De zaak-Srebrenica

Schuilen achter het OM

De implicaties van een voorgenomen rechtszaak tegen oud-Dutchbat-commandant Thom Karremans - wegens de moorden in Srebrenica - zijn enorm. ‘Ik denk dat de overheid alles op alles zal zetten om hier geen zaak van te maken.’

HET IS SEPTEMBER 2006. Op een druk terras in Sarajevo bijt Emir Suljagic zachtjes op zijn onderlip. Na een tijdje begint hij opnieuw. Wat zijn je gevoelens jegens Dutchbat? was de vraag. Hij moest er lang over nadenken.
Suljagic schreef Briefkaarten uit het graf, een prachtig en schrijnend boek over zijn leven als opgejaagde Moslim-vluchteling tijdens de Bosnische oorlog van 1992-1995. Meer dan drie jaar leefde hij als een beest tussen twintigduizend lotgenoten in de enclave Srebrenica. Het was hem gelukt een boek te schrijven zonder woede. Geen woede jegens de moordende Serven, geen woede jegens de Bosnische commandanten die de vluchtelingen het laatste geld uit de zak klopten, geen woede ook jegens Dutchbat III, het uitgedunde Nederlandse bataljon dat tot taak had de vluchtelingen te beschermen, maar die taak niet uitvoerde. In juli 1995 liepen de Serven de enclave onder de voet zonder dat Dutchbat weerstand bood. De Serven voerden de mannelijke Moslims in de gevechtsleeftijd af in bussen. Zij werden vrijwel allemaal geëxecuteerd. De Rode Kruis-lijst van vermisten uit Srebrenica telt 7300 personen, voornamelijk mannen. Vorige week werd de massamoord herdacht. Daarbij werd bekendgemaakt dat inmiddels bijna 6500 slachtoffers die in verscheidene massagraven werden aangetroffen, zijn geïdentificeerd.
Suljagic’ blik was donker toen hij eindelijk antwoordde. Dat hij de woede buiten zijn boek had gehouden betekende nog niet dat hij geen woede voelde. ‘Natuurlijk had er verzet geboden moeten worden tegen de Serven’, zei hij. 'Er hadden mensen gered moeten worden in plaats van uitgeleverd. Dutchbat heeft gefaald. Je kunt uitzoeken wie daar verantwoordelijk voor zijn en dan kom je uit bij mensen als overste Karremans en zijn plaatsvervanger majoor Franken. Franken schrapte de broer van mijn collega-tolk Hasan Nuhanovic van de VN-evacuatielijst. Met een roze markeerstift. Daarmee werd hij medeverantwoordelijk voor de dood van die jongen. Zulke mensen moet je niet bevorderen, maar berechten. Dat scheelt je een nationaal trauma.’
Dat was september 2006. Toenmalig Dutchbat-commandant overste Karremans en zijn plaatsvervanger majoor Rob Franken zijn allebei bevorderd. Net als de rest van de Dutchbatters kregen ze bovendien in december 2006 het 'draaginsigne Dutchbat III’. Daarmee werd volgens het instellingsbesluit van de minister van Defensie onder meer erkend dat de ontvangers 'in alle opzichten een goede plichtsbetrachting en een goed gedrag’ hadden betoond.
Dat heeft niet kunnen verhinderen dat twee weken geleden, bijna vijftien jaar na de massamoord die ze niet hadden proberen te verhinderen, een aanklacht tegen Karremans en Franken werd ingediend bij het Openbaar Ministerie in Arnhem. Ook de toenmalige adjudant Berend Oosterveen is aangeklaagd.
De aanklacht werd ingediend namens de voormalige VN-tolk Hasan Nuhanovic en de nabestaanden van Rizo Mustafic, die als elektricien voor Dutchbat werkte. Beiden hadden zich met de Nederlanders teruggetrokken op de compound in Potocari, die omsingeld werd door de Serven. Als tolk genoot Hasan de bescherming van Dutchbat. Zijn vader Ibro ook. Franken weigerde echter om ook Hasans moeder en jongste broer bescherming te bieden. Vader Ibro kreeg de keuze: zich bij hen voegen of zich met Hasan en Dutchbat in veiligheid laten brengen. Hij deed het eerste. Alle drie werden ze gedood. Rizo Mustafic, de elektricien, had zich met zijn vrouw en drie kinderen teruggetrokken in zijn kantoortje op de compound. Hij werd door adjudant personeelszaken Oosterveen abusievelijk de dood ingestuurd. Zijn naam stond op de evacuatielijst. Hij had net als Hasan en Ibro met Dutchbat mogen vertrekken.
Volgens Liesbeth Zegveld van advocatenkantoor Böhler, die de nabestaanden vertegenwoordigt, wisten commandant Karremans, Franken en Oosterveen dat het wegsturen van Rizo Mustafic en de mannelijke familieleden van Hasan Nuhanovic hun dood zou betekenen. In de aanklacht wordt gesteld dat Karremans, Franken en Oosterveen daarmee medeplichtig zijn aan 'genocide en/of oorlogsmisdrijven en/of moord’. Zowel het Joegoslavië Tribunaal als het Internationaal Gerechtshof heeft bepaald dat de massamoord in Srebrenica genocide was.
