is zijn antwoord op alle vragen en verzoeken, of hij boodschappen wil doen, of hij ontslag wil nemen, of hij van de trapleuning weg wil gaan (wat doet u? ik zit op de trapleuning), of hij wil eten – dat is op het eind wanneer hij in de gevangenis zit, alle eten weigert en tegen een muur, in foetushouding liggend, doodgaat.

De ontkennende noch bevestigende zin is legendarisch geworden. In het Nederlands is hij vertaald als ‘Ik doe het liever niet’; in het Engels is het ongewoner en onbestemder; wat in het Nederlands beter tot zijn recht zou komen als ‘Dat deed ik liever niet’ of nog korter ‘Liever niet’. Bartleby zegt niet ronduit nee, zegt ook niet wat hij wel wil, alleen dat hij het gevraagde liever niet doet, wat ook geldt voor wat hij (nog) wel doet. Het doodlopende zinnetje sticht grote verwarring.

De Spaanse schrijver Vila-Matas (1948) maakte in 1999 van Bartleby de hoofdpersoon van zijn roman. Al in de titel zet hij de naam in het meervoud, en al meteen heeft hij het over ‘het syndroom van Bartleby’, een ziekte waaraan ook zijn verteller zelf zegt te lijden, een literaire kwaal van de eerste orde: ‘de endemische kwaal van de hedendaagse letteren, de negatieve drift of de aantrekking tot het niets’. Eenvoudiger gezegd, het gaat over mensen die ophouden met schrijven. De verteller-hoofdpersoon heeft zelf na zijn debuut 25 jaar gezwegen en zuigt nu het beetje inkt dat er nog in zit uit de spaarzame literaire scheppingen en schepsels van de lijders aan de gediagnosticeerde kwaal, met als resultaat dit dagboek met 85 fragmenten, die hij ‘voetnoten’ noemt ‘bij een onzichtbare tekst’. De lezer doet er goed aan dit soort zinnen op stelten onder de knie af te zagen; zo’n tweede vertaling maakt het boek meteen een stuk minder hoogdravend. Het is alsof de schrijver zichzelf voortdurend iets wil wijsmaken. Dat heeft, denk ik, te maken met het misverstand waarop het hele boek berust. Bartleby is geen schrijver, maar een scrivener, een klerk, een kopiist (het beroep en de hobby van Bouvard en Pécuchet).

Het syndroom had beter ‘de ziekte van Lord Chandos’ kunnen heten, naar Een brief (1902), een beroemde tekst van Hugo von Hofmannsthal. Hierin gaat het om een brief die ene Lord Chandos aan Francis Bacon geschreven zou hebben om aan te kondigen dat hij nooit meer zal schrijven, omdat geen ding zich meer in woorden liet uitdrukken. De Brief komt in Bartleby & Co. meermalen ter sprake, maar Vila-Matas begaat meteen de kardinale fout door van de tekst te zeggen dat daarin ‘de Weense auteur, tevergeefs, belooft, nooit meer een regel te schrijven’. Zelfs bij Lord Chandos is het al de vraag of ontoereikendheid van de taal meteen een deficit van de literatuur betekent, al is het maar omdat schrijven juist tegen die bierkaai vecht – het is dé beweegreden van het schrijven. Hofmannsthal gaf er dan ook helemaal de brui niet aan. Hofmannsthal schreef door, natuurlijk, maar voor Vila-Matas is elke schrijver die het óver de moeilijkheid of onmogelijkheid van het schrijven heeft, of een schrijvend personage opvoert dat moeilijkheden maakt, zelf al meteen iemand die lijdt aan deze ‘endemische kwaal’. Endemisch? Inheems, elders niet voorkomend, lokaal bepaald: bedoeld is een ziekte van de moderne literatuur. Om op de conclusie vooruit te lopen: de zojuist geciteerde formule komt ettelijke keren in het boek voor, steeds vergezeld van de optimistische gedachte dat deze negatieve fixatie ‘de enige interessante tendens is van de hedendaagse literatuur’, dat deze ‘spookboeken’ de enige uitweg zijn. De kwaal is dus het geneesmiddel.

Bartlebys (m/v) zijn ‘wezens, waarin een radicale afwijzing van de wereld schuilt’, staat op de eerste bladzijde, maar onder de honderden figuren (schrijvers en personages) die Vila-Matas ten tonele voert is er nauwelijks één die de wereld afwijst of zelfs maar rebelleert – en dan nog zou de vraag zijn: welke wereld, wat voor weigering, waar en hoe? Met het oog op Bartleby is dat al moeilijk te zeggen, het nee betreft hier namelijk hoofdzakelijk of alleen een weigering van het schrijven. Vila-Matas heeft het meer over Melville dan over Bartleby, die maar meteen als spiegelbeeld wordt gezien. Vila-Matas maakt trouwens niet eens onderscheid tussen schrijven en publiceren (waarmee hij minstens twee van zijn kroongetuigen tekort doet: Robert Walser en Franz Kafka). Het gaat dus om personen die na een of twee boeken ophouden met schrijven (of publiceren). Bartleby is voor al die uiteenlopende types en figuren een noemer, die echter niet kan verhelen dat er geen gemene deler bestaat voor alle verschillende redenen om met schrijven op te houden of er niet eens aan te beginnen. Vila-Matas citeert er lustig op los, personages en schrijvers op één hoop gooiend – dat gaat zo: ‘In deze twee verhalen (‘Wakefield’ van Hawthorne en ‘Bartleby, de klerk’ van Melville – jv) wordt ergens van afgezien (in het eerste van het huwelijksleven en in het tweede van het leven in het algemeen) en hoewel het hier niet concreet gaat om het afzien van de literatuur, toch is het gedrag van de hoofdpersonages een voorafschaduwing van de toekomstige spookboeken en andere vormen van afwijzing van het schrijven die niet lang daarna het literaire toneel zouden overspoelen.’ Wat je met ‘hoewel-toch’ voor kunstjes kunt flikken; het werkt hier als een scharnier tussen twee nee’s, de literaire staking en de weigering van een bepaald leven.

Ger Groot zei in zijn kroniek onlangs van een andere roman van Vila-Matas, De waan van Montano, een vervolg op Bartleby, over mensen die nog alleen in boekentaal kunnen denken, dat er in ‘deze ál te literaire poëzieschool’ iets ontbreekt. Ik zou zeggen: een idee. Het is het verschil tussen verzamelen en werken vanuit een bindend idee. Bartleby is een verzameling namen, titels en anekdotes die op niet meer dan een ideetje gebaseerd is. Zeker, af en toe een smakelijk samenraapsel, daarom kan de lezer maar één ding doen: graaien in de grabbelton en eruit halen wat van zijn gading is. Jammer dat de Nederlandse uitgave geen register en bibliografie heeft, dat had snoepen vergemakkelijkt.