‘schrijvers zijn arrogant’

COLUM MCCANN is zo geschikt als schrijver dat het bijna verdacht is. Zoon van Ierland, en dus door geboorte literair erfgenaam van Samuel Beckett, James Joyce, Edna O'Brien en al die grondleggers van de Europese literatuur van deze eeuw. Avonturier en globetrotter, die niet in zijn geboorteplaats Dublin in de pub bleef hangen maar naar Japan vertrok om daar Engelse les te geven, en daarna twee jaar lang de Verenigde Staten doortrok op een mountainbike. En een plichtsgetrouw researcher voor zijn boeken: een jaar lang daalde hij elke dag af in de metrotunnels van New York om onderzoek te doen voor zijn laatste boek This Side of Brightness, in het Nederlands vertaald als Het verre licht.

Je vraagt je af of er voor Colum McCann ooit enige andere mogelijkheid was dan schrijver worden. McCann: ‘Ik was journalist bij The Irish Press, dus ik wist hoe ik een verhaal moest construeren. Op die manier doe ik het nog steeds. Maar ik had nog geen weet van de elementen - ken je dat, dat je iets schrijft om je hart te breken? Dat je er alles voor over hebt om het goed te doen? Zo ver was ik nog niet. Ik was er achter hoe ik mooie zinnen en grote woorden moest gebruiken. Je zit bijvoorbeeld Cormac McCarthy te lezen en je denkt: dat is een mooi woord. Maar mijn hart lag er nog niet in.’
VEEL SCHRIJVERS lossen dat probleem op door uitsluitend over zichzelf te schrijven. Zij doen nooit iets anders dan het met steeds andere woorden schrijven van hun autobiografie. In zijn eerste roman Songdogs (Zanghonden) beschreef McCann de zoektocht van een Ierse jongen naar de geschiedenis van zijn drankzuchtige Ierse vader en zijn half-Mexicaanse moeder. Het had niets te maken met zijn eigen geschiedenis. McCann: 'Toen dat boek uitkwam, had ik iedereen verteld dat mijn vader ook naar de presentatie zou komen. Halverwege het feest kwamen er mensen naar me toe die zeiden: “Ik dacht dat je vader ook zou komen?” Ik zei: “Hij is er toch, kijk dan.” En ze keken naar die keurige oude heer en zeiden: “Ja, maar dat is je vader niet.” Ze verwachtten een vieze ouwe dronkaard, ze verwachtten dat hij binnen zou komen en in de wasbak zou pissen en op de grond zou gaan zitten vloeken en rochelen en scheten laten. Mijn vader vond de vader in Zanghonden prachtig, maar hij wist dat die figuur mijlenver van hem vandaan stond. Alleen mijn moeder was niet zo blij dat mensen dachten dat ze half-Mexicaans was.’
In Het verre licht zijn de hoofdpersonen een zwarte tunnelgraver aan het begin van de eeuw en zijn kleinzoon, die als dakloze in de tunnels leeft die zijn grootvader heeft gegraven. Twee figuren die zo op het oog ver af staan van de schrijver Colum McCann. McCann: 'Het gaat bij het schrijven niet om het land waar je leeft of om de dingen die je al weet. Iedereen zegt altijd dat je moet schrijven over wat je weet. Als ik een writing class geef, zeg ik altijd: je moet juist het tegenovergestelde doen, schrijf over wat je niet weet en ontdek wat je wel weet. Oké, je kunt niet schrijven over dingen die je niet kent, maar je kunt wel een denkbeeldige ruimte creëren voor jezelf, en als je die eenmaal hebt, kun je daarbinnen doen wat je wilt.’
'DAT IS MISSCHIEN arrogant, maar schrijvers zijn arrogant. Het hele idee van schrijven is arrogant, de overtuiging dat je de wereld iets te zeggen hebt. Maar die arrogantie leeft samen met de grootste fuckin’ onzekerheid, de grootste hoeveelheid twijfel die je maar kunt opbrengen. En met die schizofrene literaire persoonlijkheid, daar moet je mee leven. Zo eerlijk als je kunt. Je bent ermee getrouwd voor ik weet niet hoe lang en je weet dat het straks te zien zal zijn als je niet eerlijk bent geweest. Want je kunt altijd zien waar mensen de makkelijke weg gekozen hebben, waar ze zichzelf niet op de proef hebben gesteld.