Zegveld heeft nóg een zaak lopen namens Hasan Nuhanovic en de nabestaanden van Rizo Mustafic. In 2002 daagden zij de staat in een civiele procedure, omdat ze Nederland verantwoordelijk houden voor de dood van hun naasten. Het ging ze om de erkenning dat Dutchbat bescherming had moeten bieden. In september 2008 oordeelde de Haagse rechtbank dat Nederland niet aansprakelijk was: Dutchbat stond onder bevel van de VN. Maar die zijn immuun voor vervolging, en zij stonden met lege handen. Interessant was echter dat volgens de rechtbank de houding van Dutchbat indruiste tegen de VN-instructies om 'burgers en vluchtelingen (…) zoveel mogelijk te beschermen’.
In de civiele zaak tegen de staat heeft Zegveld namens haar cliënten beroep aangetekend. Waarom dan nu een strafrechtelijke aanklacht tegen Karremans, Franken en Oosterveen? Zegveld: 'De nabestaanden wilden dat van begin af aan. Wij hebben steeds gezegd: laten we eerst het collectief aanpakken, eerst een rechtszaak tegen de staat. Maar gaandeweg is ook bij ons de overtuiging gegroeid dat beide moet gebeuren. Deze zaak is zo ernstig dat hij ook op individueel vlak aangepakt moet worden. We hebben recht op een serieus onderzoek van het OM. Zelfs als men niet akkoord gaat met het ten laste leggen van medeplichtigheid aan genocide en oorlogsmisdrijven, dan moet het OM onderzoeken of de aangeklaagden een minder zwaar vergrijp als doodslag ten laste gelegd kan worden. Een paar jaar geleden is de verjaringstermijn daarvoor verlengd van vijftien naar twintig jaar.’
ALS KARREMANS, Franken en Oosterveen worden veroordeeld zou dat grote gevolgen kunnen hebben voor de inzetbaarheid van de krijgsmacht. Zo ver zal het niet komen, denkt defensiedeskundige en militair historicus Christ Klep. Hij deed onderzoek naar ontspoorde vredesmissies, waaronder die in Srebrenica. 'De vraag is of vastgesteld kan worden of de aangeklaagde militairen gehandeld hebben buiten hun mandaat. Als Karremans een burger had neergeschoten en daarvan waren getuigen, dan was het een ander verhaal geweest. Wat in Srebrenica gebeurd is, hoe erg ook, is wat kan gebeuren in onoverzichtelijke oorlogssituaties. Geen land wil zijn militairen berechten voor het uitvoeren van hun missie, hoe onmogelijk die ook was. Ik denk dat de overheid alles op alles zal zetten om hier geen zaak van te maken.’
Het is inderdaad zeer de vraag of het tot een rechtszaak zal komen. De aanklacht is ingediend bij het arrondissementsparket Arnhem van het Openbaar Ministerie, dat naast reguliere strafzaken als enige parket ook het militair strafrecht mag hanteren. Alle strafrechtelijke zaken die militairen betreffen komen hier terecht.
Het Arnhemse parket heeft een slechte reputatie waar het Srebrenica betreft. Toen Dutchbat was teruggekeerd in Nederland werden de militairen individueel gehoord. Hun verhalen werden gepubliceerd in een debriefingsrapport. Volgens de officiële verklaring van Defensie was het doel van de debriefing om verklaringen van Nederlandse militairen te verzamelen over waargenomen oorlogsmisdaden van de Bosnische Serven tijdens de val van Srebrenica. Feiten gepleegd door Dutchbatters die mogelijk strafbaar waren, werden uit het rapport weggelaten.
Vijf Dutchbatters die anoniem wilden blijven meldden zich vervolgens bij de marechaussee. Zij vertelden dat in hun ogen niet alleen de Serven, maar ook Dutchbat blaam trof. Hun belangrijkste punten: er waren geen voorbereidingen getroffen om bij een Servische aanval (die al een tijdje dreigde) de Moslim-vluchtelingen te beschermen. Er was een bevel geweest om de wapens neer te leggen, terwijl Dutchbat tot taak had de vluchtelingen te beschermen; het Bosnische Dutchbat- en VN-personeel op de compound in Potocari werd op geen enkele wijze beschermd. Servische militairen mochten op de compound controleren of zich nog Moslim-mannen verborgen hielden; en de Dutchbat-leiding deed niets toen zij wist dat alle persoonlijke bezittingen van afgevoerde mannelijke vluchtelingen op een grote hoop werden gegooid, wat zou kunnen wijzen op naderende executie.
Hun meldingen werden door de marechaussee puntsgewijs opgeschreven op twee A4'tjes die bekend zijn geworden als 'de managementrapportage’. De velletjes werden in augustus 1995 naar het Openbaar Ministerie in Arnhem gestuurd. Daar kwamen ze volgens het OM nooit aan. De Arnhemse officier van justitie werd echter ook mondeling op de hoogte gesteld door de kapitein der marechaussee die de verhoren van de vijf anonieme Dutchbatters had geleid. Op grond daarvan concludeerde de officier van justitie dat geen vervolging ingesteld zou worden.

