Schuld noch boete

Er zat een man in de trein die zei dat hij niet in het hiernamaals geloofde.

Ik had hem als geloofsgenoot kunnen beschouwen, als bondgenoot zelfs, maar hij zei het op zo’n zelfverzekerde toon dat ik hoopte dat het hiernamaals wel in hém geloofde en hem te zijner tijd alle hoeken van de eeuwigheid zou laten zien.

Zelf hoop ik die eeuwigheid niet mee te maken. Ik ben opgegroeid met het idee van hemel en hel, en dat idee bleek bij nader inzien niet erg houdbaar omdat het zo absurd was. Maar om het absurde gaat het niet eens. Het beste argument tegen een hiernamaals blijft volgens mij dat we er gewoon niet belangrijk genoeg voor zijn. (Niemand van ons?_ Nee, niemand. Ook ik niet? Ik heb nog wel een… Nee, ook jij niet, we hebben allemáál wel eens een levensreddend medicijn uitgevonden.)

Het beste is misschien om er niet te veel over na te denken. We zien wel. Maar dat kan ik makkelijk zeggen omdat ik er uiteindelijk toch niet in geloof. Soms zou ik willen dat ik net genoeg kon twijfelen om agnost te zijn. Agnosten zijn rustige mensen. Ooit zat ik in een trein vol agnosten. Zo’n kalme treinreis had ik nog nooit meegemaakt. Toch werd de rust verstoord: op een gegeven moment begon de man naast me zachtjes te snikken.

‘Is er iets?’ vroeg ik. ‘Dat is nou juist de grote vraag, hè’, zei hij bedroefd. Bij het volgende station werd hij hardhandig uit de trein verwijderd. ‘Wij hebben er juist vrede mee dat we het niet weten!’ riepen ze hem na terwijl de trein zich weer in beweging zette.

Het beste argument tegen een hiernamaals blijft dat we er niet belangrijk genoeg voor zijn

Elk idee van een hiernamaals bevat een moraal, en zo lanceren we onze overtuigingen tot in domeinen die we in ieder geval bij leven nooit zullen bereiken. De gedachte dat we er te onbelangrijk voor zijn bevat een gezonde dosis troost. Of, als je het iets zalvender wilt hebben: als we belang hebben, beste reizigers, dan ligt dat in het hier en nu.

En als het hiernamaals toch bestond, zou het mooi zijn als het om heel andere dingen zou gaan dan we verwachten, dat het niet om ons zou draaien, laat staan om schuld en boete; zoals in The Sirens of Titan van Kurt Vonnegut de hele menselijke beschaving enkel ten doel heeft een op Titan gestrand ruimtevaartuig van buitenaardse afkomst te voorzien van een cruciaal reserveonderdeel.

Dan glij je na je dood door die tunnel naar het licht (tot nu toe alles volgens verwachtingen, hoe vaak heb je niet over die tunnel gelezen) en sta je opeens in een vaag landschap voor een lange rij auto’s.

Wat is dit? Dit zijn de auto’s waarin je van stations bent opgehaald op avonden waarop je een lezing gaf, lees je op een bordje. En dit is mijn hiernamaals? Ja, zegt het bordje, dit is je hiernamaals. Is het dan al die tijd om deze auto’s gegaan? Hallo? Hallo? Het bordje zwijgt.

Je kijkt naar de auto’s en probeert een manier te verzinnen waarop juist deze auto’s van allesoverheersende betekenis kunnen zijn geweest voor je leven. Staan ze ergens voor? Moet ik hieruit het wezen van mijn bestaan afleiden: het geven van lezingen? Gaat het om de mensen die bereid waren me op te halen? Is het impliciete kritiek op het feit dat ik nooit mijn rijbewijs heb gehaald?

Er is in ieder geval genoeg tijd om erover na te denken, als we in de eeuwigheid nog van tijd mogen spreken tenminste. Op een gegeven moment lijkt een antwoord zich aan te dienen, maar voor het zich definitief kan vormen, veranderen de auto’s in de lamp die bij je ouders in de gang hing. En dan niet de lamp waar je altijd een beetje bang voor was, maar die andere, die zich liet bedienen door de schakelaar die naast de spiegel hing.