Hoe veilig zijn blijf-van-mijn-lijfhuizen?

Schuilplaats bekend

Vrouwen op de vlucht voor huiselijk geweld zijn zelfs in een blijf-van-mijn-lijfhuis niet altijd veilig. Hoe safe zijn opvanghuizen?

Aan de voorgevel is op het eerste gezicht niets bijzonders te zien, maar wel hangt er onopvallend boven een loodzware deur een bewakingscamera. Alleen wie hier woont en werkt, weet dat achter de gevel van het kolossale herenhuis in Den Haag een blijf-van-mijn-lijfhuis is gevestigd. Binnen lijkt het op een studentenhuis. Aan weers zijden van de lange gangen zijn kamers voor de bewoners. Elke kamer heeft een televisie en een wastafel. Douche en wc zijn voor gezamenlijk gebruik. Er is een grote keuken met vier fornuizen en twee koelkasten, en een woon kamer.

In het huis heerst overdag rust, maar vanaf een uur of vijf is er volop leven in de brouwerij. Kinderen rennen door de gangen en er wordt gezamenlijk volgens een corveerooster gekookt en opgeruimd. Alles is kraakhelder. Het ruikt naar chloor, vermengd met de geur van volle luiers. Op de muur van de gangen hangt het reglement van het huis.

De directeur van de Haagse Stichting Vrouwenopvang, Roos van Dijk, zegt dat huisregels hard nodig zijn: «Hier wordt dicht op elkaar geleefd. Iedereen heeft eigen gewoontes en komt uit een moeilijke situatie. Soms zijn vrouwen zwaar getraumatiseerd. Dat kan conflicten veroorzaken. Maar over het algemeen zijn de bewoners lief voor elkaar. De vrouwen vangen elkaar op, er is solidariteit en herkenning.»

Iedereen verblijft hier maximaal enkele maanden met een ongewis, vaak somber toekomstperspectief. De bewoonsters delen met elkaar dat ze een onhoudbare thuissituatie zijn ontvlucht. In alle gevallen is structureel (seksueel) geweld de hoofdoorzaak, waarbij soms ook eerwraak een rol speelt. De laatste groep leeft in permanente doodsangst. De vrouwen, meestal van Turkse, Koerdische of Iraakse afkomst, hebben zich in de ogen van de echtgenoot en de familie niet gehouden aan de code van de seksuele (familie)eer. Bijvoorbeeld door zich «onkuis» te gedragen. De geschonden eer moet worden hersteld, soms door letterlijke eliminering. Vaak komt deze daad voort uit roddels over het gedrag van de vrouw.

Om hoeveel gevallen het in Nederland gaat is volgens de stichting TransAct, landelijk expertisecentrum huiselijk en seksueel geweld, moeilijk te zeggen. Het wordt niet geregistreerd. Maar, zegt Sezai Aydogan van TransAct, er gaat een veel groter getal van onpeilbare ellende achter schuil: «Andere vormen zijn verstoting uit de familie, gedwongen huwelijken, in geval van verkrachting soms een huwelijk met de dader of met een oude of invalide man. Ook worden meisjes gedwongen terug te keren naar het land van herkomst. Wat er dan gebeurt, onttrekt zich aan het oog.»

Voor vrouwen met deze specifieke achtergrond blijkt ook een opvanghuis niet altijd veilig te zijn. Een van de schokkendste gebeurtenissen in de reeks van eerwraak binnen de vrouwenopvang is de dood van de Turkse Gül, maart vorig jaar. Zij was met haar drie kinderen gevlucht naar een opvanghuis en al een paar keer veranderd van schuiladres. Haar man wist haar na lang speurwerk via zijn netwerk toch te vinden in een opvanghuis in Koog aan de Zaan. Toen zij terugkwam van het politiebureau, waar ze net aangifte had gedaan, wachtte hij haar op voor het opvanghuis. Op klaarlichte dag, enkele meters voor de ingang, werd zij vermoord.

Vorige maand werd een Iraaks meisje gedood door haar broer omdat zij een kind had gekregen van een «foute» man. Ze zat in de opvang en werd onder valse voorwendselen voor een weekend naar huis gelokt.

In de rechtszaak van de moordenaar van Gül begin dit jaar stond de vraag centraal: hoe heeft hij haar kunnen vinden? Hoe veilig zijn de opvanghuizen eigenlijk, en trekt dit extreme geweld niet een te grote wissel op de rest van de opvangcentra?

Volgens Roos van Dijk is het inderdaad een dilemma. De opvanghuizen, waarvan er in Nederland ruim honderd zijn, ontstonden in de jaren zestig onder druk van het feminisme. Roos van Dijk: «Nog steeds is het de bedoeling dat vrouwen in een veilig huis op adem kunnen komen en zich stapsgewijs voorbereiden op terugkeer in de maatschappij. De hulpverleners bieden hulp bij materiële zaken, maar ook bij het opvoeden, en ze dragen zorg voor een veilige leefsfeer. We zijn er niet voor de traumaverwerking, maar helpen de vrouwen wel de weg te vinden naar professionele hulp. Vrouwen die met de dood worden bedreigd, vergen andere maatregelen.»

