Juryleden als huilende derden

Schuldig of niet schuldig

De regering-Blair wil het strafrecht drastisch hervormen. Onder meer door de jury in bepaalde gevallen te vervangen door een gewone rechter. Het Hogerhuis heeft de plannen vorige week afgewezen. De juryleden zijn de huilende derden.

LONDEN — Een willekeurige dag, een willekeurige Engelse rechtbank: het Crown Court in Croydon op een dinsdagmorgen in september. In Court Number One, een achthoekig vertrek dat qua meubilair en kleurkeuze — purper en grijs — het meest doet denken aan een vliegveldwachtkamer, is het wachten op twee verdachten van drugssmokkel. Een aantal hoofdrolspelers is al present. Drie bepruikte strafrechtadvocaten, in toga met koket rugflapje, hangen verveeld naast elkaar in hun gezamenlijke bank en nemen de vermoedelijke duur van de zitting door. De barrister links is vandaag voor de vervolging (maar kan in volgende zaken weer als verdediger verschijnen). Hij treedt op voor de kroon: de Crown Prosecutor. De twee andere strafrechtadvocaten, die er net zo uitzien als hij, verschijnen dit keer als verdediger (maar kunnen in een andere zaak de rol van vervolger spelen). Eén voor elk der verdachten.

Op de drie banken achter hen zitten meer deelnemers in het proces: voor beide verdachten de eigen solicitor (een advocaat van het niet-pleitende soort), die op geëigende momenten de barrister kan souffleren. Naast de twee solicitors zit als helper voor de kroon een lid van de Crown Prosecution Service achter stapels documenten. En daarachter, op rij drie, en pal vóór the dock (de verdachtenbank) verdringen zich de administratieve hulpen van al die rechtsdeskundigen met nog meer documentatie en uitpuilende aktetassen.

Als de verdachten eindelijk in de rechtszaal arriveren, een uur te laat omdat de boeven wagen oponthoud had in het drukke Londense verkeer, maakt eerst de rechter zijn entree. In zijn eentje, bepruikt en in toga, zet hij zich hoog boven de zaal op het podium en blikt neer. De klerk, een treetje lager, roept een bezwering die eindigt met «lang leve de koningin». Iedereen kan weer gaan zitten. Maar dan nóg zijn de belangrijkste spelers in de afweging van schuld en onschuld in dit drama niet in de zaal aanwezig. Zij worden, vijftien in getal en wat schaapachtig om zich heen kijkend, de zaal binnengeleid. Zij zijn degenen om wie dit proces draait. Zij zijn de jury.

Nederlanders, en wie weet ook andere Europeanen, klagen steen en been over de trage en inefficiënte gang van hun strafrechtelijke molens. De strafrechtsgang in het Engelse model is echter zo langzaam, zo inefficiënt en vooral zo duur gebleken dat de Britse regering verregaande veranderingen wil doorvoeren. Een commissie voor strafrechthervorming onder leiding van Lord Justice Auld, niet de eerste eerbiedwaardige studiegroep in de afgelopen tientallen jaren, is het land doorgereisd en heeft het oor te luisteren gelegd bij de uitvoerders van het bestaande systeem. Het was onvrede alom: daders gaan vrijuit, slachtoffers voelen zich veronachtzaamd en velen geloven niet meer dat het systeem wandaden bestraft of dat het recht zijn onvermijdelijke loop heeft.

David Blunkett, minister van Justitie, weet dat hij zich bij kiezers populair kan maken door voorgestelde veranderingen te koppelen aan de belofte van strengere straffen voor criminelen. Elke minister van Justitie wordt hier immers traditioneel afgerekend op de misdaadstatistieken. De cijfers voor misdrijven met geweld, vooral straatroof, schieten omhoog. Met het rapport van de commissie-Auld in de hand heeft Blunkett daarom een wortel-en-tak-herziening van een eeuwenoud strafrechtsstelsel voorgesteld dat zo radicaal is dat het de advocatuur en liberale strafrecht deskundigen in de hoogste boom heeft gejaagd.

Een van die hervormingen is nog meer omstreden dan het schokkende voorstel tot afschaffen van ne bis in idem (het principe dat iemand niet tweemaal terecht kan staan voor hetzelfde feit). Blunkett wil, dieper dan zijn voorgangers, het mes steken in de juryrechtspraak. Zeer gecompliceerde zaken zouden niet meer met een jury moeten worden berecht. Evenmin zou een jury bij een rechtszaak moeten worden betrokken waar verdachten en hun aanhang de juryleden zouden kunnen intimideren en daarmee beïnvloeden in hun oordeel «schuldig» of «niet schuldig».

