INTERVIEW MET HERMAN BRUSSELMANS

‘Schrijvers liegen’

Herman Brusselmans is net vijftig geworden. Belangrijker is dat hij 25 jaar schrijver is. Hij werkt aan zijn 48ste boek. Feestelijkheden genoeg voor een gesprek over de liefde, de literatuur en de dood. Omdat de rest banaal is.

‘De laatste paar jaar schrijf ik niet autobiografisch, omdat ik te weinig beleef’, zegt Herman Brusselmans. In september verscheen zijn 47ste boek, De perfecte koppijn, deel twee van zijn trilogie over het leven van de succesvolle Vlaamse schrijver Danny Muggepuut.

Gebeurt er ook niks in je hoofd?

‘In mijn hoofd ben ik meer bezig met het leven van Danny Muggepuut dan met dat van mezelf.’

Muggepuut beleeft ook niet zo erg veel.

‘Nee, toch heeft hij het redelijk druk met het organiseren van een boekpresentatie, het schrijven van een nieuw boek, het bezoeken van zijn zieke vader, het oppikken van vrouwen en met piekeren, bijvoorbeeld over zijn minivoetbalelftal, dat met opheffing wordt bedreigd.’

Zelf ben je ook voorzitter-coach van een minivoetbalclub.

‘Ja, maar dat is niet autobiografisch, natuurlijk.’

Vorige maand werd je vijftig, deze maand ben je precies 25 jaar schrijver – je eerste boek verscheen in november 1982. Doet dat je wat?

‘Die vijftigste verjaardag interesseerde me niet zo veel, dat is gewoon de tijd die verder loopt. Maar 25 jaar schrijverschap, dat is iets wat je gedaan hebt, in 25 jaar heb ik 47 boeken geschreven. Mijn uitgever brengt voor deze gelegenheid een cassette uit met mijn eerste zeven boeken, allemaal in nieuwe uitgave, heel mooi. Dat vind ik leuk, want dat heeft te maken met mijn werk.’

Je hebt wel eens gezegd dat de topjaren van een man tussen de veertig en vijftig liggen. Zie je de toekomst somber in?

‘Nee, op je vijftigste moet je geen mooie dromen meer hebben, dat vind ik een beetje zielig. Maar wat zijn de dingen die ik nog niet bereikt heb? Een vertaling die succes heeft in het buitenland, een absolute bestseller waarbij ik driehonderdduizend exemplaren van één titel verkoop, dat zou allemaal leuk zijn, maar echt belangrijk vind ik het niet. Ik ga gewoon weer zitten aan dat bureautje en verder schrijven. Met dezelfde vrouw, in hetzelfde huis en met dezelfde hond hoop ik een paar jaar verder te krabbelen. Dat lijkt me het enige wat ik echt voor ogen heb.’

Vind je het niet erg dat je topjaren voorbij zijn?

‘Lichamelijk en geestelijk ga ik wel achteruit: mijn geheugen wordt minder, ik ben minder alert en spits, het gaat allemaal iets trager. Ik kan me ook niet zo lang meer concentreren. Toen ik dertig was kon ik makkelijk zes uur aan een stuk rammen op die machine, nu heb ik het na een uur of drie wel gehad.’

Ben je ook milder geworden?

‘In feite niet, maar ik ben wel milder gaan schrijven, omdat ik een paar jaar geleden dat proces heb verloren: Ann Demeulemeester die me aanklaagde wegens belediging en smaad. Sindsdien kijk ik wel uit wat ik schrijf over bepaalde mensen. En na de moord op Theo van Gogh al helemaal. Zijn film over de onderdrukking van moslimvrouwen was een van de redenen om hem te vermoorden, alsof het niet zo is dat de vrouw een lastdier is in landen als Afghanistan. Daar word ik woedend van, want ik ben een feminist, maar ik kijk toch uit wat ik doe met die woede. Moslims hebben geen gevoel voor humor. Zelfs moslims die driekwart Belg zijn bij wijze van spreken verdragen geen kritiek op islamitische zaken. Omdat ze niet kunnen relativeren. Noem eens één moslim met gevoel voor humor. Misschien die ene cabaretier in Nederland, hoe heet-ie…’

Najib Amhali. Maar die vind ik niet zo grappig.

