Tom Van de Voorde, Liefde en aarde

Schrik en opwinding

We breien een maskeren zetten een vogel op, gooien onze ergste soortenuit een rijdende bus; het beest dat dit ziet,ondanks de wet op hoop en kastijding, verbergtbij wijze van sociale ziekte een deel van het graf, op zoeknaar de troost van is klein.

Tom Van de Voorde, Liefde en aarde, € 17,50

De Nederlandstalige poëzie kent een grote verscheidenheid. Veel van wat er in een jaar voorbij komt is best aardig, intrigerend of zelfs goed, maar als lezer zit je niet te wachten op de zoveelste rake observatie, het zoveelste in memoriam voor een beroemde collega of de zoveelste filosofische overweging bij het verschijnsel fotografie. Uiteindelijk ben je op zoek naar een sublieme ervaring, waarbij schrik, opwinding, euforie en peilloze melancholie in een veldslag gewikkeld zijn. Je wilt verpletterd worden, je wilt dat het gedicht je hartslag aanjaagt en je onderbuik beroert.

Het is lang geleden dat ik een nieuwe bundel las die me zo dicht in de buurt bracht van die fysieke ervaring als Liefde en aarde van de Vlaming Tom van de Voorde (1974). De openingsregels zijn direct overrompelend:

Vragen aan Shiva

hoe zinvol het is een vat

vol zeewier en golfslag te vangen,

gesluierd met sterren in

agrarische vlakte te rollen.

Alles aan deze regels is effectief en meeslepend, van het pakkende ritme en de subtiele alliteraties tot de mythische beelden. De woordgroep ‘agrarische vlakte’ is verontrustend door de stijlbreuk in het zakelijke adjectief en het ontbreken van een lidwoord. Bovendien roept de tweede strofe politieke en ecologische discussies op; de dichter suggereert dat de menselijke neiging de kosmos te willen beheersen belachelijk is.

Omdat de poëzie van Van de Voorde associatief van karakter is en beelden uit uiteenlopende sferen naast elkaar zijn gezet, is het bij de meeste gedichten onmogelijk ze vast te pinnen op een anekdote, standpunt of emotie. De klankrijk aan elkaar gekoppelde verzen openen een ruimte waarin de verbeelding vrij rondzweeft, zonder dat er sprake is van willekeur of doelbewuste frustratie van samenhang.

Wanneer je je laat meevoeren, kom je in wonderlijke werelden terecht, waar bijvoorbeeld een postbode vraagt wat ‘koninkrijk betekent in het Hebreeuws’, waar ‘eenden met gasmaskers worden verward’ en liefde en aarde in de personeelskamer van een traangasfabriek zitten. Het meest voorkomende woord in de bundel is ‘kleur’. Dit is poëzie met een sterk visueel appèl.

Dat de gedichten soms de logica van droomsequenties vertonen, betekent niet dat de bundel als geheel geen visie op de werkelijkheid wil uitdragen. Zoals uit de titel en de eerste strofen blijkt, zoekt Van de Voorde naar een spirituele heelheid op een planeet die door mensen kapot wordt gemaakt. De dichter is daarbij niet zozeer een zweverige zoeker als wel een sensitieve criticus, die niet aarzelt stevig van leer te trekken tegen de absurditeiten en wreedheden van politieke systemen en de aantasting van het milieu.

Zes uit fragmenten opgebouwde gedichten dragen de titel ‘Onnatuurlijke vijanden’ en laten zien hoe we verstrikt zijn geraakt in ingenieuze structuren die hun bestaan soms aan de beste bedoelingen te danken hebben. Onderweg zijn we vergeten wie we waren. Zo is toerisme een vreemd toneelstuk geworden:

Diep in de woestijn

een dierenmasker opzetten

en denken aan graandorsers,

van voor de industriële revolutie

We dragen geen helm, zegt de dichter, geen blik ‘zonder oog/ op gastenkamers’, en we zijn enthousiast over een landschap waarvan ongewis blijft of het door de natuur of door mensenhand is gemaakt:

Wat een mooi zicht

een tapijt voor ons uitgerold,

flitsend, onstuimig, fris

Harder is een gedicht dat is opgedragen aan Neda Soltan, de Iraanse studente die in 2009 voor het oog van de wereld werd doodgeschoten. Van de Voorde wil haar vragen ‘hoeveel kleuren rood/ een straatsteen telt// als dieren gemaskerd/ je naam scanderen’.

Het bijzondere is dat de poëzie ook bij grimmige situaties als deze de schoonheid niet uit het oog verliest. De verwondering over de veelvormigheid van wat er in de wereld te zien is, wint het van politiek activisme. Het gevolg is dat je als lezer in een morele verwarring geraakt, omdat je je erop betrapt de voyeur van fraai uitgelichte gruwelen te zijn. Het gedicht voor Neda eindigt bijvoorbeeld op het randje van de kitsch, wat de emotionele kracht ervan alleen maar versterkt:

Naamloze zangers strooien

vlinders op de grond, strijken

neer op dorstige stenen,

de naakte regen.

De verraderlijke combinatie van schoonheid en verschrikking vinden we terug in regels als deze: ‘Een nieuw lijk, een sierlijke vlaag/ van wantrouwen en wind’. Of deze: ‘een fanfare van buskruit/ en inlevingsvermogen’. Zelfs ‘fietsende moordenaars’ blijken maar al te menselijk te zijn, wanneer ze ‘staan gebogen voor de zon/ als duizenden bladeren ineens// vallen voor wat moed’.

In een gedicht dat de metamorfose van een meisje tot gans beschrijft, doet Van de Voorde de programmatische uitspraak ‘dat vliegkunst een ogenblik is/ dat zijdelings wordt aangeleerd’. Verbeelding dwing je niet af, voor de vleugels van de poëzie bestaat geen handleiding. De vliegkunst van Van de Voorde verdient een groot publiek.


Tom Van de Voorde
Liefde en aarde
Poëziecentrum, 48 blz., € 17,50