De dunne jas van het kapitalisme

Schuld en boete

Nederland is vermaard om zijn strenge begrotingsbeleid. Dit wortelt in het marktdenken van de jaren tachtig. Streng begroten werd een apolitiek gegeven. Door de coronacrisis komt daar nu verandering in.

Onno Ruding als minister van Financiën eind jaren tachtig © Bert Verhoeff / HH

Als het om begrotingsbeleid gaat, staat Nederland al tijden bekend als het braafste jongetje van de klas. Ons land heeft een van de laagste overheidsschulden van Europa en in tijden van crisis loopt Nederland voorop in bezuinigingsdrift. Zo reageerde Den Haag op de financiële crisis van 2008 door op grote schaal lasten te verzwaren en te korten op de overheidsuitgaven, om zo ‘het huishoudboekje’ weer op orde te brengen.

Ook binnen de EU hebben Nederlandse ministers van Financiën inmiddels een flinke reputatie verworven als rechtlijnige hoeders van de Europese begrotingsnormen: de Droogstoppels van het diplomatieke circuit.

Vaak wordt die strengheid verklaard vanuit onze protestantse inborst. Het is het aloude verhaal van de eurocrisis, waarin de spaarzaamheid van het protestantse noorden wordt afgezet tegen de spilzucht van het katholieke zuiden. De Nederlander heeft een ‘culturele afkeer van schuld’, constateerde het Britse tijdschrift The Economist.

Het culturele cliché van de zuinige Nederlander streelt ons nationale zelfbeeld als noest en spaarzaam volk en staat bovendien in een lange traditie. Voorbeelden zijn er genoeg, van Hendrikus Colijns desastreuze bezuinigingsdrift tijdens de economische crisis van de jaren dertig tot de soberheid van pvda-premier Willem Drees die de Amerikanen met een schaal mariakaakjes zou hebben overtuigd van de Nederlandse zuinigheid – en zo de Marshallhulp veiligstelde. Jeroen Dijsselbloem stelde dat zijn gewraakte uitspraak over drank en vrouwen voortkwam uit zijn ‘streng calvinistische cultuur’. En in een recente miljoenennota werden de rentebetalingen over overheidsschuld nog aangeduid als ‘zondegeld’.

Nederland lijkt zo bij uitstek een illustratie van Max Webers beroemde stelling dat de protestantse ethiek aan de basis staat van het kapitalisme. Door de protestantse nadruk op een sobere levensstijl en een streng arbeidsethos kwamen kapitaalvorming en investeringen op gang en zou het kapitalistische systeem zijn ontstaan. Deze korte samenvatting van Weber maakt echter meteen duidelijk waarom de zuinige volksaard van Nederlanders geen verklaring vormt voor hun strenge budgettaire opvattingen. Op het persoonlijke niveau, waar Weber de bron van de protestantse ethiek zocht, steken veel Nederlanders zich juist diep in de schulden. Nederland heeft een van de hoogste schuldenlasten per huishouden ter wereld. De soberheid die Nederland traditiegetrouw predikt ten opzichte van de overheidsuitgaven, is in de persoonlijke sfeer in geen velden of wegen te bekennen. Niemand betaalt de maandelijkse hypotheeklasten met de eigen zondigheid in gedachten.

Ook golden er in de jaren zestig en zeventig in ons land nog hele andere ideeën over begrotingsbeleid. Volgens de toen dominante keynesiaanse visie moest een overheid in crisistijd tekorten voor lief nemen om de economie te kunnen stimuleren. Onze strenge begrotingspolitiek komt niet voort uit een eeuwenoud cultuurpatroon. Het is een veel recenter fenomeen, te herleiden tot de resolute afrekening met keynesiaans beleid onder de kabinetten-Lubbers, zo’n veertig jaar terug.

Deze kentering was deel van een bredere internationale opkomst van het neoliberalisme, waardoor overheid én overheidsschuld in een kwaad daglicht kwamen te staan. Een cruciale rol daarin speelde het ministerie van Financiën. Al in de jaren zestig keerde het ministerie zich tegen de keynesiaanse verzorgingsstaat en de daaraan verbonden verhoging van de overheidsuitgaven. Aanvankelijk stond het ministerie daarin alleen, maar in de jaren tachtig wist Financiën haar strenge begrotingspolitiek tot hoeksteen van beleid te maken.

