Schuld en boeken

Tom Wolfe, Radical Chic & Mau-Mauing the Flak Catchers, € 15,45

In zijn essay Radical Chic uit 1970 schrijft Tom Wolfe over de periode van gratuite verdwazing in Amerika, toen gevreesd werd dat grote, norse negers ooit wraak zouden nemen.

Het was me het feestje wel, als je er naderhand op terugkeek of er misschien alleen maar iets over had gelezen in The New York Times, die roemruchte party van Leonard en Felicia Bernstein (spreek uit: Bernstein en niet stien, want de Bernsteins wensten hun joodse wortels niet te verloochenen), toen heel modebewust Manhattan was uitgelopen om in het penthouse van hun goede vriend Lenny - een duplex op Fifth Avenue met dertien kamers - schouder aan schouder te staan met een delegatie van de Black Panthers.
Nou ja, niet héél modebewust Manhattan natuurlijk, alleen het progressieve, weldenkende deel van de grootstedelijke elite: mensen met voldoende culturele bagage en sociaal engagement om te beseffen dat de tijden veranderd waren, en dat het zaak was om hun eigen geprivilegieerde positie eens kritisch onder de loep te nemen.
Het was met name de intelligentsia die was komen opdraven, mensen met nieuw geld die hun status niet primair ontleenden aan een adellijke titel (hoewel dat laatste segment ook meer dan welkom was), maar die hun sporen hadden verdiend in de filmbusiness, de kunstwereld en de media. Dezelfde media die ervoor zorgden dat ze beroemd waren geworden en ook beroemd konden blijven, dankzij het feit dat deze koplopers zich zo flamboyant manifesteerden dat er altijd wel een paar societycolumns over te schrijven waren.
Die gedenkwaardige middag van 25 augustus, 1966, toen de Bernsteins hun woonkamer met behulp van klapstoeltjes hadden getransformeerd in een auditorium, om met devote ernst kennis te nemen van het politieke manifest waarin de Black Panthers uiteenzetten hoe ze het ‘systeem’ omver dachten te werpen, was een goed voorbeeld van dat soort brille, waarbij hoge en lage cultuur een zinderende verbinding met elkaar aangingen. Zodra je was toegetreden tot de verlichte kringen van de Radical Chic (zoals ooggetuige Tom Wolfe de nieuwe hype zou benoemen), behoorde je op slag tot de insiders die uiteraard geen blaam trof voor het pijnlijke verschil tussen blank en zwart, tussen rijk en arm, en zodoende kreeg je dus echt waar voor de vele dollars die je aan het eind van de middag in het 'defensiefonds’ van de Panthers stortte: een volle aflaat.
Maar de lol ging er een beetje vanaf toen het - vermeende? - antisemitisme van de Panthers ter sprake kwam. Filmregisseur Otto Preminger was degene die als eerste de signalen van zijn bullshitmeter opving en botweg informeerde of de Black Panthers van mening waren dat een Russische jood het recht had om zijn land te ontvluchten en zich in Israël te vestigen.
Ai! Sommige gasten vroegen zich verbijsterd af waar Preminger met die vraag op aanstuurde, maar de gastheer begreep het onmiddellijk, want de Panthers waren vóór de Palestijnen en mordicus tégen Israël. En het duurde niet lang voordat heel Amerika dat ook door had, want de kranten schreven erover en diepten een paar behoorlijk antisemitische uitspraken op van zwarte leiders, Eldridge Cleaver voorop. Daar had Leonard Bernstein niet van terug, en het overwegend joodse publiek in de concertzalen waar hij optrad evenmin; dat riep gewoon heel hard BOE! De Bernsteins bogen beschaamd het hoofd, in het - verlate! - besef dat een onderdrukte minderheid er zelf ook wel eens een paar racistische vooroordelen op na zou kunnen houden.
