Ger Groot

Schuld

Zoals het geval-O.J. Simpson een paar jaar terug liet zien, is het civiele recht kwistiger met het begrip ‘schuld’ dan het strafrecht. De voormalige football-ster werd door de strafrechtbank juridisch vrijgesproken van moord op zijn partner, maar door de civiele rechter veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan de nabestaanden.

Onschuldig in het ene geval was Simpson niettemin schuldig in het andere – maar tussen die twee in veranderde het begrip subtiel van betekenis. Tussen juridische schuld (de wet hebben geschonden) en economische schuld (bij iemand financieel in het krijt staan) zit een wereld van verschil. De spil tussen die twee vormt de nog veel ongrijpbaarder morele schuld, die intern betrekking heeft op het geweten én extern op het aanzien van de schuldige. Iets moet hij hebben misdaan om juridisch of economisch aansprakelijk te kunnen worden gehouden. In het laatste geval hoeft daaraan geen kwade opzet ten grondslag te liggen, maar waar rook is is vuur – en morele blaam is een sterk argument in íedere strijd om schuld.

Daarom draait ieder debat over historische schuld altijd om een amalgaam van de morele en civiele toerekenbaarheid. Juridisch valt er op dat vlak immers geen eer te behalen. De daders ervan zijn dood, in het beste geval – zoals bij het nazi-regime – na een veroordeling, maar met hun dood houdt ook de juridische aansprakelijkheid op. Het moderne besef van strafrecht beschouwt het als een van zijn grootste verdiensten de misdaden der vaderen niet te verhalen op hun kinderen.

Maar op het civiele en morele vlak ligt dat anders. Daar wordt de schuld niet zo gemakkelijk uitgewist. In de overerfbaarheid daarvan wordt duidelijk hoe weinig modern wij in ons gemoedsleven nog altijd zijn. Verschillende generaties naoorlogse Duitsers hebben dat tot op de dag van vandaag moeten ervaren. En het is dan ook op dat vlak dat de discussie over de historische schuld die met het nazi-regime is opgebouwd zich voortzet.

Van de eis van straf is de schuldvraag rond WO II dan ook gaandeweg overgegaan in het neerleggen van de claim. De wederwaardigheden van de Goudstikker-collectie vormen een goed voorbeeld, net als de recente afwijzing van een eis tot schadevergoeding door de Franse spoorwegmaatschappij sncf. In zijn jeugd zag de Franse europarlementariër Lipietz een deel van zijn familie weggevoerd worden in treinen waarvan het gebruik door het bedrijf met bureaucratische onverstoorbaarheid bij de Duitse bezetter in rekening werd gebracht. Tegenover zoveel cynisme lijkt een eis tot compensatie niet onredelijk.

Toch wringt er iets in deze vordering, die kennelijk uitgaat van de overerfbaarheid van schuld. Niet – zoals in het geval-Goudstikker – omdat de eiser zelf geen directe schade van de misdaad heeft ondervonden. Maar wel omdat degene die daarvoor de rekening gepresenteerd krijgen aan deze misdaad op geen enkele wijze deel hebben gehad. Niet de sncf van toen zou moeten opdraaien voor de openstaande rekening, maar degenen die nu collectief het naamloze staatsbedrijf dragen: de treinreizigers (en belastingbetalers) van vandaag de dag.

Hoe hachelijk het toerekenen van historische schuld is, bewijzen de geluiden die rond 1992 opklonken in de culturele elites van Latijns-Amerika. Na vijfhonderd jaar bezetting, kolonialisme en culturele overheersing werd het tijd dat Spanje eindelijk een mea culpa zou laten horen. Zo redelijk als dat klonk, zo bizar was het verwijt in werkelijkheid. Wie goed keek, zag de zonen en dochters van de toenmalige veroveraars met de beschuldigende vinger wijzen naar de zonen en dochters van degenen die in Spanje waren gebleven – maar vol schaamte nauwelijks hun mond durfden opendoen.

Eenzelfde ironie plaagt het debat rond de slavernij, die vooral verweten wordt aan díe beschaving die als eerste wees op de immoraliteit van dit universele menselijke gebruik – en daarvan (tegen de achtergrond van zo’n eeuwenoude vanzelfsprekendheid) verbluffend snel afstand deed. De eis tot schuldbekentenis steunt, merkwaardig genoeg, dan ook tegelijk op de verdiensten van degenen die daarbij worden aangeklaagd. Dat maakt de morele status even dubbelzinnig als de eis tot civiele compensatie – die daaraan onmiddellijk wordt gekoppeld omdat woorden nu eenmaal goedkoop zijn.

Dat laatste is ontegenzeglijk het geval, maar het bewijst ook hoe onhandelbaar een collectief schuldbegrip geworden is binnen een cultuur die dit tot het individu heeft ingeperkt. Terwijl via de claim de juridisch oninbare rekening van straf alsnog wordt gepresenteerd, zwerft de morele blaam als een spook door deze puzzel, die daarmee even onontwarbaar als geëmotioneerd wordt. Want inderdaad: echte individuen zijn wij nooit nog altijd niet. Maar evenmin is al het onrecht dat in de geschiedenis heeft plaatsgevonden daarmee compenseerbaar geworden.