De overkoepelende organisatie Federatie Opvang stelde vorige maand in een brandbrief dat er grenzen zijn aan de mogelijkheden van opvang. Volgens de federatie verblijven momenteel in opvangcentra meer dan honderd vrouwen die in direct levensgevaar verkeren. De federatie roept al jaren om hardere maatregelen van de overheid en om betere samenwerking met politie en justitie. Tot voor kort had dit probleem weinig prioriteit in de Haagse politiek. Onder Paars II klonken zelfs nog geluiden om de subsidie van blijf-van-mijn-lijfhuizen deels af te bouwen.

Daar is inmiddels verandering in gekomen, onder meer door de komst van VVD-kamerlid Ayaan Hirsi Ali, die zelf ooit als tolk in een vrouwenopvanghuis werkte. De verhalen die ze daar hoorde, zetten haar agenda van vrouwen onderdrukking en mishandeling op scherp. Ze pleit voor een omkering: niet de slachtoffers wegstoppen, maar de families die vanuit groepsloyaliteit wraakplannen smeden keihard aanpakken. Nu gaat justitie pas ná de moord over tot vervolging van alleen de dader. Dit beleid is volgens haar het paard achter de wagen spannen. De opvanghuizen zitten vol met allochtone vrouwen, zo’n zestig procent, van wie een deel op de vlucht is voor eerwraak, en de geweldscultuur blijft in stand.

Deze week wordt in de Kamer de aanpak van eerwraak besproken. Hirsi Ali wil dat de nieuwe terrorismewet van toepassing wordt op de potentiële daders, inclusief de familie eromheen. De inlichtingendienst kan bewijsmateriaal verzamelen, waardoor ze juridisch anders (preventief) aangepakt kunnen worden. Dit voorstel stuit op grote weerstand. De Federatie Opvang pleit onder meer voor crisisinterventieteams die hard kunnen ingrijpen op het moment dat er een noodsituatie is of als er vermoedens zijn van eerwraak. Alle fracties in de Kamer zijn voor een huisverbod voor plegers van huiselijk geweld.

Ondertussen staat het thema overal op de agenda. Turkse verenigingen wijzen iedere vorm van geweld ondubbelzinnig af en tijdens themabijeenkomsten wordt gepoogd het hachelijke onderwerp open te breken. In de nieuwe inburgeringscursus van minister Verdonk wordt eerwraak onder de aandacht gebracht van nieuwkomers. Op initiatief van justitie loopt sinds oktober vorig jaar bij de politie regio Haaglanden een pilot-project rond eerwraak: in een cursus leren agenten eer-gerelateerd geweld signaleren en registreren. De bedoeling is dat dit project leidt tot een landelijke methode. Die zal neerkomen op een systematische dreigingsanalyse, het creëren van netwerken onder minderheden en gerichter bescherming bieden aan bedreigde vrouwen.

Maar iedereen weet dat een mentaliteitsverandering van deze archaïsche plattelands traditie uiteindelijk de enige oplossing is. Vrouwen die op tijd zijn gevlucht, kunnen niet eeuwig in de opvang leven. Bovendien kan daar geen waterdichte veiligheid geboden worden.

Van Dijk, gepokt en gemazeld in deze problematiek, zegt: «Het gaat in de opvang in álle gevallen om bedreiging van mannelijke ego’s – of dat nou wordt gevoed door eerwraak of niet. Bij mishandeling is sprake van grote machteloosheid. Voor íedere bewoner gelden strikte preventieregels: geen post en geen mensen ontvangen. Na een afspraak buitenshuis mag iemand zich nooit in de buurt van het opvanghuis laten afzetten. Voorzichtig zijn met bellen, geld pinnen en bij het invullen van formulieren van ziektekostenverzekering en advocaat. Aangifte doen bij politie in een andere stad dan die van de verblijfplaats. Ook bij terugkeer in de samenleving mag niemand het adres prijsgeven. Soms beleven vrouwen na de terugkeer naar hun man een soort wittebroodsweken. In deze sfeer vertelt een vrouw gemakkelijk over haar ervaringen.»

Hoe mannen een adres weten te achter halen, blijft volgens Van Dijk gissen. Volgens Johan Gortworst van de Federatie Opvang bleek in het geval van Gül dat haar man onder meer via de verzekering wist waar zij verbleef. Hij somt voorzichtig zwakke plekken in de veiligheid op: de kinderen gaan naar school, taxichauffeurs weten vaak de locatie, soms geven vrouwen aan het thuisfront prijs wie uit hun gemeenschap in een opvanghuis zit. Het sociale netwerk rondom een gevluchte vrouw wordt opgedragen om goed op te letten. Soms trekken familieleden met een foto van de vrouw langs koffiehuizen en cafés. Of de deurwaardersmethode: systematisch met een smoesje instanties afbellen om gegevens te verzamelen.