In Nederland heeft het modeverschijnsel Radical Chic nooit voet aan de grond gekregen. Om de eenvoudige reden dat er geen voedingsbodem voor was in de vorm van een collectief schuldig geweten, zoals in Amerika wel bestond. Vooral ten aanzien van de zwarte bevolking, die nog steeds in armoede leefde, Martin Luther King en de burgerrechtenbeweging ten spijt. Om een hippe maar vooral ook geloofwaardige party voor de Panthers te organiseren, zoals de Bernsteins deden, moesten er bijvoorbeeld heel wat pijnlijke statusincongruenties uit de weg geruimd worden, te beginnen met de zwarte butler des huizes en de zwarte dienstmeisjes die de delicate toastjes met roquefort rondbrachten. Toen de hype op zijn hoogtepunt verkeerde, was elke New Yorkse familie met aspiraties in die richting dan ook wanhopig op zoek naar blank huispersoneel: Latino’s, Filippino’s, Cubanen, alles was goed, als ze in godsnaam maar niet zwart waren!
Tom Wolfe roert het thema van de historische, collectieve 'schuld’ niet aan, in zijn hilarische essay Radical Chic (1970) over deze periode van gratuite, quasi-radicale verdwazing. Vreemd genoeg, want zonder de diepgewortelde gêne over het Amerikaanse slavernijverleden zou dit eigenaardige toneelstukje in een veel te duur penthouse op Fifth Avenue ondenkbaar zijn geweest. Daar werd niet alleen iets beleden maar vooral ook iets bezworen: de angst voor de woede van al die grote, norse negers die ooit - op de dag van de Ultieme Afrekening - hun deel zouden komen opeisen.
Het schuldgevoel van Nederland over het koloniale verleden heeft kennelijk nooit zo diep gezeten als de Amerikaanse pendant, waarschijnlijk omdat het gesitueerd was in verre, vreemde buitenlanden: in Nederlands-Indië, de Antillen en Suriname. Voorzover er in de jaren zestig gedweept werd met een geromantiseerde versie van de 'onderdrukten in de samenleving’ had dat marxistisch geïnspireerde sentiment altijd betrekking op de arbeidersklasse, zoals de Parijse studentenrevolte van 1968 demonstreerde. Daar nam de studentikoze babyboom-elite dan ook vlot de uiterlijke kenmerken van over: het spijkerpak of de ribfluwelen broek, en de zelfgedraaide shaggies van de Weduwe.
Maar de echte rebelse geestdrift kwam in Nederland pas goed op gang toen de provo’s de oorlog verklaarden aan het regentendom en het gezapige 'klootjesvolk’, bij monde van Robert Jasper Grootveld, terwijl Harry Mulisch achter het raam van de Grote Club op de Dam toekeek en zag dat het Goed was. Voor het overige moesten wij onze misstanden en revolutionaire helden in het buitenland zoeken, in de Derde Wereld, en helaas, je kon van Nelson Mandela, de Nicaraguaanse guerrillastrijders en Che Guevara moeilijk verwachten dat ze een partijtje te hunner ere op de Keizersgracht zouden komen opluisteren.
Toch heeft ook ons land een moment gekend waarop een heuse elite van spraakmakende schrijvers en columnisten zich verdrong rond een oogverblindend icoon van de ware, authentieke, exotische Radical Chic, en dat was het moment waarop Ayaan Hirsi Ali haar entree maakte in de Nederlandse politiek. Maar dat telt eigenlijk niet, omdat Ayaan niet de gevaarlijke zij het verleidelijke aantrekkingskracht van 'de straat’ vertegenwoordigde, maar zich juist bewoog met de allure van een geboren aristocrate. Ayaan hoefde helemaal niet salonfähig gemaakt te worden, dat was ze al, en het 'systeem’ had ook niets van haar te duchten, want wat dat aangaat was ze chauvinistischer dan menige kankerende Hollander.
Ach ja, Ayaan, dochter van Hirsi, die de zoon was van Ali, en zo maar voort. Deze prinses kwam zó uit het blauwe adelboekje van Somalië gestapt: een glanzende zwarte parel in de kroon van de Amsterdamse grachtengordel. Maar die illustere tijden komen niet weerom.

Tom Wolfe, Radical Chic & Mau-Mauing the Flak Catchers, Picador (2009, oorspr. 1970), 144 blz., € 14,99