Schuldbekentenis of zelfrechtvaardiging

Naast Kafka en Musil schreef Peter Handke het beste Duitstalige proza van de twintigste eeuw. In 2006 hield de Oostenrijker een grafrede op het graf van Slobodan Milosevic. Nacht op de rivier heet zijn recent vertaalde roman.

Peter Handke, Nacht op de rivier: een vertelling

Medium handkde   nacht op de rivier

Het bestaat: de mogelijkheid een perfecte, geslaagde dag te beleven, eentje waarop je helemaal vrij bent, geen werkverplichtingen hebt en waarop evenmin allerlei vrijetijdsactiviteiten gepland staan, een dag waarop niemand je gezelschap houdt, je afleidt, je verveelt, de dag dat elke toevallige ontmoeting, elke verstrooide observatie haar plek heeft, van de vroege morgen tot de late middag, avond en nacht. Peter Handke schreef er in 1991 een van zijn bekendste essays over – Essay over de geslaagde dag. Achter in de veertig was Handke destijds, en hij merkte dat zijn ontvankelijkheid als schrijver aan het afnemen was. De mogelijkheid om door nauwkeurige waarneming en beschrijving heel even zichzelf te overstijgen en voor een moment samen te vallen met de wereld, die vond hij nog maar met moeite terug. Hij voelde zich er schuldig over en overpeinsde hoe tegenwoordigheid van geest afgedwongen zou kunnen worden, maar juist door daar een onderneming van te maken die kon slagen en dus ook falen, gaf hij te kennen dat hij iets definitief kwijtgeraakt was.

Is Peter Handke zelf nodig om een geslaagde dag te kunnen beleven? Ja, zou ik zeggen, al was het maar omdat zonder Handke dat concept van de geslaagde dag – van de volgehouden en ­volledige opmerkingsgave – niet eens bestond. En ook omdat hij in 1977, in de meest vruchtbare periode van zijn schrijverschap, het boek schreef dat de ideale voorbereiding vormt voor die hoogstpersoonlijke dag der dagen. Dat was De last van de wereld, verschenen in de reeks Privé-domein, waar later ook het gelijkaardige De geschiedenis van het potlood in werd ­opgenomen. De last van de wereld kent een doodsimpele opzet. Vijftien maanden lang schrijft Handke al zijn observaties en gedachteflitsen op, eerst nog thematisch beperkt, want met het oog op een roman, later zonder remmingen, een vrije stroom aantekeningen die aanzwelt naarmate hij meer geoefend raakt. Handke noteert, zoals hij in het voorwoord stelt, ‘alles wat ik maar beleefde’, zonder het vangnet van een verhaal of een andere narratieve structuur, waardoor die notities op straat komen te liggen, openbaar worden, voor iedereen toegankelijk. Deze ‘niet doelgerichte waarnemingen’ leverden hem, zo stelde hij in het korte voorwoord, een ongelooflijke vrijheid van ervaring op – wat meteen een scherpe definitie van literatuur is: het geheel van al die teksten die niet meteen binnen de celwanden van een genre passen.

De last van de wereld is zo’n boek dat je niet kunt lezen zonder de neiging bij elke zin een potloodstreepje te willen zetten, waar geen beginnen aan is, met als gevolg dat ik in mijn eigen exemplaar geen enkele aantekening maakte, overweldigd door de overvloed aan inzichten; het vulpotlood gedegradeerd tot boekenlegger. Nu zou ik alsnog uit het boek kunnen citeren door zomaar een greep te doen, al gaat in het afgezonderde fragment juist de geweldige ervaring van die niet-aflatende gedachtestroom verloren. Bizar ook dat elke zin die ik vind (‘Terwijl we zaten te praten tekenden we allebei figuurtjes in het tafelkleed’/ ‘Haat tegen mensen die hun zonnebril in hun haar hebben gestoken’) meer over mij dan over Handke lijkt te zeggen. Ook al zoiets: de ervaring dat hier iemand zomaar zegt wat je zelf, zonder je daar bewust van te zijn geweest, altijd al dacht en voelde – de spectaculaire banaliteiten waar het leven het patent op heeft. Een soort dagboek van de ervaring, zonder psychologische bladiebla, geschreven met de bondigheid van een haiku. Heel in de verte doet het denken aan het prozagedicht N30 waarmee Jeroen Mettes in 2011 postuum de roman van zijn generatie bleek te hebben geschreven.

