‘schuldgevoel is gevaarlijk’

Ze werd niet joods opgevoed. Wel groeide ze op met verhalen over de oorlog. Die gaven haar ‘een bijna onbeheersbaar gevoel van onveiligheid’. Maar van bitterheid tegenover niet-joden wil ze niets weten. Evelien Gans over schuldgevoel en afgunst.

VAN DE 140.000 JODEN die in Nederland woonden, zijn er meer dan honderdduizend gedeporteerd; van de vierentwintigduizend joden die in Nederland onderdoken, werd een derde ontdekt of verraden. Hoe hebben deze wrange feiten de verhouding tussen joden en niet-joden in Nederland beinvloed, vraagt Evelien Gans zich af in haar boek Gojse nijd & joods narcisme. Hoe kleurden ze de oude stereotypen en welke rol speelden ambivalente gevoelens van schuld en nijd?
Evelien Gans schreef een belangrijk boek, omdat het uitkwam op een moment waarop Nederland aan bezinning toe lijkt. Zie de discussie over het koloniale verleden, die met de rechtszaak tegen Graa Boomsma en de komst van Poncke Princen een nieuw hoogtepunt bereikte. Maar Gojse nijd & joods narcisme is ook een intelligent boek, omdat Evelien Gans weigert makkelijke antwoorden te geven op gebeurtenissen die door sommigen eenvoudigweg zijn afgedaan als uitingen van antisemitisme: de Fassbinder-affaire, de hatelijkheid van Theo van Gogh, de fotocollage in Propria Cures.
Schuldgevoel, concludeert de schrijfster, is er wel degelijk, maar dan wel in een wankele combinatie met irritatie, benauwdheid en nijd. Vooral nijd, omdat die een constante lijkt te zijn in de moeizame relatie tussen joden en niet-joden: ‘Na de oorlog heeft de nijd een nieuwe vorm aangenomen. Niet de platte nijd, in de zin van “was ik ook maar in een kamp geweest”, maar iets subtielers, wat te maken heeft met de aandacht die de slachtoffers hebben gekregen. En misschien bestaat er ook een verband met het feit dat de shoah de joodse identiteit kennelijk niet heeft vernietigd, maar versterkt. Hun geschiedenis is er op een rare manier interessanter door geworden, wat overigens al eeuwen het geval is: ondanks alle verschrikkingen, vernederingen en vervolgingen, pogroms en de Tweede Wereldoorlog als climax, hebben joden hun identiteit weten te handhaven. En tegelijkertijd hebben ze enorme prestaties geleverd: al die Spinoza’s, Einsteins en Woody Allens hebben een blijvend stempel gedrukt op de westerse beschaving.’
Zowel het leed als de trots maken joden voor anderen interessant, schrijft u.
'Ze hebben in ieder geval een bijzonder verhaal. In een tijd waarin steeds meer mensen op zoek zijn naar het bijzondere, naar wat hen onderscheidt, is dat iets wat afgunst wekt. Dat geldt niet alleen voor joden maar ook voor allerlei andere minderheidsgroepen die kunnen bogen op een rijke cultuur en een lange geschiedenis, inclusief een geschiedenis van onderdrukking.
De shoah is niet meer weg te denken uit de joodse identiteit, hoe graag de joden dat ook zouden willen. Of je religieus bent of niet, je draagt het altijd met je mee, in een of andere vorm: een kleine schrikreactie, een verborgen gevoel van bitterheid, tot en met iets waar je dagelijks over denkt en leest.’
U zegt dat joden door de eeuwen heen zijn benaderd via een aantal stereotypen: de godsmoordenaar, de woekeraar, de kapitalist, de bolsjevist, de geleerde. Maar zijn stereotypen te vermijden als twee groepen elkaar treffen?
'Ze zijn tot op zekere hoogte onvermijdelijk, maar je moet je er wel bewust van zijn, vind ik. Het lastige is dat je je er niet tegen kunt verweren, en zeker niet als erbij gezegd wordt dat je er niet te zwaar aan moet tillen omdat het niet persoonlijk bedoeld is.
