Manoeuvreren tussen de Iraanse binnen- en buitenwereld

Schuivende hoofddoeken

Oude revolutionairen kiezen voor het geld, jongeren jagen vooral hun eigen kicks na. In het geniep kan er in het moderne Iran van alles. ‘Wij zijn een land waar men vreemdgaat, rondraast en zichzelf en elkaar vernietigt.’

Medium anp 26674632

Potloodtekeningen met smachtende vrouwenogen en getatoeëerde mannenlijven hangen in de krappe etalages van de boetiekjes en galeries van Tajrish, ooit een lieflijk dorpje met prachtige tuinen maar nu opgeslokt door het grote en grijze Teheran. Ook realistische schilderijen in romantische stijl en ingelijste doeken met protserige bostaferelen vol naakte vrouwen, elfjes en bergbeekjes zijn populair. En natuurlijk mogen de foeilelijke 3D-lijsten niet ontbreken, waarin met latjes en stoffen hele landschappen en stadsaangezichten zijn nagemaakt.

Mijn aandacht wordt getrokken door een klein schilderij van een donker kind. Snel loop ik naar binnen. Een jeugdig ogende vrouw kijkt op van haar schildersezel. Ze werkt aan een groot doek van zo’n anderhalve meter hoog. Tot mijn verbazing blijkt ze bezig met een kopie van een naakte Afrikaanse vrouw. Een puntige borst staat fier omhoog.

‘Maar waarom een zwarte vrouw?’ vraag ik.

‘Ik houd van donkere mensen’, zegt ze in gebroken Engels terwijl haar ogen ondeugend twinkelen.

‘Maar is dit niet haram in Iran?’

‘Ja, maar ik vind het sexy.’ Ze lacht onverschrokken. ‘Ik houd van donker en bloot.’ Ze knipoogt.

Madousa blijkt 39 jaar oud en is afgestudeerd biologe. Ze is naar de universiteit teruggekeerd om kunst te studeren en loopt een stage van acht weken. Ze is goed. Het doek lijkt sprekend op de kleine uitgeprinte foto van het origineel die met plakband in de hoek is bevestigd.

‘Ben je getrouwd?’ herhaal ik de vraag die mij hier om de minuut wordt gesteld.

‘O nee’, antwoordt ze resoluut. ‘Iraanse mannen gaan alleen maar vreemd. Ze zijn niet te vertrouwen.’

‘Salam, halet khoobeh, hoe gaat het hier?’ Madousa’s kunstdocent komt binnen.

‘Uitdagend schilderij’, merk ik op.

‘Ja, mooi hè?’

Als ik de gordijnen open, krijg ik een waarschuwing: ‘Pas op! Je hebt geen hoofddoek om, de buren mogen je haar niet zien’

‘Dus dit schilderij hangt straks in de etalage?’

‘Nee, nee, nee, dit blijft uit het oog’, zegt de docent met een lach.

Iran is als een lichaam met twee zielen. Niets lijkt wat het is. Op Khomeini International Airport krijg ik zonder veel moeite een stempel in mijn paspoort gedrukt en mag ik met de Iraans-Nederlandse vriendin met wie ik reis met de roltrap naar beneden. Daar worden we door een gesluierde vrouw met een brede glimlach welkom geheten en krijgen we een roos in onze hand gedrukt. Iran begroet liefdevol zijn bezoekers.

Medereizigers stormen uitgelaten op hun familieleden af die zich achter de ontvangsthekken verdringen om de verloren kinderen van het land weer in de armen te sluiten. Het zijn nazaten van intellectuelen die direct na de Islamitische Revolutie in 1979 vertrokken, of kinderen van nieuwe rijken die in het buitenland studeren om, op een enkel familiebezoek na, nooit meer naar hun geboorteland terug te keren. Los Angeles alleen al telt 520.000 Iraanse Amerikanen.

Het ruime appartement van de tante van mijn reisgenote heeft een binnenplaats van één bij twee meter die vol staat met was, vrieskisten en de voedselvoorraad. Het betegelde pleintje vormt de enige natuurlijke lichtbron van het huis. De ramen aan de buitenkant zijn afgedekt met dikke gordijnen en vitrage. Als ik op zoek naar licht en ruimte de gordijnen opentrek, krijg ik een waarschuwing: ‘Pas op! Je hebt geen hoofddoek om, de buren mogen je haar niet zien.’