De public choice-theorie ziet de publieke sector als een gulzige slokop die op een streng dieet moet

Een belangrijke factor in de omslag van de jaren tachtig was de Amerikaanse public choice-theorie, die de publieke sector portretteerde als een gulzige slokop die aan een streng dieet moest worden onderworpen. Deze gedachte gaf in de jaren tachtig aanleiding tot een reeks van initiatieven om de overheidsbestedingen aan vaste kaders te binden. Regeerakkoorden werden dichtgetimmerd, stringente begrotingsnormen werden opgesteld, marktprikkels werden geïntroduceerd in de publieke sector en de greep van het ministerie van Financiën over het besluitvormingsproces werd sterk vergroot. Ambtelijke expertcommissies geleid door het ministerie van Financiën zouden hun stempel gaan drukken op het beleid. Zo heeft het programma Brede maatschappelijke heroverwegingen (bmh), dat vorige maand weer miljarden aan bezuinigingsvoorstellen adviseerde, zijn wortels in de jaren tachtig.

Door de huidige crisis is het begrotingsbeleid weer volop onderwerp van politiek debat. Kritische economen waarschuwen dat niet bezuinigingen maar juist overheidsinvesteringen nodig zijn om de economie op gang te krijgen. Linkse partijen pleiten voor grote investeringsplannen. Het eens afgeschreven keynesiaanse beleid lijkt zo weer in opmars te zijn. Sommigen spreken inmiddels over ‘het einde van het neoliberalisme’ en een ‘terugkeer van de staat’. Dat is waarschijnlijk wat voorbarig. Een terugblik leert dat de economen bij het ministerie van Financiën hun taakopvatting eerder zien als het inperken van de staat.

Illustratief voor de kentering van de jaren tachtig is het bezoek van de Amerikaanse econoom James Buchanan aan de Erasmus Universiteit Rotterdam in 1985. Buchanan werd beroemd als een van de grondleggers van de public choice-theorie. In 1986 ontving hij daarom de Nobelprijs voor Economie. Zoals bekend nemen de neoklassieke economen de homo economicus als uitgangspunt voor hun modellen: de mens streeft op de markt enkel naar het materiële eigenbelang. De public choice-theorie breidt dit verder uit, en stelt dat de mens zich ook in het politieke domein gedraagt als een homo economicus. Politici, ambtenaren en kiezers worden niet gedreven door beroepseer, idealen of ‘het publieke belang’ – een stelling van, alweer, Max Weber – maar handelen uit welbegrepen eigenbelang.

Waar dat eigenbelang op de markt goed uitpakt voor iedereen, stelt de leer van de public choice, is de politiek een veel disfunctioneler systeem. Een systeem van perverse prikkels waarbij iedereen elkaar in de tang heeft: kiezers stemmen op politici die hun het meest te bieden hebben, politici kopen hierdoor kiezers af met dure beloftes om zelf herkozen te worden en ook ambtenaren drijven de overheidsfinanciën steeds verder op, omdat zij constant leuren om meer geld voor hun eigen ministerie. Vanuit deze analyse ageerde Buchanan in kleurig taalgebruik tegen het ‘publieke potverteren’, het ‘bijziend hedonisme’ en de ‘kortzichtige genotsfilosofie’ van de ‘keynesiaanse apologeten’ – want met de denkbeelden van de Britse econoom John Maynard Keynes was de ellende allemaal begonnen. De oplossing van de public choice-economen was het inperken van de beleidsruimte via stringente normen voor belastingen en begrotingen.