In De korte brief bij het lange afscheid, uit 1979, laat Handke zijn alter ego opmerken dat in de romans en toneelstukken die hij schrijft de personages minder tot hun recht komen dan zijn eigen stem dat doet, en dat hij er maar niet in slaagt zijn personages zelfstandig te laten spreken. Een verhelderend zelfinzicht, want in dit uitgesproken onvermogen schuilt meteen zijn grootste kwaliteit. Handke is in de eerste plaats een essayist, een auteur die op de meest persoonlijke, tastende manier uitdrukking geeft aan zijn ervaringswereld – een schrijver ook wiens fort niet in het verzinnen ligt. Zijn vermoedelijk beste, tevens best verkochte boek is essayistische non-fictie, zij het niet gewijd aan zijn eigen leven, maar aan dat van een ander, de vrouw die al voor zijn geboorte onlosmakelijk met hem verbonden was – zijn moeder, die zich in 1971 het leven benam. 51 jaar was ze toen. In het een jaar na haar dood verschenen ­Wunschloses Unglück, in het Nederlands vertaald als Ongezocht ongeluk, beschrijft Handke hoe het tot dat zelfgekozen einde gekomen is. Zijn stelling is een grimmige beschuldiging: alleen al door als vrouw in een armoedig, oerconservatief Oostenrijks plattelandsmilieu geboren te worden, daar waar het woord ‘individu’ slechts als scheldwoord gebruikt werd en meisjes niet aan een opleiding, hoe bescheiden ook, mochten denken, was zijn moeder vanaf haar kinderjaren ten dode opgeschreven. En Handke weet dat vervolgens ook tastbaar te maken, met hetzelfde scherpe oog voor onrecht en consensusdwang als zijn landgenote Elfriede Jelinek, die toen zij in 2006 de Nobelprijs kreeg, stelde dat ze verwacht had dat de prijs eerder aan Handke zou worden toegekend.

In Ongezocht ongeluk schrijft Handke vlammend beknopt. Uit elke zin spreekt ingehouden woede: ‘Elke uiting van een zelfstandig leven als vrouw gold in dit landelijk-katholieke milieu toch al als voorbarig en onbeheerst; scheve blikken, net zo lang tot de beschaamdheid slechts op potsierlijke wijze werd voorgewend, maar al heel diep van binnen de meest elementaire gevoelens afschrikte: “Vrouwelijk blozen” zelfs bij plezier, omdat men zich over dat plezier op gepaste wijze had te schamen; bij verdriet werd men niet bleek, maar rood in het gezicht en in plaats van in tranen uit te barsten, begon men te zweten.’ Naar de keel grijpend is dit boek, vooral, geloof ik, omdat Handke ook toont dat zijn moeder er deels in slaagde zich te onttrekken aan haar omgeving en afkomst. Op haar zestiende liep ze weg om een hotelopleiding te gaan volgen, op die manier haar Sloveense vader voor voldongen feiten plaatsend. En ze trouwde net voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog met een Duitser, naar eigen zeggen in de overtuiging dat hij in de strijd wel zou sneuvelen, wat helaas anders liep – na de oorlog zat ze opgescheept met een agressieve dronkelap.

De verleiding van de nazi’s, aldus Handke’s moeder, in de woorden van haar zoon, bestond in de grotere samenhang die na de Anschluss in Oostenrijk leek te ontstaan, een sportief gemeenschappelijk ritme waarin geen ‘heimwee’ meer bestond. Handke schrijft het op zonder daar nog een oordeel aan toe te voegen. Zelf ging hij de omgekeerde weg. Hij ontsnapte aan zijn moederland door naar Duitsland, later naar Parijs te verhuizen, waar hij in de periferie, weg van het gedrang van het centrum, verder werkte aan zijn oeuvre. ‘Fernweh’ is een begrip dat Handke sporadisch heeft gebruikt om zijn eigen onrust te betitelen, een onrust die hem overigens vaak genoeg terug naar Oostenrijk bracht. Hij reisde frequent: naar Amerika, Spanje, Joegoslavië, tot de Joegoslavische federatie vanaf 1990 verscheurd werd door een oorlog die begon toen Slobodan Milosevic met veel opportunisme de kant van de Servische nationalisten koos. In 1996 publiceerde Handke een verslag van een reis door Servië, op het moment dat de strijd in Bosnië op zijn hevigst was. Eine winterliche Reise zu den Flüssen Donau, Save, Morawa und Drina oder Gerechtigkeit für Serbie is een irritant zuigend en haastig geschreven boek, waarin Handke vragen opwerpt over de eenzijdige schuld van Servië aan de oorlog, het land dat hij een slachtofferrol toedicht. De felle kritiek die hij in met name Duitsland hiervoor ontving, zorgde er niet voor dat Handke terugkrabbelde. De man die al jong allergisch was voor groepsdruk volhardde in zijn standpunt en bekroonde dat tien jaar later met een grafrede bij de uitvaart van Milosevic in 2006.