De eerste dagen in Teheran roepen gevoelens van verwarring, fascinatie en lichte afkeer op. In de uitgestrekte semi-modernistische hoofdstad zonder stadshart blijkt meer vrijheid te bestaan dan ik ooit had kunnen vermoeden. Jonge vrouwen dragen hun gekleurde hoofddoeken tot ver op hun achterhoofd. De gezichten zijn gelijkvormig, uitgedost met dikke lagen make-up, getatoeëerde wenkbrauwen, de karakteristieke Perzische neus vervangen door eentonige plastische producties. De jassen worden steeds korter, de broeken en shirts almaar strakker. De Iraanse jeugd danst op een dun evenwichtskoord van sociale conventies en staatsnormen.

Tegelijkertijd zijn de ramen geblindeerd, de luiken gesloten. De straten zijn leeg en vooral kaal. In de meeste winkels en cafeetjes zijn de verplichte afbeeldingen van wijlen opper-ayatollah Khomeini en de huidige hoogste geestelijk leider Khamenei verschrompeld tot een ansichtkaart, verstopt in de hoek van de zaak. Voortdurend stuiten we op zichtbare en onzichtbare muren die de grenzen van sekse en seksualiteit aangeven.

In het vrouwenpark dienen de hoge muren om de wandelende of hardlopende vrouwen te vrijwaren van de loerende blikken van mannelijke buitenstaanders. Ze ontnemen de bezoekers ook elk uitzicht. In het openbaar vervoer verdeelt een fictieve grens de seksen: vrouwen achter in de bus en mannen voorin, vrouwen in de vrouwencoupé van de metro en mannen in de mannencoupé. De single-sex taxi’s bestuurd door in het groen gehulde chauffeuses zijn populair bij vrouwen. Niet alleen om religieuze redenen, maar ook om hun veiligheid. ‘En dan kunnen ze een praatje maken met de chauffeur zonder dat dat ongepast is’, zegt Naje (50), die acht jaar geleden als een van de eerste vrouwen in de stad een baan als taxichauffeur verwierf. Ze is moeder van drie studerende kinderen en rijdt meer dan acht uur per dag, zeven dagen in de week, zelfs tijdens het vrijdagmiddaggebed. Haar man is nagenoeg blind en heeft geen werk.

En dan zijn er de virtuele muren. De op 3 augustus aangetreden president Hassan Rohani mag een Twitter-account hebben, voor de gewone Iraanse burger is dat nog steeds uit den boze. Ook Facebook is niet toegestaan. ‘Filter’, is het korte antwoord met een al even kort schouderophalen van de eigenaar van een internetcafé. Veel meer wil hij niet zeggen. Na opnieuw een arrestatieronde zit de angst er goed in. Ik krijg dan ook geen reacties op mijn interviewverzoeken. Overal waar ik kom ontvangen mensen me hartelijk en gastvrij, maar op openlijke associatie met een journalist zit niemand te wachten.

In het kleine zaakje in een oerlelijk mini-winkelcentrum wordt Perzische popmuziek gedraaid en oude Duitse krakers. Het snel opkomende Viber is volgens een van de laatste religieuze fatwa’s ook al haram omdat het zou aanzetten tot daten. In werkelijkheid vormt Viber natuurlijk vooral een politiek gevaar. Dataverkeer is voor de omvangrijke veiligheidsdiensten een stuk moeilijker te controleren dan tekstbestanden.

Onwennig manoeuvreer ik tussen het vrije maar afgeschermde binnen en het beperkte en openlijke buiten. In aan het zicht onttrokken cafeetjes drinken we mierzoete, slappe koffie voor tienduizend toman (2,50 euro) of meer terwijl mannen ons ongegeneerd aanstaren. Alcohol wordt door de Iraniërs illegaal gestookt of stiekem ingekocht bij de christelijke Armenen die wel alcohol mogen nuttigen. Turkse handelaren smokkelen drank het land in, of het wordt door ambassadepersoneel geïmporteerd en weer doorverkocht. Zo drink ik ’s avonds originele Johnnie Walker die een ondeugende tante heeft verkregen via een kennis van de Griekse ambassadeur. Er circuleren de wildste geruchten over seksfeesten en prostitutie in de vorm van een huwelijk voor een paar uur of een nacht gevolgd door een flitsscheiding. De Iraanse jeugd zou ook tot de meest verslaafde ter wereld behoren, ze spuiten en snuiven bij gebrek aan financiële middelen soms de grootste rommel. Zien doen we het echter niet.