Aan de andere kant hebben joden erg de neiging zich terug te trekken op hun zelfbeeld van leed en trots. Alle tussenliggende facetten worden terzijde gelegd. Want er zijn niet alleen afschuwelijke dingen gebeurd en er zijn niet alleen prestaties geleverd om trots op te zijn. Er zijn genoeg kleine en grotere onaangenaamheden. Neem bijvoorbeeld de onderlinge steun, die noodzakelijk was omdat joden op elkaar waren aangewezen. De schaduwzijde was de sterke hierarchie in de gemeenschap, de betutteling. Daar moet je ook aandacht aan schenken.
Meer in het algemeen is het een tikje overdreven om je te beperken tot je joods-zijn. Je bent nooit alleen joods, maar ook vrouw, ook Nederlander. Dat zijn rivaliserende en “samen-dansende” identiteiten, zoals Konrad het zegt. Je bestaat uit verschillende stukjes en brokjes, en het boeiende is om daar een geheel van te maken. Dat geheel is natuurlijk in voortdurende beweging: in de ene fase van je leven is dit aspect belangrijker, in de andere fase een ander.’
WANNEER IS HET joodse aspect voor u belangrijk geworden?
'Zo'n tien jaar geleden. Het was er altijd al, maar toen koos ik er expliciet voor, op mijn eigen manier natuurlijk. Want ik zal nooit deel kunnen uitmaken van een groep die tevreden is met zichzelf. Dat heb ik nooit gekund - als dat het geval was geweest had ik dit boek niet kunnen schrijven. Ik kwam uit de kraakbeweging, waarbinnen ik een zeker kritisch vermogen had ontwikkeld. Daarom vond ik niet alleen de Spinoza’s, de Einsteins en de Woody Allens belangrijk, maar bijvoorbeeld ook Israel en de politiek in de bezette gebieden.’
Het klinkt alsof dat joods-zijn een persoonlijke keuze is geweest, in plaats van een gevolg van opvoeding.
'Ik ben niet in de joodse traditie opgevoed. Je zou eerder kunnen zeggen dat ik ben grootgebracht met verhalen over de oorlog. Als kind heb ik daar vaak over gefantaseerd, ik heb er op mijn kinderlijke manier veel over nagedacht. Als tiener ben ik op zoek gegaan naar literatuur en fotoboeken, omdat ik het wilde weten.’
Beperkte de joodse cultuur zich wat u betreft tot de gebeurtenissen tijdens de oorlog?
'Eigenlijk wel. Over de joodse cultuur heb ik vooral van mijn oma van vaderskant gehoord, oma Ee, op wie ik dol was. Een heel klein vrouwtje met een fel temperament, een soort wandelend bommetje. Zelf was ze orthodox opgevoed en ze had ermee gebroken, ze wilde niets meer met die religieuze achtergrond te maken hebben. Maar soms gaf ze snippers informatie, kleine flarden, over de geur in de keuken, over de niet-joodse man die op sabbat de lichten kwam ontsteken omdat joden dat op die dag niet mochten doen. Het waren versnipperde beelden, zonder enige samenhang, maar het prikkelde mijn fantasie ontzettend. Misschien ben ik daardoor meer gefascineerd dan mijn vader, die zijn moeders afkeer van de joodse gewoonten nog sterk had meegekregen. Bij mij is die negatieve lading niet meegekomen, waardoor ik er afstandelijker maar ook opener tegenover sta.
Ik weet nog dat toen ik mij in de joodse cultuur begon te verdiepen, ik voor het eerst naar de synagoge ging, in Amsterdam. Ik dacht: nu zit ik dus op de plek voor de vrouwen. Maar hoe vind ik dat? Toen moest ik heel sterk aan oma Ee denken. Ze had vier broers en ze was er erg verbitterd over dat mannen en jongens veel meer gezag en status hadden dan vrouwen. Dat was een van de redenen waarom ze met de joodse traditie had gebroken. Zij wilde niet meer op de plek zitten waar ik mij op dat moment bevond.
