Schuifgroen

In zijn Kleine encyclopedie schetst Herman Vuijsje nieuwe inzichten over Nederland aan de hand van neologismen. Deze week: schuifgroen. Want we moeten ophouden met al dat omwoelen en volplempen van het polderlandschap.

’s Ochtends Amsterdam uit, daarna ‘geheel opgenomen in God en toch voor tweeën thuis’. Dat was het favoriete zondagsuitje van Nescio rond 1950, toen hij zijn Natuurdagboek schreef. Je kunt het hem nog nadoen, maar je moet er wel steeds vroeger je bed voor uit.

Kom aanvliegen op Schiphol en je ziet hoe groen Nederland nog is: groen in een ongelooflijke variatie van tinten. Allemaal gemaakt, beheerd en verdedigd door generaties van boeren, dijkwerkers, ambtenaren, politici, ontwerpers en planologen. Samen hebben ze in de polders en droogmakerijen van West-Nederland een uniek cultuurlandschap voortgebracht.

Landschapsontwerpers en planologen zijn er ook nu nog, maar hun tanden zijn ze kwijt. Sinds het vrije spel van de economische krachten de ruimte heeft gekregen, zijn zij geen trendsetters meer, maar trendvolgers. Ze grossieren in slogans als ‘rastermetropool’, ‘netwerkstad’ en ‘stedelijk veld’ – alsof dat beoogde beleidsconcepten zouden zijn, in plaats van gelikte etiketten waarmee onbedoelde ontwikkelingen een keurmerk krijgen toebedeeld.

Gelukkig zijn er uitzonderingen. Een van hen, Adriaan Geuze, zagen we bij Zomergasten. Ooit liet hij grote opblaaskoeien neerzetten in het Groene Hart, als protest tegen het verkwanselen van het veenweidegebied en het verdonkeremanen van de horizon. De Nederlandse ruimtelijke planning, ooit superieur, is volgens Geuze verzand in procedures en binnensmonds gemompel. Een provocatie van het schitterende Hollandse polderlandschap.

We hebben in Nederland een hele waaier van groenvarianten: vlakgroen, zwakgroen, sterkgroen, stadsgroen, blokgroen, buurtgroen, strategisch groen, recreatiegroen, compensatiegroen. Allemaal ‘groenvoorzieningen’ waarover is nagedacht en die minutieus zijn vastgelegd. Maar hoe komt het dan dat al dat moois steeds verder wegschuift van de stad? Om dat te snappen, moeten we kijken naar een laatste soort groen, een groen dat geen ‘voorziening’ is maar dat juist floreert bij gebrek aan beleid.

Mijn vader placht te vertellen hoe in zijn jeugd arme gezinnen die geen geld hadden voor broodbeleg dat probleem oplosten met behulp van een uitvinding die ‘schuifkaas’ werd genoemd. Je had een klein plakje kaas, legde dat op je boterham, en steeds als je een hap nam, schoof je dat plakje gauw een stukje naar achteren.

Het nadeel van schuifkaas is dat je er iedere keer toch weer naast hapt. En als je niet oppast, valt dat plakje uiteindelijk nog van je boterham op de grond. Dan heb je alleen nog maar een kale broodkorst. Zo dreigt het ook het groen in West-Nederland te vergaan: het wordt schuifgroen. We schuiven het steeds verder op, wég van de stad, maar het groene ommeland is niet eindeloos. Op een gegeven moment is het óp en dan heb je niks meer behalve een kaalgeslagen landschap.

Ook op andere gebieden hebben de terugtredende overheid en de privatisering ons leven tot een kale bedoening gemaakt. Maar als het om de spoorwegen gaat, of de sociale voorzieningen, kunnen we dat later weer terugdraaien. Zelfs natuur kunnen we opnieuw laten ontstaan. Maar voor historisch cultuurlandschap gaat dat niet op. Daar geldt: weg is weg.

Schuifgroen is niet van vandaag of gisteren. Amsterdam is al eeuwenlang aan het schuiven. Op zijn beroemde vogelvluchtkaart uit 1544 tekende Cornelis Anthonisz een stad met messcherpe grenzen. Buiten de omwalling graasde het vee. Honderd jaar later verheerlijkte Rembrandt op zijn pentekeningen het boerenlandschap van Diemen, de Amstel en de IJ-oevers.

Sindsdien is niet alleen de groene grens steeds verder opgeschoven, maar ook de blauwe. Eerst werden de moerassen aan de oostzijde van de stad drooggelegd, daarna werden eilanden aangeplempt in het IJ en nog weer later in het IJmeer. De aanleg van IJburg is de laatste stap, maar waarschijnlijk niet de allerlaatste: alle kans dat het ‘schuifblauw’ zich verder verplaatst richting Almere.

Nederlanders maken het land. Dat is onze kracht, maar ook onze zwakte. Anders dan bijvoorbeeld een bergachtige omgeving levert het vlakke Hollandse landschap geen natuurlijke beperkingen op voor de stedelijke uitbreidingsbehoefte. Als we willen, kunnen we die hele erfenis van eeuwen in een paar maanden omwoelen en volplempen.

En we zijn daarmee al een aardig eind op streek. Steeds grotere delen van het platteland worden het decor van een door niemand begeerde urban sprawl à la Los Angeles of een bespikkeling met fermettes zoals in Vlaanderen. Zolang er nog water en open polderland over is, zal de stad zijn vingers ernaar uitstrekken. Vooral rond de grote steden hebben we daarom behoefte aan een strenge ruimtelijke ordening, en aan een hogere instantie die deze gestrengheid daadwerkelijk vertolkt.

Adriaan Geuze verwees al eens naar Engeland, waar de nationale overheid rond grote steden simpelweg green belts heeft vastgelegd, waar niet mag worden gebouwd. In Nederland heeft Jan Pronk als minister van vrom ook zoiets geprobeerd: in de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening (2001) kwam hij met ‘groene en rode contouren’. Een paar jaar later werden ze door zijn opvolgster Sybilla Dekker van tafel geveegd in de Nota Ruimte. Sindsdien moeten provincies en gemeenten zelf maar uitmaken hoe ver ze het groen de polder in schuiven.