H.J.A. Hofland

Schuimbekken of zwijgen

Nieuwste rel in het vraagstuk van de Nederlandse vrijheid van meningsuiting: de ruzie over de afscheidsrede van Pieter van der Horst, hoogleraar Nieuwe Testament en Jodendom en de rector magnificus van de Universiteit van Utrecht, prof. W.H. Gispen. Van der Horst sprak over «de mythe van het joodse kannibalisme», ontstaan in tijden voor Christus, overgenomen door Luther, nieuw leven ingeblazen door de nazi’s en nu virulent in de islamitische wereld. In de oorspronkelijke tekst staan passages die door Gispen onwetenschappelijk of onverstandig werden gevonden, reden waarom hij Van der Horst zeer dringend afraadde die uit te spreken. Er was onder andere sprake van «dat een deel van de islamitische wereld de fakkel van de jodenhaat van de nazi’s heeft overgenomen en met vuur en verve verder draagt».

Van der Horst zwichtte, een en ander lekte uit en Gispen werd van censuur beschuldigd. Daar was de linkse kerk weer bezig, daar had je ze weer, de politiek correcten met hun slappe knieën, schreven de columnisten van het nieuwe verzet. De geweldige oorlogsmetaforen werden uit de kast gehaald. R.P. Cleveringa had het anders aangepakt, toen hij op 26 november 1940 zijn rede hield tegen de bezetter, ter verdediging van de ontslagen joodse rechtsgeleerde E.M. Meijers. Aan wie werd Cleveringa hier ten voorbeeld gesteld? Aan Gispen of aan Van der Horst? Als opvolger van de held van Leiden – Cleveringa was werkelijk een held – had Van der Horst het universitair gezag aan zijn laars kunnen lappen, hij had bijvoorbeeld een zaaltje kunnen huren om daar zijn oorspronkelijke tekst te kunnen uitspreken. Dat was een nog grotere rel geweest. Deze is alweer weggeëbd. Maar er komen er meer.

Mijn definitie van de rel is: een ruzie zonder resultaat. Iedere rel is vergeefs, maar wel een symptoom.

In Amerika ebt een veel omvangrijkere ruzie over een verwant onderwerp weg. Het onderwerp is de Israël-lobby en de Amerikaanse buitenlandse politiek. Daarover verscheen in de London Review of Books (23 maart 2006) een essay van de Amerikaanse geleerden John J. Mearsheimer en Stephen M. Walt. De strekking ervan is dat Washington zijn buitenlandse politiek in het Midden-Oosten laat bepalen door Israël en dat daardoor niet altijd het Amerikaanse nationale belang wordt gediend. Het geheim van de Israëlische invloed, schrijven de auteurs, ligt bij het American Israel Public Affairs Committee (aipac), na de National Rifle Association de machtigste lobby. In Amerika wekte het heftige reacties. Een dappere bijdrage! Dit stuk stinkt! Je reinste antisemitisme! Een samenvatting van het essay is gepubliceerd in NRC Handelsblad van 29 mei; de dag daarop gaven de correspondenten in Jeruzalem en Washington een overzicht van het niet geringe effect. Hier reageerde een enkeling. In Nederland waren we toen waarschijnlijk met andere belangrijke dingen bezig.

In de New York Review of Books van 8 juni staat een uitvoerig essay van Michael Massing, beroepscriticus van de pers. Hij heeft zich er kennelijk toe gezet het definitieve oordeel te geven. Mearsheimer en Walt hebben een paar flinke fouten gemaakt, dat heeft hun positie verzwakt, het geheel van hun betoog maakt enigszins een tweedehands indruk, maar in beginsel hebben ze gelijk, schrijft hij. Dan geeft hij een beschrijving van de niet geringe activiteiten en de doelstellingen van aipac. Samengevat wil de lobby «een machtig Israël, dat vrij is om de gebieden van zijn keuze te bezetten, een verzwakt Palestijns volk en de onvoorwaardelijke steun van de Verenigde Staten». Ontegenzeggelijk heeft de lobby daarbij succes gehad. De laatste keer toen de «routekaart naar de vrede», een ontwerp uit 2003 van president Bush, langzamerhand en met medewerking van aipac in de vergetelheid raakte. Dat extremistische Palestijnen daartoe hebben bijgedragen spreekt vanzelf, maar het ging er nu juist om hun invloed te neutraliseren.

Massing citeert een afgevaardigde uit het Congres: «Wij zijn zo voorspelbaar, zo onvoorwaardelijk dienstbaar aan Israëls acties, dat we in de loop van de tijd een groot deel van de Arabische wereld van ons hebben vervreemd. (…) Het Congres zou nooit een resolutie aannemen die in welk opzicht dan ook kritiek uitoefende op Israël.» Massing vroeg of hij zijn zegsman bij name mocht noemen. «Hij zei: nee.»

Dat is de kern van dit vraagstuk. Geen zinnige politicus in Europa of Amerika zal Israël van de kaart willen hebben. Er is geen land dat meer machtige bondgenoten heeft dan dit, geen ander dat op zoveel solidariteit kan rekenen. Dat is nog eens gebleken toen Saddam Hoessein Koeweit veroverde. Maar zeker na 9/11 en het begin van de oorlog in Irak wordt deze solidariteit in toenemende mate overspannen. Er worden steeds meer onverantwoorde kortsluitingen gemaakt. We zijn in oorlog met het internationaal terrorisme. Zegt Bush. Hoe? Liever niet op zijn manier.

Maar dat mislukt. Zeker in Europa doen politici en columnisten al hun best om de mening te verbreiden dat we in een totale oorlog met de islam gewikkeld zijn. Israël is daarbij de voorpost van het Westen in het Midden-Oosten. De escalatie gaat verder. Kritiek op «de» islam wordt zo’n beetje onze heilige plicht. Degenen die deze zienswijze verdedigen, beroepen zich steevast op «de vrijheid van meningsuiting». Intussen wordt kritiek op Israël, ook met de beste bedoelingen, een taboe. Dat land heeft betere bondgenoten verdiend dan deze kleinzonen van McCarthy. Hier beginnen we verdwaald te raken in een informele dictatuur: schuimbekken of zwijgen, in naam van de vrijheid van meningsuiting.