De oorlog heeft haar emancipatieproces niet echt gecompliceerd, want direct erna is ze lid geworden van het Humanistisch Verbond. Toch is zij niet ongeschonden uit de oorlog gekomen, zeker niet. Bijna cynisch zou je kunnen zeggen dat de 4 mei-herdenking de enige joodse traditie is die zij en wij systematisch hebben gehandhaafd.’
Onder welke omstandigheden kwam oma Ee de oorlog door?
'Ik weet daar niet zo heel veel over, behalve een vaag verhaal dat ze tijdens een inval aardappelen schilde en deed alsof ze niet kon praten. Over de ervaringen van mijn vader weet ik meer. Ik was een jaar of zeven, en tijdens een 4 mei-herdenking besloot hij mij en mijn zus over de oorlog te vertellen. Het was een verschrikkelijk verhaal over onderduikadressen, angst, onveiligheid. Op de dag waarop hij de ster van zijn jas afhaalde, is hij naar een bevriende apotheker gegaan om een portie vergif te kopen. Die had hij altijd bij zich, voor het geval hij zou worden betrapt.
Het was een schokkende gewaarwording: het idee dat je ouders, degenen die jou moeten beschermen, zelf onbeschermd waren, vervolgd werden. Als kind geeft het een bijna onbeheersbaar gevoel van onveiligheid. Onveiligheid en verwarring. Een van de verhalen die mijn vader vertelde was dat hij met enkele andere onderduikers achter een wand verstopt zat tijdens een inval. Ze werden niet gevonden en de anderen wilden te voorschijn komen. Maar mijn vader zei dat hij had gehoord dat de Duitsers soms onverwachts terugkwamen. Ze zijn dus blijven zitten en inderdaad: ze kwamen terug.
Dit verhaal moet een ongelooflijke indruk op mij hebben gemaakt, omdat ik later tijdens een gesprek heb geroepen dat mijn vader een echte held was. Dat was voor mij een erg emotionele uiting, want ik begon daarop ontzettend te huilen. Dat zegt misschien iets over mijn verwarde gevoelens; dat hij op een bepaalde manier een held was, maar ook heel erg een slachtoffer. Het is heel moeilijk om daar als kind mee om te gaan.’
Is uw jeugd zo sterk doortrokken geweest van de oorlogservaringen van uw ouders en grootouders?
'Vrij sterk, ja. Van kindsaf heb ik dat eigenaardige gevoel: een zekere alertheid, op je hoede zijn. Let op, kijk om je heen, het kan altijd mis gaan. Vertrouw het niet zomaar, wacht nog even. Maar of het allemaal komt door de verhalen over de oorlog, dat weet ik natuurlijk niet. Vaak is het een vermenging. Mijn ouders hadden destijds niet zo'n gelukkig huwelijk, dat beinvloedt je als kind ook heel erg. Maar ik denk wel dat ik nooit zo goed begreep waar ik nou precies thuis hoorde. Joden waren vergast en verraden, dat wist ik. En ik was joods, maar hoezo eigenlijk? Mijn vader was joods, mijn moeder had een joodse vader, maar wat was dat precies, joods-zijn, behalve wat er in de oorlog was gebeurd? Het joods-zijn gaf eerder een onveilig gevoel, zou je kunnen zeggen.
Als ik mijn verhalen die ik als kind van acht of negen schreef nalees, merk ik grappig genoeg dat ik mezelf altijd heb beschreven als buitenstaander. In de schoolkrant schreef ik een verhaal, heel pathetisch en bombastisch, met als titel “Anders”. Het speelde blijkbaar. Ik heb ook wel vriendinnen ontmoet uit mijn schooltijd die tegen me zeiden dat ik me wel bewust was van mijn joods-zijn, en dat ik eens tijdens een les over de oorlog had geroepen: als ik zes jaar eerder was geboren dan was ik vergast! Maar dat herinner ik me niet meer.’
