H.J.A. Hofland

Schröder heeft opnieuw gelijk

Iran hoeft niet eens een kernbom te maken. Als ze in Teheran maar lang en overtuigend genoeg zouden doen alsof, dragen ze al doeltreffend bij tot de voortgezette sloop van wat eens het Westen was. Of ze daar een bom willen dan wel uitsluitend kernenergie voor vreedzaam gebruik weten we niet. Omdat het altijd het verstandigst is met de slechtste mogelijkheid rekening te houden, nemen we aan dat de bom het uiteindelijke doel is. Hoe kunnen we dat voorkomen?

Het Iraanse kernprogramma heeft een lange en ingewikkelde geschiedenis. In 2002 werd ontdekt dat al achttien jaar in het geheim aan het project werd gewerkt. Daarna stemde Teheran in met controle door de Verenigde Naties. Er werden camera’s in de installaties neergezet, regelmatig kwamen inspecteurs op bezoek. In september 2004 werden bepaalde afdelingen in Isfahan, waar uranium verrijkt werd, door het International Atomic Energy Agency verzegeld. Britse, Duitse en Franse diplomaten begonnen onderhandelingen, met het doel duurzame zekerheid te krijgen over de vreedzame bedoelingen van Iran. In ruil daarvoor werden handelsvoordelen in het vooruitzicht gesteld. Naar de zin van Teheran verliep het overleg te traag. Vorige week zijn de zegels verbroken. De Iraniërs hervatten de verdachte werkzaamheden. Wat te doen? Gewapend ingrijpen?

De laatste keer dat aan die mogelijkheid werd gedacht, was omstreeks juni 2003, toen Washington ervan overtuigd was de oorlog in Irak te hebben gewonnen. Wederopbouw was een kwestie van afzienbare tijd. En daar stond een leger van 150.000 man, met het zware werk achter de rug. De tijd leek rijp voor het volgende doortastende optreden. Maar zoals het er nu uitziet, moeten veel Amerikaanse soldaten daar onder toenemende weerstand van het thuisfront langer blijven. Maakt dat een oorlog tegen Iran onwaarschijnlijker? In februari van dit jaar was president Bush in Europa om zich met de bondgenoten te verzoenen. Een aanval op Iran is «belachelijk», zei hij op een persconferentie in Brussel. Degene die de vraag stelde, was onder meer geïnspireerd door een artikel van Seymour Hersh in The New Yorker van 24 januari 2005. De VS willen niet wachten tot het ogenblik waarop Iran zijn bom heeft, schreef Hersh. Al een maand of tien voerden de Special Forces verkenningen in Iran uit. De nucleaire installaties werden onderzocht, opdat die vanuit de lucht met chirurgische precisie, of op de grond door de commando’s konden worden vernietigd. De Europeanen zagen hierin een nieuwe bevestiging dat Amerika afstand had genomen van het overleg met Teheran, om de handen tegenover dit lid van de As van het Kwaad vrij te houden.

Met het verbreken van de zegels in Isfahan is weer een nieuwe fase aangebroken. In een vraaggesprek met de Israëlische tv zei Bush vorige week vrijdag dat geweld niet is uitgesloten: «Alle mogelijkheden liggen op tafel.» De dag daarop kreeg hij antwoord van Gerhard Schröder. «Haal de militaire optie van tafel», zei de bondskanselier op een verkiezingsbijeenkomst. In een vraaggesprek met Bild am Sontag sloot hij uit dat onder zijn leiding Duitsland aan een oorlog zou deelnemen. Daarmee was het teken gegeven voor het begin van een campagne van verdachtmakingen.

In 2003 hebben Frankrijk en Duitsland geweigerd mee te doen aan de oorlog omdat Chirac en Schröder, zoals ze toen duidelijk hebben uitgelegd, er vrijwel in alle opzichten nadeel van verwachtten. Schending van het internationaal recht, afbreuk aan de geloofwaardigheid van het westelijk bondgenootschap, bevordering van de antiwesterse gevoelens in het Midden-Oosten en verwijding van de kloof tussen Europa en het Amerika van Bush. Nog afgezien van de oorlogsschade in Irak. Stuk voor stuk goede redenen, vooral als we ze vergelijken met het bedrog op basis waarvan Bush en Blair de oorlog zijn begonnen.

Het nadeel van Schröder was toen dat hij in de verkiezingsstrijd was gewikkeld. Om partijpolitieke redenen zou hij tegen de oorlog zijn geweest. Opnieuw woedt in Duitsland de verkiezingsstrijd, en onmiddellijk worden dezelfde verdachtmakingen gelanceerd. Het heeft dezelfde smaak als in 2003, toen de Europeanen laf waren, zich bij de neus lieten nemen, misschien nog juist goed genoeg om de afwas te doen van het menu dat door Bush en de zijnen was samengesteld. Men herinnert zich het essay van Robert Kagan Of Paradise and Power.

Het was de tijd waarin via de oorlog in Irak het Midden-Oosten in een relatieve oogwenk zou worden gedemocratiseerd waarna het tot nieuwe welvaart en vriendschap met het Westen kon opbloeien. Daarna heeft Irak zich ontwikkeld tot een chaos. En in plaats van een wereldlijk, tot vriendschap met het Westen geneigd regime heeft zich vorige maand na de verkiezingen in Teheran een vijandig theocratisch bewind gevestigd, dat, ongeïmponeerd door wat er in het buurland gebeurt, het werk aan zijn atoomprogramma hervat (daarbij geholpen door Rusland, dat onder bepaalde garanties heeft besloten splijtstof voor vreedzaam gebruik te leveren).

Bekijk het van een afstand. Van het grand design waarmee Washington de oorlog is begonnen, is tot dusver niets terechtgekomen. Eerder dreigt het tegenovergestelde. Terreur en burgeroorlog ontregelen het bevrijde Irak. De ontdekking van ontluikende democratische revoluties in Libanon, Egypte en Saoedi-Arabië is Amerikaans gezichtsbedrog. De regio is gevaarlijker geworden en de Amerikaanse supermacht heeft ernstig gezichtsverlies geleden, in plaats van zich als brenger van de democratische zegen te bevestigen.

Onder deze omstandigheden een oorlog tegen Iran beginnen? Of zelfs maar met «chirurgische precisie» de atoominstallaties verwoesten? Schröder heeft opnieuw gelijk. Oorlog tegen Iran zou het einde van het westelijk bondgenootschap zijn.