Niet alleen achthonderd jaar traditie gaat daarmee op de mestvaalt. De minister raakt ook verder aan wat een beroemde rechter, Lord Devlin, in een eindeloos geciteerde strofe veertig jaar geleden opmerkte over juryrechtspraak, dat merkwaardige systeem waarbij verdachten op hun waarachtigheid worden beoordeeld, niet door geschoolde rechters, maar door hun peers — hun gelijken. «Het eerste doel dat een tiran in Whitehall zich zou stellen, zou zijn dat hij het parlement geheel aan zijn wil onderhorig zou willen maken. En vervolgens zou hij berechting door een jury willen afschaffen of beperken. Want geen tiran kan zich veroorloven de vrijheid van een onderdaan in handen te laten van twaalf van zijn landgenoten. Daarom is berechting door een jury meer dan een instrument van rechtstoepassing en meer dan een radertje in onze constitutie: het is de lamp die laat zien dat vrijheid leeft», aldus Devlin.

Wee daarom de politicus die aan dit grondrecht tornt. De gemiddelde Engelsman mag een hekel hebben aan jury duty en hij mag de plicht om op afroep twee weken beschikbaar te zijn om zijn medeburger te beoordelen in de praktijk graag overlaten aan een vrouw, een gepensioneerde of een type uit de lagere klasse, maar aan het principe en aan de traditie van een jury hecht hij met alles wat in hem is.

Niemand weet hoe effectief of ineffectief berechting met behulp van een jury eigenlijk is. Het geheim van de jurykamer strekt zo ver dat elke discussie over lengte en duur en koers van hun beraadslagingen tot in eeuwigheid verboden is — op straffe van een veroordeling voor contempt of court, veronachtzaming van de rechtsgang.

Zelfs academisch onderzoek naar de wijze van beraadslaging in een jurykamer is in dit land verboden. Journalist Trevor Grove doorbrak dit taboe enigszins door in 1998 een boek te schrijven, The Juryman’s Tale, over zijn eigen belevenissen als lid van een jury. Juryplicht duurt gewoonlijk niet meer dan tien werk dagen, maar Grove werd ingeloot als lid van een jury in een ingewikkelde strafzaak waarin geweld, ontvoering en fraude in het geding waren. De strafzaak duurde in plaats van de gebruikelijke paar dagen bijna vier maanden. Al die tijd konden de juryleden niet naar hun werk en thuis mochten ze met geen woord over de zaak praten.

«Toen we (de jury) daaruit tevoorschijn kwamen», schrijft Grove, «voelden we ons als de overlevenden van een vliegtuigongeluk. We waren gedwongen in een wereld binnen gevoerd waar we niets van afwisten, waarin een taal werd gesproken die we soms nauwelijks begrepen en waarin regels golden die ons het gevoel gaven dat we weer op school zaten. (…) Wekenlang werd ons gevraagd dan de een te geloven en dan weer een ander. En na vier maanden trok iedereen abrupt zijn handen van ons af en kregen we de opdracht op eigen houtje en zo goed mogelijk orde te scheppen in onze verwarring. De samenvatting van de rechter wordt geacht je in de richting van de waarheid te wijzen en dat gebeurde ook. Maar de aanwijzingen die we het beste hadden kunnen gebruiken, bleken subtiel verscholen te liggen in het juridisch struikgewas eromheen.»

In mijn eigen omgeving stuitte ik na enig navragen op twee mensen wier namen door de computer uit het kiesregister waren geplukt voor juryplicht. Een van hen, Desmond, een middelbare man die werkt in de buitendienst van een waterleidingbedrijf, nam zijn eed op de bijbel «that I will faithfully try the defendant and give a true verdict according to the evidence» zo serieus, dat hij twee jaar na dato nog steeds geen woord wilde loslaten over zijn ervaringen. De ander, Christine, een jonge vrouw wier werknemer vergeefs had geprobeerd dispensatie voor haar te krijgen omdat ze in het kleine bedrijf slecht kon worden gemist, had ons tijdens haar juryservice al vergast op haar ervaringen. Ze had verteld hoeveel tijd er verloren ging met rondhangen in de wachtkamer voor juryleden, doordat («legal point, Milord») de jury regelmatig de rechtszaal wordt uitgestuurd als er zaken aan de orde komen die ze niet mag horen. Hoe ze per dag 4,20 pond vergoeding kreeg, te besteden aan de oneetbare pasteitjes in de kantine. Hoe intimiderend ze het vond om aan het eind van de dag langs de aanhang van twee van «haar» verdachten naar de uitgang van het gerechts gebouw te lopen. Hoe ze één keer te laat kwam en door de rechter werd bedreigd met een boete van tweeduizend pond en een strafblad (contempt of court) als ze dat nog een keer zou doen.