Hadden jullie het thuis wel eens over de passieve houding van niet-joodse Nederlanders die ertoe heeft geleid dat in Nederland veel meer joden zijn opgepakt en gedeporteerd dan elders in West-Europa?
'We hebben er nooit zo over gesproken, over de onverschilligheid van niet-joodse Nederlanders tijdens de oorlog. We spraken juist over het tegenovergestelde. Oma Ee dreef een knopen- en lintenwinkeltje in Haarlem, en ze had een oproep gekregen om naar Polen te vertrekken. Kwam er een mevrouw op bezoek, die haar aantrof met haar koffers en spullen, gepakt en gezakt. “Ben je nou helemaal!” riep die vrouw, “je moet onderduiken!” Door die uitroep doorbrak zij het patroon bij mijn grootmoeder dat er helemaal geen uitweg was. De bitterheid naar niet-joden toe, daar is mij tijdens mijn jeugd niet veel van gebleken.’
WAT IS DE ZIN van een boek als 'Gojse nijd & joods narcisme’ - wilt u een nationaal debat ontlokken, of een officiele bekentenis, een uiting van schuld?
'Nee, ik zie de zin van een algehele boetedoening niet. Schuldgevoel is zelfs gevaarlijk. Als er niet op een openhartige manier over kan worden gepraat, zet het schuldgevoel zich in het gunstigste geval om in irritatie, en in het ergste geval in agressie. Wat wel van belang is dat men de trots aan Nederlandse kant leert relativeren. Er is namelijk een pijnlijke discrepantie tussen de trots en de nadruk die Nederlanders leggen op het verzet, en het simpele feit dat er niet erg veel is gedaan om de deportaties tegen te houden. Maar ja, iedereen wil liever een held zijn dan iemand die zich keurig heeft aangepast. Want bedenk wel dat zowel het daadwerkelijke verzet als de daadwerkelijke collaboratie minderheidsstandpunten zijn geweest. De overgrote meerderheid van Nederlanders heeft domweg geprobeerd om door te leven en zichzelf te redden, om er maar enigszins ongeschonden uit te komen. Maar nogmaals: wie is bereid zijn leven voor een ander te riskeren? Dat is erg veel gevraagd, je moet uitkijken dat je daarin niet moralistisch wordt. Daar staat echter wel tegenover dat dat nog geen reden is om zo trots te zijn. Er is geen enkele reden voor zelfgenoegzaamheid.’
Er is bij u sprake van een zekere toenadering tot de joodse cultuur, zij het op een kritische manier, terwijl uw grootmoeder daar juist radicaal afstand van had genomen. Zou zij niet het gevoel hebben dat u nu terugvalt op iets waar zij zich al uit had weten te bevrijden?
'Het verhaal is ingewikkelder. Oma Ee was in haar laatste dagen opgenomen in een humanistisch bejaardentehuis, naar haar eigen wens. Maar ze werd er meteen ziek, ze vond het helemaal niet leuk. Op een gegeven moment kwam mijn vader erachter dat ze terug wilde naar Amsterdam, naar het joodse bejaardentehuis. Dat was voor ons allemaal verbijsterend. Stervende is ze in een ambulance vervoerd. Na aankomst werd aan haar in het bijzijn van mijn vader gevraagd of ze de joodse stervensrituelen wilde. Ze kon niet meer praten, maar ze knikte ja. Mijn vader belde mij helemaal in de war op en zei: hoe kan het nou Evelien, ik dacht dat ze nee bedoelde en ik heb het nog een keer gevraagd. Toen knikte ze weer ja. Hoe kan dit?
Ik vond het minder vreemd, moet ik zeggen. Ik denk dat ze naar een bepaalde atmosfeer ging verlangen die ze van vroeger kende, en die haar op een vreemde manier toch geborgenheid gaf, terwijl ze er rationeel wel afstand van had genomen.’
Dit interview is een bewerking van het radiogesprek dat de auteur met Evelien Gans had in het VPRO-programma Zilte stranden.