Schrijverszweet

En dan opeens lees je een roman die een basale vraag naar boven doet komen. Wat is eigenlijk een goed boek? Ruim zeshonderd pagina’s ruimte heeft Nico Dros genomen voor zijn roman over de liefde en de dood, getooid met de tamelijk vreselijke titel Ter hoogte van het Salsa-paviljoen. Dat volumineuze neemt me voor de schrijver in. Evenals de naam van zijn uitgeverij, die staat voor een kieskeurig uitgeversbeleid, en zijn portretfoto op de achterflap. Een wolf met melancholieke oogopslag. Het ene argument is nog buitenliterairder dan het andere, maar bij elkaar zorgen ze wel voor een leeshouding die uiterst welwillend is. Ik kan niet wachten tot ik deze meesterproef (karakterisering van de uitgeverij) tot de laatste letter heb genoten.

Vier dagen later. Het boek ligt met geknakte rug op mijn bureau. Geconsumeerd. Is het een plus of is het een min? Met behulp van mijn potloodaantekeningen in het boek kan ik precies reconstrueren waar mijn welwillendheid haar grens bereikte. Even uitstel. Waar gaat Ter hoogte van het Salsa-paviljoen eigenlijk over? Hoofdfiguur is Vos Deroche. Volgens het bevolkingsregister heet hij Willem, maar al van jongsaf aan heeft hij deze bijnaam dankzij zijn broer Maurits. De raamvertelling is het verhaal van de liefde tussen de dertigers Vos en Resi. Een liefde die opbloeit op Texel, geboortegrond van Vos, en teloorgaat in Amsterdam. Daartussenin worden de respectievelijke geschiedenissen van Vos en Resi behandeld:jeugd, ouders, andere liefdes, vrienden. Een aparte verhaallijn wordt gevormd door de passie van Vos voor de lokale geschiedenis van zijn eiland. Het werken aan wat een geheel nieuwe vorm van geschiedschrijving moet worden, mondt uit in een boek-in-een- boek. Tegelijkertijd is het geheel van Ter hoogte van het Salsa-paviljoen een contemporaine geschiedschrijving. Er wordt een generatie Texelaars neerge zet die in de jaren zeventig naar Amsterdam emigreert en daar een geheel eigen subcultuur vormt. Wat zegt de verteller in De toverberg van Thomas Mann ook alweer in de proloog om de omvang van zijn verhaal te legitimeren? ‘Wij zullen het uitvoerig vertellen, grondig en precies - want sinds wanneer is het van de ruimte en de tijd die een verhaal in beslag neemt, afhankelijk of het spannend dan wel saai is?’ Onderhoudendheid staat of valt volgens die verteller met grondigheid. Bij Mann zijn details en leesplezier inderdaad onlosmakelijk met elkaar verbonden, maar in Ter hoogte van het Salsa-paviljoen breekt een andere opvatting van grondigheid de lezer op. Geen personage kan voorbij komen fietsen zonder dat zijn totale doopceel wordt gelicht, tot de lijn naar zijn voorvaders aan toe. Na zo'n honderdvijftig bladzijden stemt dit tot bange voorgevoelens bij iedere nieuwe persoonsnaam die wordt genoemd. En vermoeidheid. Die onontkoombare vermoeidheid is een van de verwijten die je de schrijver zou kunnen maken. Al die genealogische lijnen, gecombineerd met uittreksels uit psychologische rapporten, brengen nog geen karakters tot leven. 'Door rechtzinnig aandoende denkbeelden aan te kleven en zichzelf tal van onthoudingen op te leggen, had hij zijn innerlijke conflicten bezworen en zich andermaal in het leven kunnen wortelen.’ Zomaar even een karakterisering waarvan er ontelbaar veel in deze roman voorkomen. Dood proza waarvan de zeggingskracht recht onevenredig is aan de diepere bedoeling, en dat als een baksteen op je maag blijft liggen. Om nog even in de chagrijnige sfeer te blijven: de constructie van een boek-in-een-boek werkt niet, tenminste niet zodanig dat het een wat toevoegt aan het ander. De historische passa ges over kerkelijke twisten in een klein Texels dorp, compleet met jaartallen en schisma’s op de vierkante millimeter, lijken mij iets voor de abonnee van 'Texel van toen tot tegenwoordig’, maar houden in romanverband het grote verhaal alleen maar op. Tot slot is er de schrijfstijl van Nico Dros waaraan ik erg moest wennen en waarbij ik voortdurend, de befaamde mop indachtig, inwendig uitkreet: 'Nee, zó iets heb ik nog nooit gezien!’ of het zou in de boekenkast van mijn opa en oma moeten zijn. Dros heeft een stijl die je aardig gezegd als archaïsch zou kunnen betitelen en minder aardig als gezwollen, op het pathetische af. 'Zijn slepende ziekte leerde hem dat doorleefd gedachtegoed en denkbeeldige werelden de enige oorden van asiel zijn voor hen die uit het leven zijn verbannen.’ 'Zijn tors leek uit rots gehouwen en verzengende winden uit Afrika hadden zijn lijf voor het leven gebronsd.’ Dros schrijft het liever wat moeilijker op als het ook makkelijker kan. 'Hoegenaamd alle probleemgevallen waren van mannelijke kunne.’ Geen enkel ironisch lichtstraaltje weet deze stoffige hoekjes te bereiken. Psychologie looiig, constructie gewrocht, stijl stoffig… Nee, Nico Dros heeft wat mij betreft geen gaaf kunstwerk afgeleverd. Maar hij is er niet voor teruggeschrokken om over zulke mooie kwesties te schrijven als academische bevlogenheid, relationeel geklooi en broederliefde. Het boek ruikt naar schrijverszweet. Dros wil grote thema’s verbeelden en dat is mij sympathiek, al is het in dit geval in een worsteling blijven steken. Of is dat het ergste wat je van een schrijver kunt zeggen?