Nu klapt Christine enigszins uit de school over het geheim van de jurykamer. Ze bekent dat ze achteraf spijt heeft dat ze zich naar een «schuldig» heeft laten ompraten door «een kolonelstype» in haar jury, omdat ze van het gezeur af wilde zijn. En ze onthult impliciet waarom — een van de grote raadsels voor buitenstaanders — verdachten in Engeland in een strafzaak kunnen verschijnen zonder dat ook maar aan de orde mag komen dat ze een strafblad hebben of dat ze voor een soortgelijk delict eerder zijn veroordeeld. «In een van mijn strafzaken werd de verdachte door een vraag van de kroon gemanipuleerd in de bekentenis dat hij al eerder diefstal met geweld had gepleegd. Daarna kon je de stemming in de jurykamer voelen veranderen. Voor die tijd hadden we tegen elkaar gezegd dat zijn schuld helemaal niet vast stond.»

Trevor Grove, de journalist, gelooft in het jurysysteem omdat hij gelooft in «het gezonde verstand» van de gemiddelde Engelsman dat hem zelfs in de ingewikkeldste zaken in staat stelt te bepalen of iemand schuldig of niet schuldig is. Desmond van het waterleiding bedrijf gelooft in burgerplicht en traditie en in twelve men good and true. Christine heeft meer kritiek, maar wil het antwoord op de vraag «wat is de waarheid?» toch ook niet aan een rechter alleen overlaten. Onderliggend bij alledrie lijkt het gemeenschappelijke gevoel dat «de gevestigde orde», in de vorm van een beroepsgroep van veelal deftig pratende en uit de middenklasse voortkomende rechters en barristers, een tegenwicht uit de bevolking nodig heeft. De gewone man herkent de waarheid voor wat die is. Aan de rechter moet je dan alleen het straffen overlaten.

«Geef mij maar een jury», zegt de Londense barrister Warwick Aleeson, beurtelings vervolger en verdediger. «Jury’s hebben een gebrek aan cynisme. Dat maakt dat een verdachte een faire beoordeling krijgt. Rechters die elke dag weer dezelfde verhalen horen, worden gehard. Die hebben niet langer de juiste geestesgesteldheid.»

Aleeson, een middendertiger die anders dan de meeste van zijn collega’s «gewoon naar de universiteit van Cardiff is geweest», is door de beroepsgroep van strafpleiters, de Bar Council, naar voren geschoven als woordvoerder inzake de verafschuwde plannen van minister Blunkett. De advocatuur vindt dat die plannen het principe «onschuldig tot het tegendeel is bewezen»» ondermijnen. Voorbeelden: het twee keer kunnen berechten als (in ernstige zaken als moord) belangrijk nieuw (DNA) bewijs later alsnog beschikbaar komt; voortaan toelaten dat een strafblad wél wordt onthuld, en het beperken van juryprocessen.

«De minister wil natuurlijk gewoon kosten besparen, maar hij tuigt het op met termen als ‹het slachtoffer moet weer centraal komen te staan›. Dat vinden wij verwerpelijk en daar zullen wij ons ook fel tegen verzetten.»

Zoals wij continentalen verbaasd zijn over de dubbelrol (soms verdediger, soms officier van justitie) die een barrister in het Angelsak sische model aanneemt, zo is Aleeson perplex over ons systeem. «Wat efficiënt!» laat hij zich ontvallen. Niettemin hecht hij aan het jurysysteem en hij voelt zich, ook als hij de rol van vervolger namens de kroon aanneemt, niet gehinderd in de uitoefening van zijn functie. «Als prosecutor is het je taak de feiten zo eerlijk mogelijk te presenteren. Het gaat er niet om dat je ten koste van alles wint. Als verdediger, ja, dan heb je alles te verliezen. Dan is het je plicht om twijfel te zaaien over elk bewijsstuk en dan richt je je zoveel mogelijk op de jury. Ook al leidt dat soms tot een verkeerde uitkomst, in 49 van de 50 gevallen is de uitkomst de juiste. Dat is bij een zaak waarin een rechter alleen zit wel anders.»

Niettemin, een jury trial in Engeland of Wales is niet hetzelfde als de jury trials in Amerika. Barristers lopen hier niet rond door de rechtszaal, buigen zich niet voorover naar de jury en halen ook geen dramatische trucs uit. De strafpleiter of vervolger hier moet het bij het bewerken van de jury naast de feiten louter hebben van de kracht van zijn persoonlijkheid en van zijn retorisch vermogen.