‘Nee, die is ook al niet grappig. Hoe dan ook, in mijn opvattingen ben ik niet milder geworden. Ik vind nog altijd negentig procent van de wereld ongelooflijk dom en lelijk en achterlijk. Dat baseer ik op wat ik lees en hoor en op televisie zie, want zoals je weet kom ik niet graag buiten Gent. Kijk, mijn vader was veehandelaar en die ging nooit op reis omdat hij zijn dieren niet wilde laten verhongeren. Die zei altijd: als mensen op reis gaan, gebeurt er altijd wat. En dat is waar, als je erop let. Ik ken een jonge man die met geplette voeten terugkwam van zijn huwelijksreis. Een toeristenbus was over zijn voeten gereden. Dus op mijn eigen huwelijksreis ben ik thuisgebleven. Tania is alleen gegaan.’

Thuis kun je heel erg gaan piekeren.

‘Ja, maar daar zit ik al lang niet meer mee. Ik ben een piekeraar, dat hoort bij mij, maar dat hoort ook bij mijn vak. Ik denk veel na over waar ik mee bezig ben. De ene keer denk ik: het moet nog beter, en dan weer denk ik: ik stel helemaal niets voor en ik heb geen talent. Dat zijn periodes, of momenten zelfs, soms zit ik maar twee minuten in de put, en daarna ga ik weer door. Als je problemen niet op kunt lossen, moet je er gewoon mee leven. Als ik een beetje manisch ben, denk ik dat mijn 47 boeken alle meesterwerken zijn, ben ik depressief, dan vind ik het alle 47 kutboeken. Zoals altijd ligt de waarheid ergens in het midden.’

Beschouw je ‘De kus in de nacht’ nog steeds als je beste boek?

‘Nee, dat zei ik altijd omdat het ook het duurste was. Maar er is nu een midprice-editie van: vijftien euro om precies te zijn.’

Misschien moet je voortaan die hele cassette noemen.

‘Die cassette kost 75 euro voor zeven boeken, dus dat is ook nog best goedkoop.’

Wie is de nieuwe mooie jonge oppergod der Vlaamse letteren? Heb je een opvolger?

Herman Brusselmans: ‘Er is nu wel een nieuwe generatie schrijvers opgestaan. Je hebt Dimitri Verhulst, Saskia de Coster en Christoph Vekeman. Dat werd tijd ook, want Kristien Hemmerechts, Tom Lanoye en ik zijn jarenlang een generatie geweest die geen opvolging had. Dat was ik wel een beetje zat. Ik ben tenslotte al vijftig, Kristien Hemmerechts is 53 en Tom Lanoye 48. Maar die jonge schrijvers hebben nog wel wat te bewijzen, zeker Dimitri Verhulst. De helaasheid der dingen vond ik geen slecht boek hoor, maar ik vond ook niet dat iedereen dat nu meteen zou moeten lezen. Wel maakt zo’n bestseller de literatuur wat bruisender, iedereen wil ineens naar de boekhandel om dat boek te gaan kopen, misschien kopen ze dan nog iets anders ook. Maar om Dimitri Verhulst nu meteen de nieuwe mooie jonge oppergod te noemen, daar zou ik nog wat mee wachten.’

Schrijver en journalist Ed van Eeden schreef jaren geleden dat je een existentiële huiver hebt voor eenzaamheid, dood en geweld. Heb je die angst inmiddels onder controle?