‘In dit land is geen maagd meer te bekennen’, lacht Kaveh, de 33-jarige achterneef van mijn Iraans-Nederlandse vriendin die wel erg in mij geïnteresseerd is. Tijdens een verjaardagsdiner schuift hij steeds dichter tegen me aan, terwijl hij zijn hand wat al te broederlijk op mijn been legt. Zijn trouwring verdwijnt ondertussen in een broekzak. Hij vertelt hoe jongeren ‘het’ hier met elkaar doen. ‘Je huurt gewoon een villa in de bergen van een bevriende of corrupte eigenaar. Daar kan alles.’ Toch is ook hij eens met zijn vriendinnetje gearresteerd. ‘We hebben een nacht in de cel gezeten, maar we hadden een goed verhaal, geld en connecties.’ Hij lacht en haalt zijn schouders op. ‘De familie van het meisje werd wel ingelicht maar maakte er gelukkig niet een al te groot probleem van.’

‘Ja, er is sprake van helden­verering, maar heb je ooit gehoord van een sjiitische zelfmoordenaar?’

‘Is het waar dat drugs legaal zijn in Nederland’, wil een 29-jarige taxichauffeur weten terwijl hij ons door het muurvaste verkeer naar het grote treinstation in het zuidelijke deel van Teheran manoeuvreert. Volgens hem zijn in Iran vooral lsd en wiet populair. Opium en heroïne uit buurland Afghanistan zijn spotgoedkoop. Iraanse dealers ruilen de steeds schaarsere en duurdere pistache en saffraan voor Afghaanse drugs.

Roken en drinken: in Iran kun je alles doen wat Allah bij monde van de Groot-Ayatollah verboden heeft. In het ene café krijgen we nul op het rekest als we vragen om een asbak en een waterpijp. ‘Vrouwen roken niet.’ In een ander achter winkels verscholen café roken vrouwen wel en krijgen we met een glimlach een asbak aangereikt. Op jaren-tachtigmuziek van Modern Talking, Phil Collins en Stevie Wonder wordt druk geflirt. Goed gestylede homo’s schurken dicht tegen elkaar aan. De hoofddoek mag echter nergens af, ook niet in het peperdure noorden van de stad waar de goedkope huishoudwinkels zijn vervangen door Versace Art Galleries en marmeren shopping malls. De beauty- en massagesalons en kappers voor vrouwen zijn voor het mannenoog verborgen. We kloppen op de deur van een appartement en er gaat een wereld voor ons open. Tientallen vrouwen hebben hun haren los hangen, wisselen de laatste roddels uit en flirten soms ondeugend met elkaar. Een jonge vrouw met prachtige krullen epileert met een scherp touw razendsnel wenkbrauwen en snorretjes.

In een krap hoekje van de stomend hete ruimte wordt mijn haar vluchtig gewassen, waarna ik plompverloren op een kappersstoel word gezet. Niemand spreekt Engels, maar mijn haren worden evengoed geknipt en uitgebreid geföhnd tot ik net zo’n gelikt kapsel heb als de anderen. De meeste vrouwen hebben geblondeerde haren, maar volgens de saloneigenaar is de nieuwste mode lang en donker – met highlights welteverstaan, want de blonde diva’s uit de slecht nagesynchroniseerde Turkse soaps blijven het ideaal.

Als de vrouwen zijn geknipt en gekapt, geföhnd, de blonde pieken zijn gezet en de wenkbrauwen zijn geëpileerd, gaan de hoofddoeken weer om en wordt de chador over hoofd en schouders gedrapeerd. De lange zwarte doek verdwijnt steeds meer uit het straatbeeld, maar blijft voor de gelovigen een teken van religiositeit, zeker nu de jongere generaties de hoofddoek steeds verder naar achteren trekken. Ook ik moet na het kappersbezoek mijn hoofddoek weer om, al mag een flinke pluk haar in het zicht blijven.

Bij achterneef Kaveh geraken we met slechte zelfgestookte wijn in een politieke discussie. ‘Ik verwerk jaarlijks 2500 kilo druiven tot honderd liter wijn’, roept zijn vader Ali enthousiast. ‘Valt dat niet op?’ vraag ik. ‘Natuurlijk’, antwoordt hij. ‘Vooral omdat deze druivensoort alleen voor het maken van wijn wordt gebruikt. Maar niemand vraagt of zegt iets.’

