Schuilkelders en poeziealbums

Ruth Almog, De zilveren bal. Uitgeverij Ploegsma, 100 blz., \f24,95
IN KINDERBOEKEN is het vaak een kwestie van veel: avonturen, problemen, uitroeptekens, grapjes, onwaarschijnlijkheden. Een schrijver met een voorkeur voor weinig is daarom al gauw een opmerkelijke figuur.

De Israelische Ruth Almog schrijft in De zilveren bal zo'n kleine honderd bladzijden over bijna niets, ze is niet speciaal grappig en haar stijl is niet uitzonderlijk. Toch las ik het boekje achter elkaar uit, een verademing na een stapel vol met ‘veel’ die uit het vorige jaar op mijn plank was blijven hangen.
In eigen land is Almog een bekend schrijfster, in de eerste plaats voor volwassenen. Hier wordt ze voor het eerst vertaald.
Een vrouw vertelt over haar jeugd, toen de staat Israel nog in wording was. Regelmatig krijg je als lezer het gevoel in een kring om de vertelster heen te zitten: 'Kinderen hadden in die tijd haast geen speelgoed, dat had je misschien al begrepen.’ Een beeld van de tijd en de situatie wordt schetsmatig en haast terloops neergezet. Er is sprake van Engelsen die door een deel van de bevolking gehaat worden en ook bevochten. Mensen zitten regelmatig in de schuilkelder. Waar ze voor schuilden wordt niet vermeld. Je komt te weten dat kinderen snoeppapiertjes spaarden en stiekem uit truien gewurmde plukjes wol, en dat het toppunt van begeerlijkheid het poeziealbumplaatje was: 'Series van kabouters met baardjes, allerlei beeldschone meisjes in danskleding en honden met lange haren - het was een heel koninkrijk, het rijk van de fantasie.’
Het gaat er Almog duidelijk niet om een precies tijdsbeeld te geven, zoals Uri Orlev dat deed in Lydia, koningin van Palestina. Ze wil ons een ongeveer tienjarig meisje tonen dat een beetje bang is voor haar naam omdat de oma met dezelfde naam door de Duitsers is vermoord. Het kind verandert Pnina (Hebreeuws voor parel) in Pearl en krijgt het daarover aan de stok met een oude mopperkont die verbeten strijdt voor Hebreeuwse namen.
De verhoudingen worden er niet beter op wanneer Pnina/Pearl een loofhut bouwt van bij meneer Daglicht achterover gedrukte palen. Het ruziende tweetal tekent de vrede aan het ziekbed van Daglichts kleinzoon. De jongen overlijdt, wat verdriet oproept maar niet tot enige omhaal van woorden leidt.
WAT DE FLARDEN uit dit meisjesleven enigszins bijeenhoudt, is de kunstig uit zilverpapiertjes gedraaide bal die Pnina vindt. Ze beschouwt hem als een wonderbal. Pas aan het eind van het verhaal wordt duidelijk dat hij een geschenk is van Rebecca, die zo mooi piano speelt. Iedereen loopt ongeinteresseerd door de klanken die uit haar open raam waaien, maar Pnina wacht elke dag op de wals van Chopin.
De bal is het geheim in Almogs vertelling en het symbool van de intimiteit die je als lezer mag delen. Er heerst een sfeer van stilte en naar-binnen-gekeerdheid die aan Els Pelgroms Kinderen van het Achtste Woud doet denken. De ouderwetsheid van een boze man met een stok en een zielig ziek jongetje zorgen voor een vleugje W. G. van der Hulst.
Jammer dat de omslag zo raadselachtig is. Een soort zigeunermeisje zonder traan kijkt als waarzegster in de dop naar een lichtende bol en wekt de indruk in een science-fictionverhaal te horen: een opzichtige vlag voor een bescheiden lading.