Hoewel Buchanan de public choice als een objectieve wetenschap presenteerde, had de stroming een nauwelijks verhulde ideologische dimensie. Omdat Buchanan ervan uitging dat beslissingen over belastingen en begrotingen unaniem zouden moeten worden genomen, kon van herverdeling geen sprake zijn, tenzij de rijken geheel vrijwillig met het verhogen van belasting zouden instemmen. Grof gesteld was Buchanan een soort omgekeerde Piketty; hij ageerde tegen belastingen en tegen herverdeling. Samen met bondgenoten als Friedrich Hayek en Milton Friedman gold hij als een van de intellectuele boegbeelden van de neoliberale beweging. Hij was net als Hayek en Friedman een tijd voorzitter van de Mont Pèlerin Society, een invloedrijk internationaal verbond van vrije marktdenkers. En hij was nauw betrokken bij een reeks Britse en Amerikaanse neoliberale denktanks, zoals het Institute of Economic Affairs, het American Enterprise Institute en het libertaire Cato Institute. Daarbij onderhield hij hechte organisatorische banden met de gebroeders Koch, oliebaronnen die toen naam maakten als financiers van de rechtervleugel van de Republikeinse Partij.

In zijn lezing in Rotterdam legde Buchanan uit waarom er juist in de jaren zestig en zeventig zo’n vergroting van de overheidsuitgaven had plaatsgevonden. In vroegere tijden, zo redeneerde hij, overheerste een conservatieve moraal die zuinigheid en matiging verzekerde. Families die zuinig en gedisciplineerd omgingen met hun geld werden daarvoor beloond, omdat zij kwamen bovendrijven in het natuurlijke selectieproces. Door de maatschappelijke evolutie gingen dezelfde normen het economische beleid van overheden bepalen: het huishoudboekje werd de metafoor voor de openbare financiën. Zo ontstond de victoriaanse monetaire en fiscale moraal die Buchanan zo bewonderde en waarin schulden maken als zondig werd gezien. De econoom John Maynard Keynes, meende Buchanan, had deze evolutionair gegroeide moraal in de jaren dertig in één keer afgebroken met zijn nieuwbakken economische theorieën. Bij gebrek aan een conservatieve moraal waren overheden sinds het interbellum op veel te grote voet gaan leven.

Hoewel Buchanan het liefst de oude cultuur van soberheid hersteld zag, geloofde hij niet dat een eeuwenlange culturele evolutie zomaar opnieuw kon worden afgedwongen. Feitelijk was dit Weber op zijn kop. Die had de protestantse ethiek van spaarzaamheid namelijk een ‘dunne jas’ genoemd ‘die men op elk moment kon uittrekken’, maar stelde dat deze jas een ‘staalhard omhulsel’ werd toen het kapitalistische systeem eenmaal was volgroeid. Buchanan geloofde niet in Webers these dat het kapitalisme een sobere moraal bevorderde. Volgens hem was het een dunne jas gebleven en was die jas zelfs losgeknoopt toen Keynes de victoriaanse moraal van weleer had uitgebannen. Juist de afwezigheid van een traditionele moraal maakte volgens Buchanan strenge begrotingsnormen noodzakelijk.

Buchanan was een soort omgekeerde Piketty; hij ageerde tegen belastingen en herverdeling

De ideeën van Buchanan vielen in Nederland in goede aarde. Het was de tijd dat het eerste kabinet-Lubbers het begrotingstekort probeerde terug te dringen door streng te bezuinigen. Het bezoek aan de Erasmus Universiteit werd gevolgd door een etentje in het Rotterdamse Hilton-hotel, gesponsord door oliebedrijf Texaco. Onder toeziend oog van een select gezelschap van politici, journalisten, ambassadeurs, bankdirecteuren en ondernemers mocht de linkse socioloog Abram de Swaan de degens kruisen met Buchanan.

Een interventie van vvd-Kamerlid Rudolf de Korte gaf de sfeer mooi weer: ‘De regering heeft bepaald dat op pakjes sigaretten de waarschuwing “Gevaarlijk voor uw gezondheid” staat. Zou het niet aan te bevelen zijn dat politici een kaartje meekregen: “Deze man is gevaarlijk voor de overheidsbegroting?”’ De latere minister van Economische Zaken keek daarbij veelzeggend naar Joop den Uyl, in het publiek. De jaren van maakbaarheid waren voorbij; de overheid bood geen oplossingen meer, maar was deel van het probleem geworden.