‘De grote vraag die de hele wereld bezighoudt is waar het met het Midden-Oosten naartoe gaat’, zegt Kaveh. ‘Voor Iran is een grote rol weggelegd. En voor Egypte natuurlijk, met het hoogste bevolkingsaantal van de hele regio.’ Voor de soennitische islam ziet hij weinig toekomst. ‘De soennitische radicalisering wordt gefinancierd door Saoedi-Arabië en de Golfstaten, maar olie wordt in de toekomst steeds minder belangrijk. Daarbij is er geen draagvlak voor hun ultraconservatieve opvattingen, kijk maar naar de massale tegenstand tegen de Moslimbroederschap. De toekomstige strijd gaat om menselijk kapitaal en daar heeft vooral Saoedi-Arabië slecht in geïnvesteerd. Ik denk dat de sociaal-politieke oriëntatie in het Midden-Oosten steeds meer richting het secularisme zal verschuiven. En ook het sjiisme zal aan invloed winnen. Deze religie is immers veel flexibeler en dynamischer dan het soennitische conservatisme en leent zich veel beter voor de moderne tijd.’

Door concepten als ijtihad (herinterpretatie van de geschriften) heeft het sjiisme altijd makkelijker op nieuwe ontwikkelingen kunnen anticiperen. De praktische uitwerking van religie in Iran lijkt, hoewel alomvattend, inderdaad regelmatig minder streng dan in landen waar de soennitische islam overheerst. Zo is de hoofddoek hier weliswaar verplicht, maar de losse manier waarop zij door velen wordt gedragen is onvoorstelbaar binnen de soennitische wereld. Ook de gebedsoproep is minder overheersend. In Iran zijn niet overal speakers en megafoons die de gebeden door de straten schallen. Omdat twee van de vijf gebeden binnen het sjiisme mogen worden gecombineerd, bidden gelovigen in de praktijk slechts drie keer per dag. Vrouwen kunnen ook in de twee wetscholen van de sjiitische islam eenvoudiger scheiden dan binnen de vier soennitische wetscholen.

Op mijn vragen over de grote nadruk op het martelaarschap binnen het sjiisme reageert Kaveh laconiek. ‘Ja, er is sprake van heldenverering, maar heb je ooit gehoord van een sjiitische zelfmoordenaar? Het martelaarschap is mooi, maar jezelf opblazen? Zo ver gaat een sjiiet echt niet.’

Moderne sjiitische zelfmoordenaars zijn inderdaad zeldzaam, maar al in de vroege sjiitische geschiedenis waren kamikazeacties niet ongebruikelijk. Zo stortten de beruchte elfde-eeuwse sjiitische Assassijnen zich zonder doodsangst op hun vijand. Dit deden ze volgens de overleveringen compleet gedrogeerd, vandaar hun naam die ontleend is aan de drug hasjiesj.

Overal in het moderne Iran hangen aan lantaarnpalen foto’s van martelaren. Ook de straatnamen verwijzen naar de helden van de revolutionaire geschiedenis. Jongens die omkwamen in de handen van de brute savak, de geheime dienst van de vroegere sjah. Of tijdens de bloedige oorlog tussen Iran en Irak (1980-1988) waarin tienduizenden jongens met plastic sleutels om de nek de dood vonden. Die sleutels kregen ze van het regime met de persoonlijke belofte van Khomeini dat daarmee de poorten van het paradijs wijd open zouden gaan.

Opeens buigt Kaveh zich met een geheimzinnige blik naar me toe. ‘Zal ik je iets interessants vertellen? Iran staat op het punt om een nucleair akkoord met de Verenigde Staten te sluiten. Uit betrouwbare bron binnen het ministerie van Buitenlandse Zaken weet ik echter dat er ook wordt gepraat over de toekomstige rol van Iran in de regio en dan vooral in Syrië. De VS willen dat Iran zich terugtrekt. Washington staat onder flinke druk van Saoedi-Arabië en Israël, die bang zijn voor de enorme opmars van sjiitische groeperingen in de regio. Tegelijkertijd wil Iran niet dat president Assad te verzwakt raakt, want dat betekent dat radicale soennitische groeperingen als Al-Nusra en isis nog meer terrein zullen winnen. Laten we dus zeggen dat Iran zich uit Syrië terugtrekt maar Hezbollah niet.’ Kaveh grijnst voldaan en neemt nog een hap. Nog geen week later tekent Iran inderdaad een nucleair akkoord.

Kaveh heeft zijn politieke interesse niet van een vreemde. Zijn vader Ali was een rasechte communist en werd niet alleen onder het regime van de sjah maar ook onder dat van Khomeini gearresteerd. Tijdens de kortdurende sociaal-politieke opleving van de Groene Beweging in 2009 ging hij opnieuw de straat op, net als de rest van zijn familie. Kaveh studeerde toen in Groot-Brittannië en was dag en nacht in de weer met het monteren van door vrienden toegestuurde videobeelden die hij vervolgens naar cnn en de bbc zond. Veel vrienden werden gearresteerd of moesten het land ontvluchten. Kaveh vertelt over de psychologische martelpraktijken in de gevangenis die in ieder geval één van zijn vrienden flink gek hebben gemaakt. Toch kon Kaveh enkele maanden later zonder problemen terug naar zijn geboorteland, ook al dook zijn naam herhaaldelijk op in de verhoren van zijn vrienden.

