Schrobben!

Het heeft vermoedelijk te maken met een naoorlogse opvoeding: verzet zien als iets lovenswaardigs.

Ik hou van mensen die in verzet gegaan zijn, of die in verzet zijn. Zelfs als ik het niet met ze eens ben.

Wie in verzet gaat, pikt het niet meer. Hij heeft een grens gesteld en die is overtreden. Hij voelt zich genaaid, onrechtvaardig behandeld, hij wil een daad stellen: hij gaat in verzet.

Iedereen kan op een bepaald moment in verzet gaan. Hij kan iets weigeren, iets niet doen, iets saboteren.

Zo ben ik opgevoed. Verzet is een deugd. De consequentie trekken van het nee-zeggen.

Maar ik merk dat men niet meer houdt van die geest van verzet.

Het wordt gezien als iets van kwajongens. Men ziet hooligans tegen de politie vechten en denkt dat die hooligans het verzet vertegenwoordigen omdat ze iets niet doen. Ze zijn niet beleefd en houden zich niet aan de regels van het algemene fatsoen.

Men denkt ook aan jeugd die rooft en steelt. Die zijn in verzet tegen deze maatschappij, verzetten zich tegen het gezag, hun ouders, hun school. Als een persoon ze iets geflikt heeft, wordt er geliquideerd.

Dat is verzet. Zeker. Maar toch niet het verzet dat ik bedoel.

Het verzet dat ik bedoel is pas in allerlaatste instantie – als het echt niet anders kan – gewelddadig, maar vooreerst geweldloos. Het is een houding van permanente chagrijnigheid.

Iemand die in verzet is, heeft een reeks van negatieve eigenschappen voor uw bestwil. Hij schudt bij voorbaat nee, hij is nooit enthousiast, hij is afwachtend, afhoudend en vaak een zeur. Want hij stelt voortdurend vragen: ‘Waarom moet dat zo? Waarom denk je zo? Waarom zou dat goed zijn?’

De Verzetsmens – zo noem ik hem maar even – staat haaks op deze tijd.

Wie doet er weer eens iets wat niet mag, maar wel ­nuttig is?

Hij is namelijk niet ‘gepassioneerd’. Hij is verre van fanatiek. Hij zal nooit enthousiast over iets vertellen. Je zult hem dus niet zien bij DWDD of Pauw of bij elk ander televisieprogramma dat de God Kijkcijfer aanbidt.

De Verzetsmens verzet zich daartegen.

Zodra hij in beeld verschijnt, daalt het kijkcijfer, want wie hem ziet, voelt zich schuldig. De Verzetsmens doet namelijk iets waar u en ik te laf voor zijn.

Ik zie dus ook wel dat de Verzetsmens een stagnerende functie heeft. Hij ontlokt namelijk niet als eerste het mooie, maar het lelijke en het slechte.

Ik snap ook dat de Verzetsmens niet geliefd is. Want net als je denkt dat je hem begrijpt, ontglipt hij je.

Hij verzet zich tegen het amorele gedrag van de banken, maar hij verzet zich ook tegen onmogelijke bankregels. Hij verzet zich tegen verdrinkende vluchtelingen, maar hij verzet zich ook tegen het domweg binnen laten komen. Hij verzet zich tegen het marktdenken, maar hij verzet zich tegen iedereen die zegt dat het marktdenken het kwaad van alles is.

De Verzetsmens is in een staat van voortdurende kritiek.

Ik hou van hem. Hij is de enige bij wie ik me thuis voel.

Momenteel heerst het virus dat Roemzucht heet. Het infecteert onmiddellijk de Aanpassers. Dat zijn zij die alles doen en zich overal aan aanpassen en nooit eens nee zeggen, maar op alles ja antwoorden. Het zijn de Meelopers van vroeger. Ze praten niet maar likken. Het zijn de Grijzen – als ze niet Zwart zijn. Het zijn de Houd-je-nou-maar-gedeisd-zeggers. Het zijn de Ik-heb-er-niets-mee-te-maken-voorstanders.

Wie komt er eens op de televisie in opstand? Wie doet er weer eens iets wat niet mag, maar wel nuttig is?

Ik weet het, ik pleit voor de Kleine Revolutie. Omdat ik denk dat het er de tijd naar is.

Kom op, Kleine Revolutionairen: het kwijl van het geslijm moet weggeschrobd worden.