De komst van Buchanan was georganiseerd door (de latere lpf-minister) Eduard Bomhoff van de Vakgroep Monetaire Studies aan de Erasmus Universiteit. De vakgroep gold in de jaren zeventig en tachtig als een klein maar invloedrijk bolwerk van het vrijemarktdenken, bovenal geïnspireerd door Milton Friedman. Eduard Bomhoff en zijn leermeester Pieter Korteweg bestookten de opiniepagina’s met felle kritieken op Den Uyl, het Centraal Planbureau en de Oeso. Hierdoor werd Korteweg al snel ‘de Nederlandse Friedman’ genoemd, terwijl de leden van de vakgroep in de linkse pers als ‘friedmaniakken’ werden weggezet. Maar de vakgroep had politiek gezien de wind mee. Dat bleek toen Pieter Korteweg in 1981 zijn positie als hoogleraar mocht verruilen voor een aanstelling als hoogste ambtenaar op het ministerie van Financiën. Hij werd zo een van de belangrijkste mensen achter het strikte begrotings- en bezuinigingsbeleid van het eerste kabinet-Lubbers. De public choice-theorie werd een belangrijke intellectuele pijler onder dat beleid.

Een goede illustratie daarvan is een lezing uit de late jaren tachtig van Onno Ruding, minister van Financiën in de eerste twee kabinetten-Lubbers. De voordracht had als titel ‘Staatsschuld als morele last’ en had zo uit de koker van Buchanan kunnen komen. Ruding gaf een kernachtige samenvatting van de public choice-theorie: burgers begrepen niet dat extra overheidsbestedingen ook extra belastingen betekenden. Deze belastingen werden, via de oplopende overheidsschuld, immers doorgeschoven naar volgende generaties. ‘Stemmen maximaliserende politici’ speelden in op deze onwetendheid en probeerden door veel uit te geven de kiezersgunst af te kopen, met enorme begrotingstekorten tot gevolg. Ondertussen oefenden ‘belangengroepen, pressiegroepen en adviesraden’ een constante druk uit om de uitgaven te verhogen. De omvangrijke staatsschuld, zo concludeerde Ruding, was ‘het resultaat van te hoge verwachtingen en idealen ten aanzien van de overheid’.

De lezing van Ruding was een afrekening met het oude keynesiaanse conjunctuurbeleid, dat stelde dat begrotingstekorten in crisistijd geoorloofd waren. Volgens Keynes werkte het terugdringen van de overheidsuitgaven namelijk procyclisch (het verdiepte de crisis), waardoor de inkomsten van de overheid alleen maar verder terugliepen. ‘The boom, not the slump, is the right time for austerity at the Treasury’, was de beroemde stelling van Keynes. In de jaren zeventig waren er echter omstandigheden waardoor keynesiaans stimuleringsbeleid niet werkte: hoge inflatie als gevolg van de hoge olieprijs, gecombineerd met hoge werkloosheid en hoge rentetarieven, waardoor het voor overheden heel duur werd om te lenen.

In 1963 waarschuwde econoom Goedhart al voor de ‘fatale grens’ van de overheidsuitgaven

Uit de terechte observatie dat een keynesiaans conjunctuurbeleid onder specifieke omstandigheden niet werkte, werd in de jaren tachtig een veel algemenere conclusie getrokken: stimuleren in crisistijd werkt per definitie niet. Het keynesiaanse conjunctuurbeleid werd resoluut aan de kant gezet. Pieter Korteweg schrapte zelfs elke verwijzing naar ‘conjunctuur’ uit de tekst van de miljoenennota.

De public choice-theorie gaf hier een nog cynischer draai aan. Politici waren überhaupt niet geïnteresseerd in het beperken van de economische schade. Ze waren van nature geneigd om meer geld uit te geven dan er was, omdat ze onder invloed stonden van maatschappelijke pressiegroepen en eerder bezig waren met hun verkiesbaarheid dan met het algemeen belang. De les die zo werd getrokken uit de jaren zeventig is dat het noodzakelijk is om de politiek continu te disciplineren en in te tomen. Het public choice-denken werd daarbij een vast onderdeel van het vak openbare financiën in Nederland, waar traditiegetrouw veel van de beleidsmakers worden opgeleid die bij de ministeries aan de knoppen zitten.