Johan Gortworst: «In de afgelopen decennia zijn er zoveel vrouwen door de deur van een opvanghuis gegaan dat geheimhouding een illusie is. We leven in een transparante samenleving en Nederland is uiteindelijk een klein land. Er tekent zich al langer een discussie af binnen de hele opvang: schuilen of terug vechten. We zitten vol. Jaarlijks zijn er meer dan dertigduizend aanmeldingen. We kunnen ongeveer twaalfduizend mensen plaatsen. De opvang almaar uitbreiden is natuurlijk geen echte oplossing.»

Volgens Roos van Dijk worden opvang huizen steeds minder onzichtbaar. Ze zijn meer en meer naar buiten gericht, zodat het voor de samenleving herkenbare plekken worden: «De vrouwen worden immers voorbereid om terug te keren naar een zelfstandig bestaan. Amsterdam werkt bijvoorbeeld steeds minder met geheime adressen.»

Deze positionering weerspiegelt een cultuuromslag binnen de opvang voor vrouwen met een «normaal» perspectief. Het hoofdkantoor in Den Haag is net verhuisd. In de nieuwe inrichting zijn overlegruimtes gekomen waar vrouwen met hun man kunnen praten over terugkeer. Volgens Van Dijk was van deze open houding vroeger geen sprake: «In het feminisme gold toen: je gaat toch niet terug naar je man? Maar uit cijfers blijkt dat meer dan de helft van de vrouwen terugkeert naar huis. Als die behoefte er is, dan is het beter om daarop in te spelen.»

Aan de andere kant, zegt Van Dijk, wordt op landelijk niveau gepleit voor het instellen van safehouses: «Plekken die vanwege grote risicogevallen vragen om extreme veiligheidsmaatregelen: als het gaat om vrouwen waarvan wordt vermoed dat eerwraak dreigt, vrouwen die in een zwaar crimineel netwerk zitten – bijvoorbeeld Joegoslaven – of Nederlandse vrouwen die half in de onderwereld zitten. Het blijft natuurlijk ironisch dat de slachtoffers hun huizen verlaten en geïsoleerd moeten leven en dat de daders rond blijven lopen. Wat dat betreft ben ik het ten dele eens met Hirsi Ali.»

Maar Van Dijk vindt ook dat in de huidige discussie over veiligheid en vrouwenonderdrukking de focus te veel is gericht op de etnisch-gerelateerde eerwraak: «Het betreft een relatief klein deel binnen de totale opvang. Eerwraak is geen afspiegeling van de hele groep. Huiselijk geweld komt in alle groeperingen voor. Alcohol speelt daarbij vaak een rol. Het verschil is wel dat autochtone vrouwen meestal een beter sociaal vangnet en meer financiële middelen hebben om op eigen benen te staan. Bij de intake maken we een scherpe risicoanalyse, mede op basis van informatie van de politie. Onze samenwerking met de politie is sowieso van groot belang. En die is uitstekend.»

Naast Roos van Dijk zit Imelda (niet haar echte naam). Ze is van Surinaamse afkomst en woont met haar kinderen in het Haagse opvanghuis. Haar verhaal is er een als zo vele verhalen binnen de opvang en laat zien dat angst voor vergelding niets te maken hoeft te hebben met familie-eer. Imelda praat monotoon. Deze grote vrouw zit er maar kleintjes bij.

Ze kreeg op jonge leeftijd kinderen. Al snel speelde de agressie van haar vriend een structurele rol in haar bestaan. Ze deed pogingen om bij hem weg te gaan, maar kwam telkens toch maar weer terug. Hij beloofde beterschap, deed weer uiterst charmant en gaf meer aandacht aan de kinderen.

Imelda: «Hij was altijd heel afhankelijk van mij. Ik deed alles in het huis. Misschien voelde hij zich daardoor gefrustreerd. Aan geweld en vernedering ga je geleidelijk kapot. Het is er nooit opeens. De stap om weg te gaan komt ook niet uit de lucht vallen. Toen mijn moeder overleed, viel mijn grote steun en toeverlaat weg.

Toen een situatie compleet uit de hand liep, was ik het opeens helemaal zat. Ik heb gebeld met een maatschappelijk werkster, en toen ging het balletje rollen. Eenmaal in de opvang werd ik geholpen om aangifte te doen, maar ik vond dat doodeng. Via-via hoorde ik dat hij bij vrienden informeerde waar ik was. Ik was echt bang dat hij mij zou vermoorden. Toch heb ik aangifte gedaan. Maar alles is heel, heel zwaar. Je bent je vertrouwde omgeving kwijt, de kinderen zijn naar een nieuwe school. En ik moet straks met mijn kinderen weer een eigen leven opbouwen.»

Daar is Imelda nu mee bezig, na zes maanden in het opvanghuis. Ze zal niet naar haar eigen huis gaan, en ook niet naar dezelfde stad. Ze zegt dat ze het vooral doet voor de kinderen: «Zij verdienen het om in een betere sfeer op te groeien.»