Ik zie zo veel literatuur die onverschillig is en slordig. Mensen die proberen te provoceren. Die indruk proberen te maken. Ik ben geen fan van Irvine Welsh, en dat heeft niks te maken met het feit dat hij ooit heeft geprobeerd mijn vrouw te kussen. Trainspotting was niet slecht. Wat hij daarin gedaan heeft met dialect is interessant, maar dat kunstje lukt je maar één keer. Als je die dialoog terugbrengt tot zijn essentie, zie je dat die leeg is, een vacuüm. Ik zal er wel last mee krijgen, en ik breek hier mijn eigen regel: zeg nooit iets slechts over andere schrijvers, want je breekt hun hart, maar: zijn vijfde roman, Filth, is aanstootgevend. Meer niet. Dat zal hem wel blij maken, want dan kan hij weer zeggen dat ik bourgeois ben, en middle class. Maar er stond gewoon niets interessants in. Nightmares had nog wel een paar interessante dingen. Ecstasy was crap. Nee, dat hij Schots is, heeft er ook niks mee te maken.’
McCann woont in New York met zijn vrouw en zijn dochtertje. Velen hebben zich al afgevraagd hoe en waarom hij daar terecht is gekomen. In een oud interview in Vrij Nederland staat: 'In het voetspoor van illustere landgenoten als James Joyce en Edna O'Brien vond McCann dat hij Ierland met zijn verstikkende sociale controle en anachronistische katholieke moraal de rug moest toekeren.’
McCann: 'Staat dat er echt? Waarom ik Ierland verliet had niets met artistieke redenen te maken. Voor Joyce wel, die verliet, heel bewust, een Ierland met een katholieke kerk die alle ideeën controleerde. Edna O'Brien en Beckett vertrokken om dezelfde redenen. Ik vertrok voornamelijk om een leven te leven. Om wat lol te hebben. Maar er gebeuren veel interessante dingen in Ierland, er zijn veel goede jonge schrijvers. Het nadert wel het gevarenpunt. Het gaat zo goed met de Ierse literatuur dat we op het punt staan zelfgenoegzaam te worden, dat we naar onszelf staan te kijken en zeggen: “Ben ik niet mooi?”
Zie je, het is tegenwoordig heel sexy om schrijver te zijn. Ik háát dat. Vroeger dacht ik zelf ook altijd dat schrijvers mensen waren die op boekpresentaties in lange zwarte jassen rondliepen en fuck off! riepen naar iedereen die ze tegenkwamen. Die arrogantie die je hebt als je heel jong bent.
In Ierland zie je het nu steeds vaker. Twintig, dertig jaar geleden werden Ierse schrijvers gecensureerd, werden hun boeken verboden door de overheid. Tegenwoordig doen mensen er een móórd voor om te worden verboden door de overheid. Tegenwoordig zie je dichters op straat met mobiele telefoons aan hun oor en schrijvers die in de pub hangen en opsnijden over hun oplagen.’
Is het dan zoveel eerlijker om als blanke Ierse jongen te schrijven over de arme, voornamelijk zwarte zwervers in de metrotunnels in New York?
'Laat me je vertellen wat ik gedaan heb. Mijn eerste idee was om te schrijven over de mensen die ondergronds wonen. Nee, ze noemen zichzelf niet de mole people, dat is een neerbuigende term. Er is een boek dat zo heet, van Jennifer Toth, waar ze erg boos over waren. Het was een van de meest gestolen boeken in New York. Net als mijn boek trouwens, dat is een van de meest gestolen boeken in de boekwinkels in de buurt van de Riverside-tunnel.
Ik begaf me in die wereld en ik bracht tijd door met die mensen. Ik ben blank. De meeste van die jongens daar beneden zijn zwart. Ik ben middle class. Zij zijn under class. Bovendien ben ik geen Amerikaan. Ik wist dat ik iets fout deed toen ik begon te schrijven vanuit een Iers perspectief, dus vanuit een leugen. Acht maanden schreef ik, daarna had ik zo'n honderddertig, honderdveertig pagina’s. Elke dag schrijven, elke dag wetend dat het niet werkte.