Interruptie in de Tweede Kamer door Ruud Lubbers (CDA), met links Koos Rietkerk & Rudolf de Korte (VVD) en rechts Joop den Uyl (PvdA). Den Haag, 7 december 1978 © Vincent Mentzel / de Beeldunie

Als we willen begrijpen waarom public choice in Nederland zo aansloeg, moeten we nog iets verder terug in de tijd. De stroming ontstond in de jaren vijftig en zestig in de VS als een variant op de rationele-keuze-theorie. Grondleggers van de public choice als Kenneth Arrow (1951), Anthony Downs (1957) en James Buchanan (1962) publiceerden toen toonaangevende boeken. Hun werk was een reactie op de naoorlogse welvaartseconomie die marktfalen onderzocht. De observatie dat de markt allerlei publieke goederen op het gebied van veiligheid, gezondheid, infrastructuur en welzijn niet goed kon leveren, verschafte een breed mandaat voor overheidsingrijpen. De welvaartseconomie stond zo aan de basis van de uitbreiding van de verzorgingsstaat.

Als reactie op deze wetenschap van markt-falen ontwikkelden public choice-economen wat Buchanan een ‘wetenschap van politiek falen’ noemde. De welvaartseconomen hadden weliswaar aangetoond dat de markt bepaalde functies niet goed kon vervullen, ze hadden daarbij voetstoots aangenomen dat de overheid dat wél naar behoren kon doen. Met hun pessimistische analyse over de overheid keerden public choice-economen zich tegen de naoorlogse consensus dat uitbreiding van overheidsingrijpen wenselijk was. Niet alle public choice-economen waren – zoals Buchanan – volbloed neoliberalen, maar door haar scepsis over de overheid en voorkeur voor het marktmechanisme, had public choice een natuurlijke affiniteit met toen opkomende neoliberale denkers als Friedrich Hayek en Milton Friedman.

Nederland kende een eigen variant van public choice, die eveneens opkwam in de jaren vijftig en zestig. Toonaangevende economen als Willem Drees jr., Cornelis Goedhart, Theo Stevers, Lense Koopmans en Floor Hartog werden boegbeelden van de nieuwe stroming en zouden in belangrijke mate het ambtelijke denken over overheidsingrijpen gaan bepalen. Vooral Willem Drees jr., de zoon van pvda-leider Willem Drees, was een pionier. Hij had aan het einde van jaren veertig in de Verenigde Staten gewerkt voor het pas opgerichte Internationaal Monetair Fonds. Daar raakte hij bekend met de rationele-keuze-theorie, die toen net opkwam onder beleidsmakers. Bij terugkomst wijdde Drees jr. zijn proefschrift aan de rol van maatschappelijke pressiegroepen in het verhogen van de overheidsuitgaven, een centraal thema uit de public choice-theorie.

Volgens Drees dankte Nederland zijn naoorlogse economisch herstel aan een zuinig marktgericht beleid, met lage lonen en sobere sociale voorzieningen. In het midden van de jaren zestig was deze erfenis te grabbel gegooid: de lonen explodeerden en de verzorgingsstaat werd te ver uitgebouwd. Als directeur van de Rijksbegroting verzette Drees jr. zich fel tegen deze trend. Hij stelde dat ministers en politici voor het karretje gespannen werden van pressiegroepen, waarmee hij bovenal de vakbonden en het maatschappelijk middenveld bedoelde. Politici die hogere sociale uitkeringen bepleitten, beschuldigden Drees van ‘prietpraat’ en ‘wartaal’.