‘Mijn hele manier van leven is een verdedigingsmiddel tegen de angst. En ik heb goeie pillen nu. Die heeft mijn neuroloog drie jaar geleden speciaal voor mij samengesteld. Sindsdien zijn mijn angstaanvallen weg. De hele jaren tachtig heb ik angst gehad: tien jaar lang, dag in, dag uit enorme zweetaanvallen en paniek. Dus begon ik te zuipen om het te verdoven, maar daar word je dan ook weer ziek van, hè. Ik ben gestopt met drinken omdat ik er echt niet meer tegen kon. De oorzaak van die angst heb ik nooit willen achterhalen. Waarschijnlijk heb ik een paar klappen tegen mijn kop gehad van mijn vader toen ik drie was, een gewelddadige omgeving in je jeugd, dat kan vijftig jaar later nog op je werken, maar dat interesseert me eigenlijk geen fuck. Ik ben wel bij een psychiater geweest, maar dat duurde me te lang. Die man zei: je moet tien à twintig keer terugkomen en dan zullen we dat analyseren, maar ik had direct de oplossing van het probleem nodig. Dan kom je bij medicijnen terecht.’

Waar kwam die gewelddadigheid vandaan?

‘Dat kwam vooral door het vak van mijn vader. De veehandel is heel hard, je hebt te maken met levende beesten van achthonderd kilo, met agressie tussen mens en dier, tussen dieren onderling en tussen mensen onderling. Ja, weer zoiets, een jeugd die niet perfect is, en toch moet je dan gewoon doorspartelen.’

Niet perfect? Donkergrijs en herfstig noemde je het ooit.

‘Ja precies, mijn vader kon een klootzak zijn en agressief en onberekenbaar enzovoort, maar nu zit hij in een rolstoel in een rusthuis aan de nierdialyse. We gaan er iedere zondag naartoe en dan zie ik hem zoals hij is: een oude, versleten man op weg naar het einde, voor wie ik toch nog wel iets wil betekenen. En dat-ie soms een klootzak was heb ik niet verdrongen, maar opzij gezet.

Mijn leven nu is tien keer beter dan in de jaren tachtig, toen ik echt mijn best deed om op een normale manier te functioneren. Ik dacht altijd: ze zien aan mij dat ik op dit moment kapot ga van de angst, maar dat bleek niet zo te zijn. Ook het leger heb ik toen doorploeterd: nachtkampen, slapen in de kazerne en met geweren schieten. Mijn hartslag was daar continu 130 en ik dacht voortdurend dat ik een hartaanval kreeg. Wat ik daar ontdekt heb, is dat de mens toch redelijk sterk is, geestelijk en fysiek. Dat je niet te snel moet denken: dit kan ik niet aan. Ofwel maak je er een eind aan en ben je ervan af, ofwel zeg je: oké, ik heb angst of ik heb geplette voeten of ik heb een zere lever, maar morgen is er weer een dag. Dus dat heb ik mijn hele leven gedaan, en nog eigenlijk.’

Zou je zeggen dat je nu een goede relatie met je vader hebt?

‘Nu wel ja, want nu is hij trots op wat ik doe. Als er een nieuw boek van mij uit is, wil hij dat altijd hebben. Nee, hij leest mijn boeken niet, daar ben ik zeker van. Hij heeft ook last van zijn ogen en zo. Maar als ze in dat rusthuis zeggen: “Ik heb je zoon op televisie gezien”, dan leeft hij daar helemaal van op. Dat vind ik goed, dat ik tenminste dat voor hem kan betekenen. Hij is ook dol op Tania, zij is een soort buffer tussen mij en hem.’

Ben je nog bang voor de dood?

Herman Brusselmans: ‘Niet meer zo voor de dood, maar wel voor het sterven. Ik wil geen longkanker of botkanker of een andere ziekte waar je veel pijn van hebt. Daarbij ben ik ook nog hypochondrisch. Maar het is niet zo dat hypochonders niet ziek worden hè, dus ergens is die angst wel terecht.’

Soms wilde ik dat ik ook doodsangst had, volgens mij word je daar heel productief van.

‘Dus jij bent niet bang om te sterven.’

Nee, ik denk het niet.

‘Je denkt het niet? Dus wel, hè. Maar mijn productiviteit heeft met doodsangst niets te maken. Die boeken komen er gewoon omdat ik dat leuk vind. De perfecte koppijn is klaar, twee weken nadien begint het weer te kriebelen en dan begin ik aan Toos, zo heet het derde deel.’

Toos?