‘Als de politie bij dit feestje binnenviel, hadden we zeker problemen. Maar je kunt de agenten makkelijk omkopen’

‘Als de politie bij dit feestje binnenviel, zouden we zeker problemen krijgen’, zegt Kaveh. ‘Maar met een flinke smak geld kun je de agenten makkelijk omkopen. Als je om politieke redenen gearresteerd wordt, werkt geld niet. Dan gaat het immers om de staatsveiligheid. Alleen goede connecties binnen het regime kunnen je dan nog helpen.’ Zo kwam ook zijn vader Ali telkens weer vrij omdat zijn broer een belangrijke chirurg is die veel prominente Iraniërs onder het mes nam.

Tegenwoordig heeft Ali een eigen architecten- en consultancybureau met honderd man in dienst. Nou ja, ‘man’: het zijn voornamelijk vrouwen die de betere functies in zijn kantoren vervullen. ‘Vrouwen werken beter in dienstverband’, legt hij enkele dagen later uit tijdens een rondleiding op het hoofdkantoor. ‘Mannen willen veel te graag iets voor zichzelf beginnen. Daarbij studeren er tegenwoordig veel meer vrouwen af als ingenieur of architect.’

‘Waar is de Groene Beweging nu?’ vraag ik.

Hij staart voor zich uit. ‘Wij hebben de revolutie al gehad en die heeft ons alleen maar ellende gebracht. Eigenlijk gebeurt bij elke revolutie hetzelfde: de ene dictatuur maakt plaats voor de andere omdat altijd de groep met het meeste geld en de beste organisatiekracht wint en alle macht naar zich toetrekt. In het Midden-Oosten winnen dus altijd het leger of de islamisten.’

Maar dat betekent niet dat de ontwikkelingen in Iran nu stilstaan, vervolgt hij. ‘Integendeel! De Groene Beweging is weer ondergronds gegaan en voert de druk op de regering geleidelijk op. Hoe denk je dat de huidige president Rohani aan z’n stemmen kwam? Zonder onderlinge afspraken of openlijke protesten hebben de leden van de Groene Beweging op hem gestemd. Dingen gaan nu veel stiller en geleidelijker. Stap voor stap kunnen we meer bereiken zonder dat het land uit elkaar valt. En als het moet, kunnen ongeorganiseerde jongeren met moderne communicatiemiddelen miljoenen mensen op de been brengen.’

De dubbele bestuursstructuur van Iran maakt dat hervormingen een dubbele drempel moeten nemen. Naast het door het volk gekozen parlement (en de president) is er de functie van Velayat-e Faqih of Opperste Leider. Deze religieus-politieke positie werd door Groot-Ayatollah Ruhollah Khomeini in het leven geroepen en is later zodanig aangepast dat ex-president (en oorspronkelijk dus niet ayatollah) Ali Khamenei hem na zijn dood kon opvolgen. De Opperste Leider heeft in wezen de meeste macht, de door hem benoemde ultraconservatieve Raad der Hoeders kan alle wetsvoorstellen en politieke maatregelen terugfluiten. En dan zijn er nog de vele andere religieuze raden, comités en instituties van het land.

Op veel plekken in Iran is de sjiitische islam nog steeds springlevend. Dat merk ik niet alleen in religieuze centra, maar ook tijdens een zestien uur durende treinreis naar de zuidelijke stad Shiraz. In de smalle gangen van de waggelende treinwagons zie ik geen hippe westerse kleding, oordopjes, zonnebrillen en naar achteren getrokken hoofddoekjes, maar zwarte chadors, baarden, versleten schoenen en armoedige kleding.

Een stijlvolle vrouw met de glimmende koffer van een saz, een luitachtig snaarinstrument, valt op. Ze is muzikant, maar echt optreden kan ze niet. Op met doeken afgeschermde concertjes in tweederangs cultuurcentra en theaters na is er voor vrouwen geen plek in de muziekbranche. Daarbij beperken dergelijke concerten zich tot traditioneel getokkel. Of ze binnenkort weer een concert geeft? ‘Nee, helaas niet. Ik speel thuis. En dan zing ik ook, stiekem natuurlijk.’