IN 1998 KWAM de managementrapportage in het nieuws als een van de vele onthullingen van achtergehouden en mogelijk gemanipuleerde informatie. Zo werd in een defensielaboratorium een fotorolletje van een Dutchbatter verprutst waarop foto’s stonden van gefusilleerde Bosnjakse mannen en van Dutchbatters die de Serven behulpzaam waren bij het scheiden van de mannen van de vrouwen.
Het officiële standpunt van de regering was dat Dutchbat geen Servische oorlogsmisdaden had waargenomen, en dus niet wist wat het lot zou zijn van de mannen wier afvoeren ze niet verhinderde. De managementrapportage wees echter in een andere richting. Zou dat de reden zijn dat het OM in Arnhem niets met de meldingen had gedaan?
In augustus 1998 lekte de managementrapportage uit, wat leidde tot een storm aan publiciteit. Nu ondernam het OM in Arnhem wél actie. Maar het onderzocht slechts de twee punten uit de rapportage die niets te maken hadden met het assisteren van de Serven door Dutchbat, of het kunnen kennen van de werkelijke bedoelingen die ze met de deportatie hadden. Het OM onderzocht het overrijden van Bosnjakken door een Nederlandse pantserwagen en het aannemen van Duitse marken van vluchtelingen die niet wilden dat de Serven hun geld kregen. In beide zaken werd na kort onderzoek besloten geen vervolging in te stellen.
Zegveld: 'Het OM in Arnhem heeft nooit actie ondernomen, terwijl ze aanwijzingen had dat er strafbare feiten waren gepleegd. In de managementrapportage uit augustus 1995 stonden zo'n tien zaken waarop actie ondernomen had moeten worden. Er werden getuigenissen weggelaten uit het debriefingsrapport en er was de afspraak met defensie dat het OM geen onderzoek naar getuigenissen uit dat rapport zou instellen. Dat is ongekend.’
Zou er sprake kunnen zijn van politieke sturing in de Srebrenica-zaken? Zegveld: 'Ik sluit zeker niet uit dat de politiek ertussen zit. Maar als het OM nu opnieuw niets doet, eindigen we uiteindelijk bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. Dan gaat Nederland gegarandeerd onderuit. En dat levert een hoop negatieve publiciteit op.’

beeld: Sake Elzinga/HH