‘Dat is de naam van een Nederlands meisje op wie Muggepuut verliefd wordt. Inmiddels heb ik gehoord dat Toos een naam is die in Nederland bijna niet meer voorkomt, maar juist daarom. Ik wil zo’n achttienjarig, fris en modern meisje de naam Toos geven. Tóóws. Ik zeg Toos, jij zegt Tóóws?’

Toos.

‘Tóóws! Dat is wel een heel silly titel, toch? Elke dag werk ik drie uur aan dat boek, ongelooflijk strak en snel. Ik heb iets tegen traagheid. Harry Mulisch zegt altijd: ik schrap een bladzijde en dan schrijf ik een nieuwe bladzijde en dan schrap ik die weer en dan lig ik drie dagen in bed en dan schrijf ik weer een zin en die schrap ik dan… dat geloof ik niet. Als je ziet wat een oeuvre hij heeft.’

Denk je dan dat hij liegt?

‘Ja.’

Er zijn wel meer schrijvers die maar een paar regels per dag schrijven.

‘Dat zijn idioten. Dat zullen nooit grote oeuvrebouwers zijn, en als het wel grote oeuvrebouwers worden, dan liegen ze over die twee regels. Schrijvers liegen.’

Heb je nooit een slechte dag gehad en maar twee regels geschreven?

‘Jamais, niemals, nooit, never!’

Waarom maak je je daar eigenlijk zo kwaad over?

‘Omdat ik totaal niet begrijp hoe je vier uur bezig kunt zijn met twee regels. Veel schrijvers willen in interviews het imago van “serieuze schrijver” ophouden, eentje die ongelooflijk met zijn vak bezig is. Ik vind dat enorm pretentieus. Ik ben ook ontzettend met mijn vak bezig, maar als een leuk meisje vraagt of ik met haar koffie ga drinken, dan kan die hele literatuur me twee uur gestolen worden. Ik vind wat ik doe niet zo ongelooflijk belangrijk, omdat niets belangrijk is. Behalve de liefde en de dood vind ik alles banaal.’

Alles.

‘Alles, ja.’

Misschien blijkt de dood ook wel heel banaal te zijn.

‘Nou, met banaal bedoel ik dat je het moet kunnen relativeren. Dat is bij mij ook een hulpmiddel gebleken tegen de angst, zo van: nou nou, ik heb wel angst, maar goed, straks ga ik toch even naar het voetbal kijken. Anders heb je geen leven meer.’

Hoe zit het met je existentiële huiver voor eenzaamheid? Je hebt een enorm talent voor de liefde, zeg je vaak.

‘Ja, ik ben met twee vrouwen getrouwd geweest en dat zijn beide vrouwen die me zeer na stonden. Tania is de vrouw van mijn leven, die kent me door en door. We zijn nu zestien jaar samen, maar dat is wel met vallen en opstaan gegaan. Na twee jaar zijn we samen gaan wonen en daarna hebben we vijf jaar apart gewoond, om elkaar toch een beetje vrijheid te geven. Toen is er wel het een en ander gebeurd met andere vrouwen, en daar heeft Tania veel verdriet van gehad. Liefde is een combinatie van absolute folie plus een enorme dosis rationaliteit. Op een bepaald moment heb ik besloten: ik word niet meer verliefd op andere meisjes. Rationeel. En dat kan. Maar eenzaam ben ik nog steeds wel eens. Als Tania weggaat voor haar werk, naar Parijs of de modeweek in Milaan, dan zit ik alleen in mijn huis en ben ik eenzaam. En als ze twintig meter van mij vandaan ligt te slapen, is ze ook niet bij mij. Eigenlijk ben ik een soort kleuter, ik heb verlatingsangst, ik wil voortdurend iemand om mij heen die van mij houdt.

Er stond eens een artikel in de krant over een man en een vrouw van 96 en 94, die samen dood werden gevonden op bed. Die man bleek gestorven aan een hartaanval en toen is die vrouw naast hem gaan liggen en datzelfde etmaal ook doodgegaan. Dat is fantastisch. Dat is ons ideaalbeeld. Dat willen Tania en ik ook.’