Het zangverbod is een van de vele dubbelzinnigheden in Iran. Zowel prerevolutionaire muziek (van voor 1979) als vrouwenzang is streng verboden, maar ondertussen wordt er door menige winkeleigenaar en taxichauffeur geluisterd naar westerse popmuziek van vrouwelijke artiesten die zich een stuk aanstootgevender gedragen dan de gesluierde muzikante met de saz.

‘Vertel haar dat ze haar hoofddoek beter moet doen’, fluistert een jongeman in redelijk hippe kleding mijn Iraans-Nederlandse reisgenote in het oor. Sinds we in de restaurantcoupé van de trein zitten kijkt hij ons onophoudelijk aan. En hij is niet de enige. Aan de verweerde tafeltjes zitten uitsluitend mannen, die ons op een oude mullah na allemaal aanstaren.

‘Je vest is te kort’, wijst nu ook een andere man mij terecht. ‘Trek een jas aan.’ Het is moordend heet in de coupé en de dikke sigarettenrook zet alles in een blauwgrijze walm. Ik weiger. ‘Nee, waarom zou ik?’ brul ik ten slotte woedend door de coupé. De mannen zijn ontzet. Ze hebben geen antwoord, maar blijven aandringen dat ik mijn winterjas aantrek. ‘Het is voor je eigen veiligheid, als de politie komt heb je problemen’, luidt hun excuus. Maar er is geen politie aan boord, behalve misschien de jongeman die ons de hele reis al op de hielen zit.

Mijn vriendin heeft ondertussen heel andere zorgen aan haar hoofd. In de vrouwencoupé doet een oude vrouw verwoede pogingen om haar te koppelen aan haar afwezige ongetrouwde kleinzoon. Haar vragen en opmerkingen gaan de hele nacht door, de vrouw wil van geen nee weten. Het Iraanse principe van tarof, de soms tenenkrommende beleefdheid die te allen tijde moet worden aangewend, belet ons om de vrouw hard van repliek te dienen. Eenmaal op het station van Shiraz aangekomen rennen we de trein uit, in een poging zowel de vervelende jongeman als de oude vrouw van ons af te schudden. Het lukt ons maar half. Bij de controlepost worden we door de jongen opgewacht, waarna hij onze paspoorten inspecteert. De vrouw weten we wel af te schudden, maar niet voor lang. Bij de uitgang van het station staat haar dochter ons doodleuk met haar echtgenoot en ongetrouwde kleinzoon op te wachten.

‘Zeg dat ze haar hoofddoek beter moet doen.’‘Je vest is te kort. Trek een jas aan’

Shiraz is een oase van vredige rust in vergelijking met het vervuilde en chaotische Teheran. De stad is zeer conservatief en er is na zonsondergang vrijwel niets te doen. In de bazaar is iedereen voor het oog gelijk en zijn de onder de chadors bedekte gezichten tenminste niet onderworpen aan de plastisch chirurgische ingrepen die mannen en vrouwen in de hoofdstad hebben ondergaan. De fluitende vogeltjes in kleine kooitjes zijn volgens de oude traditie van de bazaar brengers van geluk en voorspoed. Ik vind ze eerder symbool voor een land dat gekooid wordt door verdeeldheid en religieuze fanatici.

Medium anp 23585602

In het grote sjiitische heiligdom van Shiraz schitteren miljoenen spiegeltjes me tegemoet. De uitbundige moskee is een van de heiligste schrijnen van Iran. Eigenlijk is toegang tot deze heilige plaats streng verboden voor ongelovigen. Maar ik negeer het verbodsbord en zie er met mijn hoofddoek en chador zo Iraans uit dat niemand mij voor een buitenlander of ongelovige aanziet. Verdwaasd loop ik over het uitgestrekte plein, terwijl zangerige spirituele muziek tussen de religieuze gebouwen weerkaatst. Vrouwen in zwarte chadors buigen en drukken hun hoofd stevig tegen lemen gebedsstenen. De donkere massa golft en veert. Ongemakkelijk slalom ik tussen de biddende lichamen door. Bij de schrijn word ik tegengehouden door een vrouw met een groene plumeau. Zacht maar kordaat tikt ze met de stofbol tegen mijn arm. Zoals alle leden van het comité draagt ze een groene sjerp over haar chador en glinsteren er verschillende emblemen op de dikke laag zwarte stof.