Onder Drees was sprake van een zekere politisering van het ministerie van Financiën, dat zich op felle toon tegen de uitbreiding van de verzorgingsstaat keerde. In een controversiële toespraak uit 1965 constateerde Drees jr. dat de minister van Financiën ‘vrijwel de enige vriend van de belastingbetaler [was], omdat hij de man is die voortdurend probeert de uitgaven af te remmen’. Het ministerie, zo verduidelijkte hij in 1969, nam ‘een frontpositie in’ en ‘voert een strijd tegen de groepen die (te veel) geld uit de schatkist willen’.

Als onderdeel van die strijd bepleitte hij de oprichting van een ‘pressiegroep tegen de verhoging van de rijksuitgaven’, en hij zou al snel de daad bij het woord voegen. Samen met Cornelis Goedhart, toonaangevend econoom en grondlegger van het vak openbare financiën, richtte Drees jr. het Instituut Onderzoek Overheidsuitgaven op, een invloedrijke denktank die zich keerde tegen de groeiende overheidsuitgaven. Deze Cornelis Goedhart was er eveneens vroeg bij. Hij waarschuwde al in 1963 dat de overheidsuitgaven (toen ongeveer 35 procent van het bnp) een ‘fatale grens’ naderden, omdat het arbeidsethos werd ondermijnd. Goedhart achtte het marktmechanisme superieur aan het budgetmechanisme en weet de uitbreiding van de collectieve sector aan de inspanningen van ‘gepassioneerde minderheden’ die de belastingbetaler op kosten jaagden.

De publieke sector, de ‘zelfingenomen slokop’, blijkt een fundament onder de samenleving

Een jaar later sloten Drees jr. en Goedhart zich aan bij de Democratische Socialisten ’70, een rechtse afsplitsing van de pvda. Naar eigen zeggen wilde DS’70 de ‘goede eigenschappen opvissen die de pvda uit de vijftiger jaren overboord heeft gegooid’. Drees vulde aan: ‘Wij willen lijken op die pvda van toen, nuchter, somber, arbeidzaam. Wij zijn een victoriaanse partij, zonder gepraat over drugs en seks, maar met discipline, tucht en toewijding.’ DS’70 keerde zich tegen de ‘genotzuchtige aspecten’ van de sixties. Net als bij Buchanan werd het pleidooi voor een streng begrotingsbeleid gepaard aan heimwee naar een verloren traditionele moraal. Alhoewel het succes van DS’70 van korte duur was, legden Drees en Goedhart met hun ideeën een belangrijke ideologische basis voor het bezuinigingsbeleid van de jaren tachtig.

Een eerste aanzet tot dit bezuinigingsbeleid gaf Lense Koopmans, een hoogleraar openbare financiën die onder Drees bij het ministerie had gewerkt. In zijn oratie uit 1973, Beheersing van de overheidsuitgaven, combineerde Koopmans de ideeën van Amerikaanse public choice-denkers als James Buchanan en William Niskanen met die van Drees jr. en Theo Stevers. De rede was droog maar alarmistisch. Volgens Koopmans waren de overheidsfinanciën onbeheersbaar geworden. Het kabinet-Den Uyl was pas aangetreden en zelfs de oliecrisis was nog niet begonnen, maar Koopmans zag een veel structureler probleem. Hij stelde dat ministers, parlementariërs en ambtenaren enkel het budget voor de eigen sector wensten te maximaliseren, daarin aangemoedigd door allerhande pressiegroepen. Hierdoor waren de overheidsuitgaven aan een onstuitbare opmars begonnen.

De public choice-analyse van de crisis van de jaren zeventig legde de nadruk niet zozeer op de instortende wereldeconomie of het deïndustrialisatieproces met bijbehorende massawerkloosheid. De kern van het probleem was het democratische systeem zelf, dat inherent neigde naar overschrijdingen. Koopmans wilde het tij keren door het besluitvormingsproces te centraliseren en de macht van het ministerie van Financiën te vergroten. Hij bepleitte ook een privatiseringsagenda en de introductie van marktprikkels in de publieke sector. Twee jaar later werd hij benoemd tot plaatsvervangend directeur-generaal Rijksbegroting, waar hij zijn pleidooi van binnenuit voortzette.

