Schuld/boete

In een video-opname die Bosnische Serviërs maakten van hun verovering van Srebrenica, een bewijsstuk bij het Joegoslavië Tribunaal, schreeuwt een lagere officier opgewonden in een portofoon naar zijn commandant, generaal Mladic. ‘Kom op man, laten we optrekken, ze zijn in paniek! Ik wil de wolven horen huilen, het Navo-pact kan niets tegen ons doen!’ Je voelt bijna hoe de adrenaline door de man heen pompt: dat de complete overwinning onverwacht binnen bereik ligt in een smerige lokale oorlog die meer dan drie jaar eerder begon.

Onverwacht is het sleutelwoord. Al snel nadat de Bosnische Serviërs de enclave rond Srebrenica binnentrokken, concludeerden VN-waarnemers dat de Bosnische Serviërs ‘hun doelen uitbreidden omdat de [militaire] respons van de Verenigde Naties vrijwel non-existent is geweest’. Mladic wilde destijds niet meteen Srebrenica innemen, omdat hij rekende op een militair antwoord van de VN. Toen dat uitbleef nam hij alles. Waarom luchtaanvallen van de VN uitbleven is een complexe vraag. In de mix van antwoorden figureren Nederlandse bevelhebbers die vreesden voor hun manschappen, Franse generaals die een akkoordje hadden met hun Servische tegenhangers, een besnorde Pakistaanse VN-generaal die een Nederlands verzoek om luchtaanvallen weigerde omdat die op het verkeerde formulier was aangevraagd, en veel meer. Lastige materie om conclusies uit te trekken, maar wel het terrein waar de belangrijkste lessen voor de toekomst liggen. Want tegen de tijd dat de Serviërs voor de poorten van de Nederlandse basis in Potocari stonden, was de ‘veilige enclave’ rond Srebrenica allang gevallen. Lost in bureaucracy.

Wat de Nederlandse schaamte betreft is belangrijker hoe Dutchbat zich gedroeg met de Bosnische Serviërs voor de poort. En daarover gaat ook de uitspraak van vorige week. Drie mannen die al binnen de Nederlandse legerbasis waren, werden weer naar buiten gestuurd. Ze zouden later sterven in de genocide rondom Srebrenica. Waar Nederland altijd al moreel verantwoordelijk was voor hun lot, is het dat nu ook juridisch. En al betreft het maar drie van de ruim zevenduizend gedode mannen, de uitspraak heeft natuurlijk grotere betekenis. Enerzijds op het terrein van boete maar vooral in de zin van schuld. De ‘verantwoordelijkheid’ van Nederland voor deze drie mannen is vaak uitgelegd met die term – de Nederlandse schuld aan hun dood, en daarmee eigenlijk aan de dood van de rest. Maar die term blijft wringen.

Hasan Nuhanovic gebruikte het woord ‘schuld’ vaak toen ik hem twaalf jaar geleden sprak. Nuhanovic was een van de eisers in het proces tegen Nederland. Hij werkt al bijna twintig jaar om ‘Srebrenica’ in de aandacht te houden. Hij maakte indruk op me toen ik op reportage was in Bosnië: vlijmscherp, grote innerlijke drive. Maar tijdens ons gesprek werd ik ook door bevreemding bevangen: Nuhanovic’ enorme woede tegen de VN, de Nederlandse staat, Nederlanders; een bijna-zwijgen over de moordenaars van Srebrenica zelf.

Zo’n verbazing kan ik ook soms niet onderdrukken bij de Moeders van Srebrenica. Zij hameren voortdurend op de ‘minachting’ van de Nederlandse soldaten voor Bosnische moslims, kennelijk als verklaring voor het feit dat de Nederlanders niet vochten tegen de Bosnische Serviërs. Het is toch plausibeler (hoewel niet per se heldhaftiger) dat de Nederlanders niet vochten omdat ze niet dood wilden. De voorzitter van de Moeders van Srebrenica, Hatizda Mehmedovic, was maar matig tevreden met het vonnis van vorige week. Ze wilde dat nu ‘ook de Bosnische Serviërs en Servië hun verantwoordelijkheid voor de dood van de duizenden andere mannen toegeven’. Let op dat woord ‘andere’.

De Nederlandse rol in Srebrenica is zeer pijnlijk, maar het is wel zaak om de schuld voor de genocide helder te houden. Die ligt bij de daders en iedereen weet wie dat waren. Dat is figuurlijk én vaak letterlijk zo. In Srebrenica vertrouwde een moeder, een teruggekeerde moslima, me toe dat haar kind op school werd gepest, maar ze durfde niets te zeggen omdat het schoolhoofd in 1995 een fanatieke moordenaar was geweest. Ook elders waren de herinneringen nauwkeurig opgeborgen, voor later. De strijd om Srebrenica en omgeving was dan ook een bloedige krachtmeting van mannen uit de buurt die elkaars huizen platbrandden en die steeds meer hulp en sturing kregen van buitenaf. Veel van die mannen wonen er nog steeds.

De nabestaanden van Srebrenica hebben alleen hun woede en de wet, en de juridische middelen zijn nog maar beperkt: de VN zijn juridisch niet aansprakelijk en het Joegoslavië Tribunaal gaat sluiten. Op Nederland hebben die middelen nog wel grip, en dat is ook goed. Maar de Nederlandse schuld en boete moeten niet het zicht ontnemen op urgentere zaken. De meeste moordenaars van 1995 lopen vrij rond en zij konden moorden omdat een internationale macht onder VN-vlag, met een groot Nederlands aandeel, de enclave niet verdedigde. Als we gerechtigheid willen, en herhaling willen voorkomen, liggen daar de grote vragen en de moeilijke antwoorden.

(H.J.A. Hofland is afwezig)