‘Ga naar de andere kant’, maak ik uit het Farsi op. Gedwee beweeg ik me achter een stoet vrouwen aan en passeer de schrijn waar de twee broers Amir Ahmad-Ibn-e-Musa al-Kazam (alias Shah-e-Charagh) en Amir Mohammed-Ibn-e-Musa al-Kazam hun laatste rustplaats hebben. Emotioneel kussen enkele vrouwen de honderden spiegeltjes op de menshoge tombe die door een afschermingswand in tweeën wordt gedeeld. Eén kant is voor de vrouwen. Aan de andere kant bevindt zich de stroom mannen die ik wel kan horen maar niet kan zien. Maar beide geslachten raken met hun handen het traliewerk aan of stoppen er briefjes van vijfhonderd of duizend toman tussen.

Het aantal sjiieten in de Islamitische Republiek ligt volgens de officiële statistieken op 89 procent van de totale bevolking. Het merendeel behoort tot de stroming van de ‘twaalvers’. Dit houdt in dat ze in de lijn van opvolgers na de dood van Mohammed twaalf imams erkennen. Anders dan de soennieten die stellen dat in principe iedere gelovige de oumma of islamitische gemeenschap kan leiden, kennen de sjiieten deze imams speciale kwaliteiten toe, zoals goddelijk inzicht rechtstreeks doorgegeven langs de bloedlijn die via Mohammed naar zijn schoonzoon Ali loopt (tevens de eerste imam). De eerste grote imam waaraan de sjiieten hun naam ontlenen (sjia Ali, letterlijk: volgelingen van Ali) werd in een veldslag vermoord, net als zijn piepjonge zoon Hoessein.

Keer op keer probeerden de imams hun rechtmatige positie op te eisen, zonder succes. Ook de achtste imam kwam bruut om het leven. Hij werd vergiftigd. Alleen de twaalfde imam stierf niet; hij verstopte zich volgens de overlevering onder een steen, waar hij wacht op het juiste moment van terugkeer. Tot op de dag van vandaag verwachten de gelovigen zijn terugkeer. Menigeen dacht dat met de komst van Khomeini de grote Mahdi eindelijk boven aarde was verschenen, maar met zijn dood viel die droom in duigen.

Van het sjiitische heiligdom in de oude stad trekken we naar de uitgestrekte begraafplaats om een bezoek te brengen aan een ander groots monument. Het graf van Hafez doemt op tegen de inktzwarte winterlucht. Roerloos kijkt een man uit over de marmeren grafsteen. Op de steen staan strofen van zijn dichtwerk. De vroeg-veertiende-eeuwse Perzische dichter is in de harten van de Iraniërs immer levend. Een populair gezegde stelt dat ieder huis twee dingen moet herbergen: de heilige koran en een collectie van de woorden van Hafez. In werkelijkheid draaien veel Iraniërs die volgorde liever om. Hafez wordt anno 2014 nog steeds op vrijwel iedere straathoek geëerd en aanbeden en zijn tombe functio-neert als een van de grootste bedevaartsoorden van het land. Stelletjes lopen eerbiedig om de tombe, zacht gedichten citerend. Zakenmannen poseren ernstig voor het graf. Met Hafez in de hand bezit je de toekomst. In het volksritueel van de faal-e Hafez wordt een van de boeken van Hafez lukraak geopend in de hoop aanwijzingen voor de loop van het verdere leven te vinden. In de kunstig ineengevlochten woorden van Hafez vinden geliefden en opstandigen het geluk van de stiekeme herkenning aangaande sociale, politieke en religieuze kwesties waarover in de Islamitische Republiek liever gezwegen dan gesproken wordt.

Kunst, zo ontdek ik bij een bezoek aan het House of Artists in Teheran, is een bloedeloos wapen nu zelfs communisten en andere progressievelingen de politieke revolutie hebben afgezworen. Jonge kunstenaars werken hier in kleine moderne ateliers in redelijke veiligheid aan hun projecten. Onder de indruk loop ik langs de vitrines met glaswerk, wandkleden, boeddhistische schilderijen en moderne figuratieve kunst. Hier en daar is zelfs bloot te zien. In de centrale hal bespeelt een twintiger de tweesnarige dotar terwijl hij op de jankende klanken oude Perzische gedichten citeert.

In het vegetarisch restaurant van deze alternatieve kunstfabriek ontmoet ik een van de moderne dichters van Iran: Kabuttar (letterlijk: de duif). De veertigjarige vrouw, die afstamt van de Baktiari’s, is een opvallende verschijning met haar diepgekleurde huid en zachte gelaatstrekken. Parmantig loopt ze op haar smalle bruine laarsjes, modieus gekleed in een roodwollen poncho. Haar gekleurde shawl draagt ze nonchalant over haar donkere haar, zodat alleen haar achterhoofd bedekt wordt. Twee bundels heeft ze op haar naam staan. De eerste onder de titel Waarom ik op je lijk is al enkele jaren oud. De tweede bundel Vrouwen verstoppen altijd alles ligt voor publicatie bij de uitgever.

