‘Ziet de wereld er blauwer uit door blauwe ogen?’

Maggie Nelson, Bluets

Er was weer eens een feestje, het eerste van dit seizoen. Iedereen was er, er vielen drie doden, zou Campert er luchthartig over kunnen dichten, maar de tijden zijn niet zo luchthartig en Campert is zelf dood.

‘Hij is hartstikke dood’, appte een vriendin over haar kat, en ze zei er iets achteraan dat me niet meer zal verlaten: ‘Die lieve jongen.’

Ben je inmiddels waar ik ben? Spreekgestoelte, podium, boeken op een tafeltje, zo’n feestje, einde van de middag. Niet weggaan alsjeblieft, je moet de gemiddelde vitaliteit van de gasten wat op zien te krikken. Ik ben die vrouw in goeden doen, ze zit helemaal rechts op de vijfde rij, ze moet op tijd weg maar ik weet nu al niet meer waarom.

Dat blijft toch het wonderbaarlijke: waar je je vandaag druk over maakt is morgen opgegaan in de futiele verleden tijd. Treintijden, vette happen, verwensingen, morgen is het gewoon weer ohi, hoho, bang, bang om toch nog maar even met Campert te spreken, die lieve jongen.

Was hij een lieve jongen? Ik vraag het me af, maar je weet wat ze van de doden zeggen.

Er is altijd die tas aan de voeten van de vrouw in goeden doen, zo’n tas waarin ze geregeld een greep doet, ze ziet het zichzelf ook doen, graaien, prevelen dat ze een goed mens belooft te zijn als ze nu haar telefoon vindt, en ja, ze zal een goed mens moeten zijn want die telefoon die ligt daar gewoon te liggen, onder in de tas.

Iedereen is zo oud. En zij die niet oud zijn, zijn weer zo jong. Is er dan niemand die nog een beetje balans weet te houden?

Op dat feestje is er één om precies te zijn, een vrouw die ik als ik zelf vijftien jaar jonger was niet jong zou hebben genoemd. Als ik opkijk van mijn telefoon vang ik haar blik, als ik naar een bekende zwaai vang ik haar blik, als de schrijver om wie het allemaal draait vanmiddag wordt toegesproken vang ik haar blik, als de schrijver zelf het woord neemt vang ik haar blik. Verbeeld ik het me of is ze schrijlings op haar stoel gaan zitten zodat ik haar blik kan vangen?

Het echt wonderbaarlijke is dit: waar je je vandaag druk over maakt, daar maakte je je gisteren ook druk om en morgen net zo hard. Tegenover die zee van futiliteiten ligt een grotere zee van enormiteiten, ze gaan decennia terug, ze zijn taai en onverklaarbaar, ze hebben maar weinig nodig om te kunnen blijven leven. Een hand op een schouder, een opdracht in een boek.

Ik hoef het nieuwe boek van de schrijver om wie het vanmiddag draait niet te laten signeren. Hij doopt zijn opdracht al tientallen jaren in spijt en weemoed. Het geeft niet dat ik voortijdig de boekhandel uit sneak, we weten het gewoon wel. Maar nu staat die vrouw me bij de uitgang op te wachten, al doet ze of dat niet zo is. Bang, bang, ohi, hoho.

Alles aan haar begrijp ik. Haar zachte gezicht, de lichte blauwe ogen, die vooral. Nee, we kennen elkaar niet, maar we komen snel to the point. Waarom zijn we hier, dat is de vraag.

Haar ogen, borend nu. ‘Schrijf je met hem?’

Ik lach, oprecht. Zozeer ben ik gerijpt. Ik heb dit eerder meegemaakt, toen was het een meisje met wie hij schreef, ze was geheel in het wit in mijn herinnering, elfenvleugels, tutu, vreselijk, jarenlang droeg ik haar beeld met me mee. ‘Jij wel?’ vraag ik.

Als ze knikt, kan het me ook niks meer schelen. Ik moet de trein halen, ik weet het opeens weer wat me allemaal nog te doen staat. Ze wil me iets zeggen, maar weet zelf niet wat, ik zal haar helpen. ‘Ben je zijn minnares?’ vraag ik.

‘Nee, jij?’ zegt ze nog voor ik mijn zin kan afmaken.

Zoals we daar tegenover elkaar staan in de snel invallende schemering, iemand zou ons moeten zien. Lichtjes schudt ze het hoofd, kijkt me opnieuw aan. Schroom en spot, het is er allebei, blauw is de kleur van mogelijkheden.

Marja Pruis en Niña Weijers zullen beurtelings in De Groene een vraag oppakken uit de wereldliteratuur en omstreken