De feiten. Berechting met behulp van een jury gebeurt in een minderheid van strafzaken. Verreweg het grootste deel — naar schatting 93 procent — wordt afgedaan door een lagere rechter. Maximaal zeven procent van alle strafzaken komt dus bij het crown court (rechter met jury) terecht. Daarbij gaat het om verdachten die hun onschuld volhouden en die hopen dat een jury hen daarin zal bijvallen. De helft van de zaken aangebracht bij het crown court leidt vervolgens toch niet tot een zitting, omdat de verdachte voor die tijd alsnog schuld bekent. Dan legt de rechter op grond daarvan in zijn eentje een straf op.

Er zijn duidelijk verdachten die hun kansen wegen en erop rekenen dat een jury hen zal vrijpleiten. Toen minister Blunkett zijn plannen presenteerde, zei hij dat hij zijn ministerie wilde laten onderzoeken hoe het komt dat in de West-Midlands jury’s in twee derde van de gevallen tot een «niet schuldig» komen. Barrister Warwick Aleeson kent dat cijfer niet, maar gelooft het graag. Hij zegt dat het onder zijn collega’s een bekend gegeven is dat jury’s in de binnenstad van Londen veel minder geneigd zijn de politie te geloven dan het geval is met jury’s in een welvarende provinciestad die nog nooit met het verkeerde soort politieman in aanraking zijn geweest. Nu een onderzoekscommissie een paar jaar geleden geconcludeerd heeft dat de politie in Londen «van onder tot boven vergeven is van racisme», geven jury’s hier de politieman graag een verdekte schop terug door twijfel in het voordeel van de verdachte te laten uitvallen.

Zo’n veelzeggend detail alleen al maakt dat toch ook sommige prominente juristen het jurysysteem afvallen. Een strafproces met jury kost een geraamde 8500 pond per dag, het duurt langer en — principieel bezwaar — een jury hoeft nooit met een beredeneerd «vonnis» te komen. Lagere rechters hoefden dat hier tot voor kort ook niet, maar nu het Engelse rechtssysteem sinds een jaar de Europese wetgeving inzake de rechten van de mens in de armen heeft gesloten, wordt dat anders.

Terug in Croydon Crown Court. De twee verdachten — een hoogzwangere inwoonster van St. Maarten en een stuurse Fransman die door een tolk wordt bijgestaan — kijken vanuit de dock naar de juryleden die langs de lange zijde van het vertrek achter de tafel zitten. Van de vijftien die eerst waren binnengeroepen, heeft de griffier er twaalf geselecteerd door kaartjes met hun namen in zijn hand te schudden als was het een pak speelkaarten.

Wat de verdachten zien zijn tien vrouwen, van jong tot middelbaar, en twee jonge mannen van wie één met geel gebleekt haar en een aanhoudende gaap. Een jurylid, een middelbare dame, is van Aziatische afkomst. Zij heeft moeite met het afleggen van de belofte en spreekt gebrekkig Engels.

Hoe representatief deze jury is, valt aan de buitenkant niet te zien. Maar het is een feit dat hele beroepsgroepen (militairen, advocaten, politici, artsen, geestelijken) zich kunnen verschonen van juryplicht, waardoor het soms lijkt of alleen minder hoog aangeschreven lagen van de maatschappij de pineut zijn. Ook dat wil de minister veranderen en daarin vindt hij nauwelijks tegen standers.

Croydon Crown Court gaf in een maand 53.000 pond uit aan compensatie voor jury leden: reis- en verblijfkosten, kinderopvang en vergoeding (maximaal 52,63 pond per dag) voor gederfde inkomsten.

«Maar wij nemen alles», zegt de klerk in de jurykamer. «We hadden hier een chirurg die twintigduizend pond per dag verdient en die toch wilde blijven omdat hij het zo leuk vond. Maar ook een zwerver, die elke dag in zijn broek pieste en door de hele zaal riekte. Maar een jurylid is een jurylid. En over het algemeen vinden mensen de ervaring, als ze eenmaal aan het idee gewend zijn, erg waardevol.»

Na afloop van de berechting van de verdachten in Court One — door de douane betrapt op het binnensmokkelen van ander halve kilo cocaïne (hij) en het daarbij actief aanwezig zijn (zij) — bel ik nog eens op om de uitslag te horen. «Beiden zijn veroordeeld», zegt de klerk aan de telefoon formeel. «Hij tot tien jaar en zij tot negen jaar.»

Ik schrik van de hoogte van de straffen. Daarin ben ik niet de enige. De klerk in de jurykamer heeft eerder verteld: als de rechter zijn straf oplegt (soms weken later, in afwachting van deskundigenrapportage over de geestelijke gesteldheid en misdadige inslag van de verdachte), schrikken veel juryleden achteraf van de hoogte daarvan. «Ze bellen dan op en sommigen huilen: heb ik dat op mijn geweten? Dan moeten wij ze troosten: met dat vonnis hebben jullie niets te maken. Dat is alleen de verantwoordelijkheid van de rechter.»