Het leven van dichters is niet eenvoudig in Iran. De vele veiligheidsdiensten houden hen streng in de gaten omdat de overheid de kracht van poëzie erkent. ‘Mijn werk lijdt onder twee vormen van censuur: die van de overheid en steeds vaker zelfcensuur’, zegt Kabuttar. Op de vraag welke terreinen een no-goarea zijn, tikt ze behendig haar ranke vingers af: ‘Erotiek, politiek en religie. Maar dat is ook kunst! We dienen de woorden zo aaneen te weven dat we zonder in opspraak te komen toch de waarheid zeggen.’

Haar centrale thema’s zijn vrouwenrechten, politiek en onderdrukking. Tijdens de Groene Beweging van 2009 richtte een groep dichters een literair tijdschrift op. Kabuttar doopte haar bijdrage ‘Een cadeau aan Mohammed’. Op zachte klanken draagt ze de strofen voor. Het Farsi blijkt bijna niet te vertalen, maar de essentie is ondubbelzinnig gewaagd.

Hij weet niet wat hij moest schrijven

‘Mannen hebben elke nacht een ander vriendinnetje, platte seks is de norm en van de liefde is bijna niets over’

Of wat hij moest vertellen

Toch wist hij wat ik moet doen

‘De kern is deze’, zegt ze, terwijl ze een jongen brutaal een sigaret uit de handen grist en gretig inhaleert: ‘Mohammed, jij als analfabeet hebt mij in de grot achter de spinnenwebben verstopt.’ Ik herken onmiddellijk de verwijzing naar de grot waar Mohammed met de soera van de bloedklomp zijn eerste goddelijke openbaring ontving.

Kabuttar giechelt. ‘Op een gegeven moment schrijf ik zelfs:

Een naakte vrouw staat voor de spiegel

Hoe zie je mij

Als een duivel

Of dat wat ik ben

Simpelweg een naakte vrouw

Het gewaagde tijdschrift werd al snel verboden. ‘We dachten dat er met de brede volksopstand meer vrijheid was gekomen en dat we opener konden schrijven’, zegt Kabuttar, ‘maar de zogenaamde opening bleek van korte duur. Nu, onder de nieuwe president Rohani, zou er opnieuw een hervormingsgezinde wind waaien door Teheran, maar in de praktijk zie je daar niets van. Sterker, met zijn aantreden zijn juist weer veel mensen opgepakt.’ Zelf belandde Kabuttar herhaaldelijk in de cel. ‘Nu heeft vrijwel iedereen zich van de politiek afgekeerd’, zegt ze. ‘Jongeren doorbreken taboes, ze strijden wel, maar vooral voor zichzelf.’ In de beeldentuin loopt een aantal stelletjes hand in hand, tot enkele jaren terug streng verboden. ‘Met mijn gedichten voed ik de hervormingsgezinden, maar het blijft natuurlijk een intellectueel debat.’

Ze publiceert haar gedichten op Facebook, ook al zijn sociale media streng verboden en worden ze geblokkeerd – maar daarvoor bestaat wel weer hackerssoftware. ‘Bij ieder gedicht dat ik plaats denk ik eerst aan mijn vader, mijn broers, ieder ander mannelijk familielid en ten slotte aan de Opperste Leider (Khamenei) en dan plaats ik het alsnog.’ Ze lacht ondeugend en buigt zich naar me toe. ‘Afgelopen nacht schreef ik een gedicht over de liefde. Ik sloot m’n ogen, drukte op send en klapte de laptop onmiddellijk dicht. Ik heb hem tot vandaag niet durven aanraken.’

Het verbod op openlijk fysiek contact tussen de seksen dat na de revolutie van 1979 van kracht werd, zorgde voor preutsheid en een algeheel ongemak, zowel buiten als zelfs binnen het huwelijk, zegt Kabuttar. Bij de huidige generatie draait alles nog alleen om aanraking, verzucht ze. ‘Mannen hebben iedere nacht een ander vriendinnetje, platte seks is de norm en van de liefde zoals eens zo mooi bejubeld door de grote dichters is bijna niets overgebleven. Wij zijn een land waar men vreemdgaat, rondraast en zichzelf en elkaar vernietigt.’


Beeld: (1) Iraanse vrouwen in Tajrish in het noorden van Teheran. Tajrish is een van de oudste buurten van de stad en in opkomst bij de bovenklasse (Behrouz Merhi/ANP). (2) Downtown Teheran (Behrouz Merhi/ANP).