Toen ontmoette ik Treefrog (Boomkikker), een van de hoofdpersonen. Ik ontmoette hem fictief, er is niemand daar beneden die Treefrog heet. Ik werkte een tijdje met hem. Toen ontmoette ik Walker, de andere hoofdpersoon. Op dat moment had ik zo'n honderdvijftig pagina’s. Die gooide ik weg. Ik begon overnieuw, dit keer zonder mezelf erin. Zonder Iersheid erin. Sterker nog, het enige Ierse karakter dat er nog in zat, vermoordde ik al in hoofdstuk twee. Dat was het punt waarop ik alle bagage kwijt was, ik had het opgeschreven, got it out, had de karakters ontmoet en dacht: zo, nu kun je beginnen.
Toen het af was, wist ik nog steeds niet of ik er wel goed aan had gedaan. Daarom was ik zo blij toen sommige zwarte intellectuelen, die niets van mijn achtergrond wisten, mijn boek lazen en zeiden: “Wie is deze vent? Het klopt, het is echt, de taal is echt.”’
WAS ER NIEMAND die vond dat dit terrein was dat je niet had mogen betreden, dat je inbrak op het terrein van anderen?
'Dat is iets waar ik verdomd pissig over kan worden. Sommige zwarte Amerikaanse schrijvers - ik ga geen namen noemen - vinden dat blanke schrijvers geen toegang zouden mogen hebben tot de zwarte stem. Omdat het cultureel fout zou zijn. Maar sommigen van hen zijn verdomd rijk, ze komen uit goede families, en toch zien ze het verschil niet tussen klasse en ras. Ze schrijven over arme zwarten en vinden dat alleen zij dat recht hebben. Maar als je vindt dat blanke schrijvers niet over zwarten mogen schrijven, hoe kan het dan dat je niet ziet dat rijke schrijvers niet over armen mogen schrijven?
Als je vindt dat alleen zwarte schrijvers over zwarten mogen schrijven, en alleen arme schrijvers over armen, en dat alleen joden joodse grappen mogen maken, dan ontken je volledig het bestaan van de verbeelding. Dan ontken je het bestaan van verschillende plaatsen in het menselijk hart waarvan je niet eens wist dat ze bestonden. Dan ontken je het bestaan van bloed, en fictie wordt dan sociologie. En je bent geen fuckin’ socioloog, je bent een schrijver.’
MCCANN IS ook een tamelijk succesvolle schrijver, uitgegeven in Amerika en Engeland. Met vertalingen in het Nederlands en het Duits. McCann: 'Ach, dat valt wel mee. Van mijn eerste boek werden er in Engeland tweeduizend verkocht. Ik kreeg er drieduizend pond voor. Ze moeten het nog steeds herdrukken. Het verre licht is inmiddels wel een succes. Maar als ik niet het succes had gehad dat ik nu heb, was ik, denk ik, gewoon doorgegaan, al ben je er nooit zeker van of je weer gepubliceerd zult worden.
Als ik zeventig ben wil Ik nog steeds schrijven, maar het is niet makkelijk als je je realiseert dat je constant bezig zult zijn met uitvinden en heruitvinden, slagen en falen. Beckett heeft dat goed gezegd: “No matter. Try again. Fail again. Fail better.” Dat is wat schrijven is. Want je zult steeds moeten toegeven dat je laatste boek op veel punten een mislukking is. Je hebt fouten gemaakt. Maar als je ooit zou geloven dat je het helemaal goed gedaan had: what the fuck are you going to do next?
En ik schrijf ook om geld te verdienen. Ik heb een gezin. Toen ik begon had ik niet gedacht dat ik er ooit geld mee zou verdienen. Ik wilde hetzelfde als nu, schrijven om over vijfentwintig jaar nog gelezen te worden. Als ik over vijftig jaar ook nog gelezen wordt, heb ik een grote fuckin’ grijns op mijn gezicht.’