Samen met Goedhart en (gewezen) Financiën-kopstukken als Korteweg, Meys en Oort schreef Koopmans in 1981 mee aan het themanummer Beheersing van de overheidsuitgaven van het wetenschappelijk bureau van de vvd. Daarin werden op basis van de public choice-theorie een aantal voorstellen gedaan om de positie van het ministerie van Financiën beslissend te versterken. Er moest een strikte begrotingsnorm komen, uitgewerkt door de Studiegroep Begrotingsruimte, een ambte-lijke expertcommissie geleid door Financiën. Het tekort van de collectieve sector moest in ‘een zo hoog mogelijk tempo’ teruggebracht worden, ook al zou dat op korte termijn ‘nega-tieve macro-economische repercussies’ opleve-ren.

Hiervoor kon worden geput uit het programma Heroverwegingen van overheidsuitgaven dat ook in 1981 was gelanceerd. De toen 28-jarige Financiën-econoom Gerrit Zalm (lievelingsboek: Friedrich Hayeks Road to Serfdom) coördineerde de rapporten van deze ambtelijke studiegroepen, die al snel de bijnaam ‘bezuinigingsbijbel’ kregen. De topambtenaren pleitten ervoor om het programma Heroverwegingen van overheidsuitgaven een ‘permanente activiteit’ te maken en om ‘ambtenaren van de uitgavenministeries’ uit te sluiten van deelname aan de heroverwegingen. Niet op alle punten kregen ze hun zin, maar vanaf de jaren tachtig werd Financiën wel weer het machtigste ministerie.

Gold het strenge begrotingsbeleid in de jaren zeventig en tachtig nog als ‘rechts’, in de jaren negentig werd het een post-ideologische norm, doordat ook de pvda afstand deed van de keynesiaanse conjunctuurpolitiek. Volgens de nieuwe consensus kon het begrotingsbeleid het beste worden overgelaten aan de technocraten bij de ministeries. De dunne jas van het kapitalisme, die in de jaren zeventig was opengevallen, zou op deze manier weer moeten worden dichtgeknoopt. Met het trendmatige begrotingsbeleid dat minister Gerrit Zalm in de jaren negentig mocht opstellen zou Den Haag overwegend procyclisch gaan reageren op economische crises.

Na de financiële crisis van 2008 werden de recepten uit de jaren tachtig opnieuw voorgeschreven. Pieter Korteweg, de voormalige topambtenaar van Financiën, drong in de pers aan op harde bezuinigingen en vergeleek het keynesiaanse stimuleringsbeleid met ‘zelfrijzend bakmeel van dr. Oetker’. Journalisten waren danig onder de indruk. ‘Pieter Korteweg heeft zijn gelijk dertig jaar geleden bewezen, waarom zou hij vandaag ongelijk hebben?’ schreef Kees Tamboer in Het Parool. Veelzeggend is dat ook Lodewijk Asscher het bezuinigingsbeleid verdedigde, door een keynesiaanse politiek te vergelijken met ‘een vader met grote schulden, verslaafd aan gokken’, die ‘zijn kinderen geruststelt door ze te beloven dat ze volgende zomer op vakantie gaan’. Het had zo door Buchanan geschreven kunnen zijn. De ene crisis is echter de andere niet. De bezuinigingen van het kabinet-Rutte II verdiepten de economische malaise, stelden onderzoekers achteraf vast. De econoom Bas Jacobs weet het misplaatste bezuinigingsbeleid aan ‘fantoompijn uit de jaren tachtig’.

De huidige coronacrisis stelt de recepten uit de jaren tachtig opnieuw ter discussie. De publieke sector, door de public choice-theorie afgedaan als een zelfingenomen slokop, blijkt een fundament onder de samenleving. Lodewijk Asscher pleit inmiddels voor een links investeringsbeleid en stelt dat ‘een technocratische of post-ideologische politiek geen perspectief biedt’. Het is haast onvermijdelijk dat het begrotingsbeleid in de aanloop naar de volgende verkiezingen weer inzet zal worden van politieke strijd. Zeker is dat het ministerie van Financiën in dat debat een ‘frontpositie’ zal innemen.