Handke’s in 2008 gepubliceerde roman Die morawische Nacht, nu verschenen als Nacht op de rivier, werd in de Duitstalige pers, niet zonder opluchting, gezien als een schuldbekentenis voor zijn engagement met het Servische nationalisme. Men citeerde vooral de passage waarin de hoofdpersoon, een schrijver die zich heeft teruggetrokken op een woonboot op de Morava, bedenkt dat hij zich ‘voorgoed schuldig’ heeft gemaakt door in een ‘andere natie’ te geloven, een passage waar toch ook zelfbeklag in doorklinkt. Het door Gerrit Bussink vertaalde Nacht op de rivier is in ieder geval een terugblik – je zou zelfs kunnen zeggen: de sluitsteen van zijn oeuvre. Handke overdenkt in de roman zijn eigen leven en werk, die in zijn vertelling onlosmakelijk met elkaar verbonden raken. Zo komt de schrijver die Handke opvoert over zijn eigen gewelddadigheid te spreken, wellicht een verlaat antwoord op de open brief die een ex-partner van Peter Handke in 1999 publiceerde, waarin ze zich afvroeg wat de auteur bezielde om de Navo-landen te beschuldigen van oorlogszucht jegens Servië na dreiging met gewapend ingrijpen in Kosovo, daar hij zelf in hun relatie nooit vies was geweest van een klap of een schop. Handke’s tegenstanders knepen hun handen dicht. Voorzover mij bekend reageerde de schrijver zelf niet.

Nacht op de rivier bevat bekende hand­kiaanse thema’s en is geschreven in zijn tastende, uitgesponnen, wat gemaniëreerd aandoende late stijl. In het boek gaat het Handke opnieuw om ‘alles wat ik beleefde’, maar dat alles dan wel opgeschreven in de tweede graad, met het overzicht achteraf van een verteller die boven het gebeurde zweeft. Weinig vind ik hier terug van het genot dat de jongere Handke me als lezer gaf en nog steeds geeft, de schrijver die in de jaren negentig zijn angst uitte dat hij zijn ontvankelijkheid zou verliezen. Is het verval dan toch niet te stoppen geweest? De roman is geschreven in een schrijfverliefde modus, wat weliswaar soepel aan elkaar geregen, maar nergens echt pakkende zinnen oplevert. Eerder dan een zelfonderzoek wordt hier een zelfrechtvaardiging geschreven, inclusief sneer naar de kleine Balkanlandjes die zo nodig onafhankelijk moesten worden; een Kosovaar zou met recht zeggen: het was Servië dat ons met de loop van een tank daartoe enthousiasmeerde! Het woord Servië valt overigens niet in het boek. Wel is er veel heimwee of fernweh (is het niet Handke’s tragiek dat die twee zijn gaan samenvallen?) naar de verloren gewaande Balkan. Het moet het meest gebruikte woord in Nacht op de rivier zijn, waar we lezen over Balkanvolk, Balkanmuziek, Balkansfeertje, Balkanzeden, Balkanstenen en Balkanzakdoek. Zet je ze op een rij, dan moet je wel concluderen dat dit Balkanbullshit is, de edelkitsch van een streekroman zonder liefdesgeschiedenis. En dat terwijl Handke in zijn beste werk juist de mogelijkheid biedt tot een uitvlucht uit al die ficties die ons leven beheersen én beperken, wat in zijn teksten neerkomt op een zelfbewuste ontmanteling van de vaste vertellingen. Daarin schuilt de ongelooflijke levenskracht van de schrijver Peter Handke.

Handke zelf zal over dit soort kritiek zijn schouders ophalen. Hij is inmiddels de zeventig gepasseerd en kan ervan uitgaan dat zijn vroege werk nog gelezen zal worden als de critici van het latere werk tot stof zijn vergaan. En welbeschouwd is ook dat te simpel gezegd. Peter Handke laat zich niet afschrijven. Dat bewijst zijn allerlaatste boek: Versuch über den Stillen Ort, de vierde titel in een reeks met daarin Essay over de geslaagde dag. Weg van de Balkan, eindigt Handke’s meest recente poging in Japan.


Pozarevac (Servië), 18 maart 2006. Peter Handke op de begrafenis van Slobodan Milosevic

Peter Handke, Nacht op de rivier: Een vertelling

Vertaald door Gerrit Bussink, Wereldbibliotheek, 336 blz., € 34,90