Schrijversvloek

‘Dat is de vloek van de romancier: zijn integriteit is vastgebonden aan de verachtelijke paal van zijn megalomanie.’
Dat zinnetje van Milan Kundera, uit zijn essaybundel Het doek, achtervolgde me de afgelopen dagen. Ik was namelijk met wat andere schrijvers bijeen geweest op een avondje, en tijdens het diner werd er links en rechts wat geroddeld over een uiteraard niet-aanwezige collega, aan wie bij een prijsuitreiking de prijs níet was toegekend, niet alleen tot zijn eigen zichtbare verbazing, maar ook tot zijn furieuze ontsteltenis, die hij na de uitreiking aan de gehate rivaal niet onder stoelen of banken besloot te steken.

Daarop schonk ik nog een glas in, en verhaalde smakelijk over een nog weer andere, uiteraard evenmin aanwezige collega, die in een café eens woedend tekeer was gegaan nadat die middag een longlist bekend was gemaakt: ‘Als ik ooit nog voor die prijs genomineerd word, ga ik die nominatie weigeren!
Ik sta niet eens op de longlist. Terwijl dit mijn beste boek is! Ik ga die prijs boycotten. Voortaan weiger ik de nominatie.’
Dit maakte bij de aanwezigen weer wat aanverwante verhalen los over nog weer andere, vanzelfsprekend afwezige auteurs. Ja, wat is de literatuur toch een fantastisch vak.
Terug in de trein dacht ik nog wat verder door over de legendarische grootheidswaan die schrijvers eigen zou zijn, en zonder dat ik het meteen kon plaatsen drong het Kundera-zinnetje zich op uit mijn geheugen: ‘Zijn integriteit is vastgebonden aan de verachtelijke paal van zijn megalomanie.’
Pas thuis kon ik het hele essay herlezen, en feitelijk neemt Milan Kundera het daarin op voor al die arrogante kwasten die wij de avond ervoor aan tafel zo schaamteloos hadden bespot. Schrijven en megalomanie moeten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Wie niet vurig gelooft dat hij tegenover al die boekenkasten die al geschreven zijn, iets te bieden heeft wat nog niet bestond, kan er net zo goed mee ophouden en zal in de meeste gevallen ook snel ontmoedigd raken.
Een schrijver die zichzelf en zijn werk serieus neemt zal dus per definitie van mening zijn dat zijn werk bekroond moet worden met alle grote literaire prijzen, of in elk geval - want in de laatste fase ben je overgeleverd aan het noodlot van het jurycompromis - op de nominatielijst thuishoort.
In de woorden van Kundera: ‘Elke roman die met ware hartstocht is geschreven, streeft volkomen vanzelf naar een blijvende esthetische waarde. (…) Schrijven zonder die ambitie is cynisme, want terwijl een middelmatig loodgieter nuttig is voor de mensen, is een middelmatige romancier die willens en wetens vergankelijke, banale en conventionele, dus nutteloze, dus overbodige, dus schadelijke boeken schrijft, verachtelijk.’
Kijk, zo is het maar net. Schrijvers die niet op jury’s mopperen wanneer ze ‘er niet op staan’ en die schouderophalend mompelen: ‘Nou ja, ach, volgende keer beter’ - die zijn verachtelijk.
Toch laat Kundera me wat onbevredigd achter. Goed, dat je achter je schrijftafel, omringd door de wereldliteratuur en gebogen over een nog ongeschapen universum, wel een flinke dosis megalomanie kunt gebruiken, daar is in te komen. Maar dat wil nog niet zeggen dat die grootheidswaan garant staat voor kwaliteit.
De megalomanie kan die kwaliteit zelfs danig in de weg zitten, lijkt me. Kijk maar naar al die imbecielen die de kranten bestoken met dikke pakken papier waarin ze bewijzen dat de mens door smurfen in ufo’s is geschapen. Of werp eens een blik in de postzakken van de uitgeverij. Aan megalomanie geen gebrek.
Elke schrijver die enig succes heeft (een enthousiast lezerspubliek heeft, af en toe een aardige recensie krijgt, enzovoort) zal je kunnen vertellen dat hij beslist niet dagelijks te werk gaat zoals de acteur in de film Shakespeare in Love, die zijn beschreven teksten kust en uitroept: ‘God, I’m great!’
Nee, het is juist een proces waarin je jezelf minstens even vaak vervloekt, zinnen terugleest en ontevreden bijschaaft, woedend de helft wegsodemietert, opnieuw begint. Bij de megalomanie van Kundera moet aangevuld worden dat die in balans wordt gehouden door een minstens even sterke tegenkracht, die van de zelfverachting.
Misschien is het nauwkeuriger om te stellen: de vloek van de romancier is dat zijn integriteit vastgebonden is aan twee palen, aan die van de megalomanie van zijn ambities, en die van zelfverachting op het praktische, ambachtelijke vlak.
Wie zichzelf, zoals die zeer gewaardeerde collega’s deden, ‘heel erg laten kennen’ als ze een prijs mislopen, spreken vanuit hun overmoedige, ambitieuze ik. Degenen die sipjes afdruipen en in hun hotelkamer snikkend in de armen van hun partner vallen (‘Ik zei toch dat ik een waardeloze schrijver ben!’ ‘Ach welnee, het was gewoon omdat X in de jury zat’), spreken vanuit hun overkritische ik.
En de schrijvers die daar dan weer smakelijk over verhalen aan een tafel met wijn en eten? Ach, die hebben gewoon even vakantie.